Rb. Den Haag 30 september 2026, ECLI:NL:RBDHA:2026:30027
Erfrecht. Geschil over uitleg testament en samenlevingsovereenkomst.
De uitspraak op rechtspraak.nl
Tekst
RECHTBANK Den Haag
Team Handel
Zaaknummer: C/09/700940 / HA ZA 26-237
Vonnis van 30 september 2026
in de zaak van
1 [partij A sub 1] te [woonplaats 1] ,
2. [partij A sub 2] te [woonplaats 2] ,
eiseressen in conventie, verweersters in reconventie,
hierna samen te noemen: [partij A] c.s.,
advocaat: mr. L.C. Griffioen-Wennekers,
tegen
1 [partij B sub 1] te [woonplaats 3] ,
2. [partij B sub 2] te [woonplaats 4] ,
gedaagden in conventie, eiseressen in reconventie,
hierna samen te noemen: [partij B] c.s.,
advocaat: mr. P.J. de Groen.
1 Waar gaat deze zaak over?
1.1 De vader van [partij A] c.s. en de moeder van [partij B] c.s. hebben een jarenlange affectieve relatie gehad. In 1988 hebben zij samen een woning gekocht, die zij elk voor 50% in eigendom hadden. In 2002 hebben zij een samenlevingsovereenkomst gesloten. Beide zijn overleden. [partij B] c.s. zijn erfgenamen in de nalatenschap van hun moeder. [partij A] c.s. zijn erfgenamen in de nalatenschap van hun vader. Zowel moeder als vader hebben bij testament over hun nalatenschap beschikt.
1.2 [partij A] c.s. en [partij B] c.s. verschillen van mening over de uitleg van verschillende bepalingen in het testament van erflaatster en over de uitleg van de samenlevingsovereenkomst.
2 De procedure
2.1 Het procesdossier bestaat uit de volgende stukken:
- de dagvaarding van 3 maart 2026, met producties 1 tot en met 38;
- de conclusie van antwoord in conventie, tevens conclusie van eis in reconventie, met producties 1 tot en met 12;
- de conclusie van antwoord in reconventie, met producties 39 tot en met 46; - het bericht van [partij B] c.s. van 13 augustus 2026, met producties 13 tot en met 20;
- de akte indiening producties, tevens akte wijziging van eis van [partij A] c.s., met producties 47 tot en met 55B; en
- de pleitaantekeningen van partijen.
2.2 Op 25 augustus 2026 heeft de mondelinge behandeling plaatsgevonden. Daarvan zijn door de griffier aantekeningen gemaakt.
3 De feiten
3.1 Op grond van de stukken en hetgeen tijdens de zitting besproken is, wordt in dit geding van het volgende uitgegaan.
3.2 [erflater] (hierna: erflater), en [erflaatster] (hierna: erflaatster) hadden sinds september 1986 een affectieve relatie.
3.3 Op 27 oktober 1988 hebben erflater en erflaatster samen een woning aan [adres] (hierna: de woning) gekocht voor fl. 602.500, die zij elk voor 50% in eigendom hadden. Op 28 oktober 1988 is door hen een hypotheek gevestigd ten behoeve van een geldlening van fl. 450.000 (hierna: hypothecaire geldlening uit 1988).
3.4 Op 24 april 1996 hebben erflater en erflaatster een tweede hypotheek genomen op de woning in verband met een in dat jaar van N.V. Levensverzekering Maatschappij NOG (verder: NOG) geleend bedrag van fl. 205.000,00 (hierna: hypothecaire geldlening uit 1996).
3.5 Op 4 juli 2002 hebben erflaatster en erflater een samenlevingsovereenkomst (hierna: de samenlevingsovereenkomst) gesloten. In de samenlevingsovereenkomst is onder andere bepaald:
‘DOEL
Artikel 1
Met deze overeenkomst willen partijen ondermeer een regeling treffen omtrent:
a. de kosten van de gemeenschappelijke huishouding;
b. de gemeenschappelijke goederen;
c. de gemeenschappelijke woning;
d. de pensioentoekenning.
Partijen beschouwen deze regeling mede als voldoening aan een dringende verplichting van moraal en fatsoen. Zij komen overeen deze natuurlijke verbintenis hierbij om te zetten in een rechtens afdwingbare.
(…)
GEMEENSCHAPPELIJKE HUISHOUDING
Artikel 3
Partijen verklaarden te zijn overeengekomen dat de kosten van de gemeenschappelijke huishouding zullen worden gedragen door de comparant sub 1 [erflater: toevoeging rechtbank], zonder dat de comparant sub 1 hiertoe enig recht op verrekening zal kunnen doen gelden ten opzichte van de comparante sub 2 [erflaatster: toevoeging rechtbank].
Artikel 4
1. Tot de kosten van de gemeenschappelijke huishouding worden in voorkomende gevallen onder meer gerekend de kosten van levensmiddelen, de kosten met betrekking tot onderhoud, verzekering en belastingen van de ten name van partijen of van een van hen beiden staande vervoermiddelen, alle lasten met betrekking tot de door partijen gezamenlijk te bewonen woning, kosten van gas, water en licht, de kosten van gebruikelijke verzekeringen met inbegrip van de premie voor een eventuele ziektekostenverzekering, de kosten van gezamenlijke vakanties en de kosten van medische verzorging.
Tot vorenbedoelde kosten zullen niet behoren de kosten voor de aanschaf van kleding, toiletartikelen en brandstof voor vervoersmiddelen, tenzij de comparante sub 2 over enige periode niet over eigen inkomen mocht beschikken, voor welke periode ook deze kosten tot de kosten der gemeenschappelijke huishouding zullen worden gerekend.
2. Premies en koopsommen van levensverzekeringen (daaronder een ongevallenverzekering begrepen) en al hetgeen overigens in dit verband wordt verschuldigd, vallen niet onder de kosten van de huishouding, maar worden gedragen door degene die deze is verschuldigd. Deze premies en koopsommen zijn en blijven, ook in geval van verrekening van inkomsten, voor rekening van de premieplichtige.
3. Indien ter financiering van de door partijen gezamenlijk te bewonen woning en van zaken aangeschaft voor de gemeenschappelijke huishouding een geldlening is aangegaan, zal de rente worden gerekend tot de kosten van de gemeenschappelijke huishouding, doch de aflossingen uitdrukkelijk niet.
Voorts worden tot de kosten van de gemeenschappelijke huishouding gerekend de kosten van alle gewone lasten en herstellingen en buitengewone herstellingen als bedoeld in artikel 3:220 Burgerlijk Wetboek.
(…)
GEMEENSCHAPPELIJKE INBOEDEL
Artikel 5
De inboedel (in de zin van artikel 3:5 Burgerlijk Wetboek), aangeschaft voor de
gemeenschappelijke huishouding, de vervoermiddelen alsmede de tegoeden van de
bankrekeningen die op beider naam zijn gesteld (de zogenaamde ‘en/of bankrekeningen’) zullen partijen ieder voor de onverdeelde helft toebehoren.
(…)
GEMEENSCHAPPELIJK BEWOONDE WONING
Artikel 6
(…)
4. Indien door partijen een door hen gezamenlijk te bewonen woning en/of een door hen gezamenlijk te gebruiken tweede woning gezamenlijk wordt verkregen, zal de partij die uit eigen middelen meer dan haar aandeel van de koopsom en de kosten heeft betaald voor het meerdere een vordering hebben op de andere partij.
(…)
VERBLIJVENSBEDING
Artikel 8
De comparanten verklaarden, mede in verband met door hun bij uiterste wilsbeschikking te treffen erfrechtelijke regelingen, uitdrukkelijk geen prijs te stellen op opname van een verblijvens- of overnamebeding met betrekking tot de aan partijen gezamenlijk toebehorende casu quo bij partijen gezamenlijk in gebruik zijnde goederen, aangezien een verblijvens- of overnamebeding vorenbedoelde erfrechtelijke regelingen op ongewenste wijze zou doorkruisen.
(…)
AANBRENGSTEN EN MEDEEIGENDOM VAN INBOEDEL
Artikel 13
Partijen hebben geruild en aan elkaar geleverd de onverdeelde helft in ieders
inboedel.
De comparanten verklaarden dat de inboedel die ieder van hen voor de hiervoor bedoelde levering bezat, ongeveer evenveel waard is en dat zij geen prijs stellen op enige specificatie daarvan. In afwijking van het vorenstaande blijft ieder eigenaar van de kleding, sieraden en overige persoonlijke goederen, welke hij of zij in gebruik heeft of welke tot zijn of haar persoonlijk gebruik bestemd zijn, alsmede van alle goederen waarvan partijen hebben vastgelegd, dat zij privé eigendom blijven van een van hen.
AANBRENGSTEN
Artikel 14
1. De comparanten verklaarden dat de ten name van hun beiden, ieder voor de onverdeelde helft, staande woning aan de (…) als volgt is gefinancierd:
a. door de comparant sub 1 uit eigen middelen een bedrag groot éénhonderdachtenvijftigduizend achthonderddrieëntwintig euro (€ 158.823,00);
b. door middel van een hypothecaire financiering, waarvoor beide comparanten hoofdelijk aansprakelijk zijn.
2. Op grond van het hiervoor onder 1.a gemelde, heeft de comparant sub 1 een vordering op de comparante sub 2 ter grootte van negenenzeventigduizend vierhonderdelf euro en vijftig eurocent (€ 79.411,50), onder de volgende bepalingen:
a. de comparante sub 2 is over de schuld of het onafgeloste gedeelte daarvan geen rente of enige andere vergoeding verschuldigd;
b. de vordering, of het onafgeloste gedeelte daarvan, is te allen tijde geheel of gedeeltelijk, onmiddellijk opeisbaar.
3. Voor wat betreft de hiervoor sub 1.b bedoelde hypothecaire geldlening deelde de
comparant sub 1 mede dat deze deels aflossingsvrij is en deels zal worden afgelost door verpanding van de rechten uit hoofde van een meeverbonden gemengde verzekering, uitkerend aan het einde van de looptijd en tussentijds, bij overlijden. De comparanten verklaarden te zijn overeengekomen dat voor zover betaalde aflossingen, al dan niet uit hoofde van gemelde overeenkomst van levensverzekering, op bedoelde geldlening zullen geschieden, de betreffende partij uit wiens vermogen deze aflossing is gedaan een vordering op de ander zal hebben ter grootte van de helft van het nominale bedrag aan betalingen. Met betrekking tot deze vordering zullen dezelfde bepalingen gelden als met betrekking tot de vordering die hiervoor sub 2 nader is omschreven.’
3.6 Erflaatster heeft bij testament van 4 juli 2002 laatstelijk over haar nalatenschap beschikt. In dat testament wordt onder andere bepaald:
‘Voor het geval ik mocht komen te overlijden met achterlating van afstammelingen, beschik ik als volgt:
3.A.
Ik legateer aan mijn partner alle goederen van mijn nalatenschap, of die goederen van mijn nalatenschap welke hij zal kiezen, tegen schuldigerkenning van de waarde van de over te nemen goederen ten tijde van mijn overlijden. Mijn partner zal binnen twee maanden na daartoe schriftelijk te zijn aangemaand moeten verklaren welke goederen hij niet kiest, bij gebreke van welke verklaring binnen genoemde termijn hij geacht wordt alle tot mijn nalatenschap behorende goederen te hebben gekozen.
B.
Ik legateer voorts aan mijn partner, onder vrijstelling van de verplichting tot zekerheidstelling, het levenslang vruchtgebruik, ingaande ten tijde van mijn overlijden, van dat gedeelte van mijn nalatenschap waartoe hij niet als erfgenaam geroepen wordt. Mijn partner zal bij aanvang van het vruchtgebruik in het bijzijn van mijn overige hierna bedoelde erfgenamen een beschrijving dienen te maken van de goederen die onder het vruchtgebruik vallen en voorts jaarlijks aan laatstbedoelden opgaaf doen van de niet meer aanwezige
goederen, de goederen die daarvoor in de plaats zijn gekomen en de voordelen die de goederen hebben geleverd en geen vruchten zijn.
(…)
D.
Onder de last van vorenstaande beschikkingen, benoem ik tot enige erfgenamen van mijn nalatenschap:
1. mijn partner, voor één/tiende procent (0,1 %)
2. mijn kinderen voor de overige negenennegentig negen/tiende procent (99,9%) van mijn nalatenschap, tezamen en voor gelijke delen (…)
E.
Ik benoem mijn partner tot bezorger mijner uitvaart, beredderaar van mijn boedel en uitvoerder van mijn uiterste wilsbeschikkingen met het recht en de macht tot inbezitneming van mijn nalatenschap gedurende de tijd welke de boedelafwikkeling vereist.
F.
Mijn partner zal de belastingen, waaronder begrepen de inkomstenbelasting en de successierechten, die mijn overige erfgenamen verschuldigd zijn of worden over hun erfrechtelijke verkrijgingen krachtens dit testament, renteloos aan hen voorschieten.
De vorderingen van mijn partner op mijn overige erfgenamen die ontstaan als gevolg van het renteloos voorschieten van belastingen zijn opeisbaar onder dezelfde omstandigheden als hierboven onder B. vermeld, waarop eveneens dezelfde uitzonderingen van toepassing zijn.’
3.7 In 2009 bedroeg de restschuld op de hypothecaire geldlening uit 1988 € 165.629,78 en op hypothecaire geldlening uit 1996 € 68.067,03. Op de hypothecaire geldlening uit 1988 heeft erflater in 2010 € 98.016 afgelost, waarna een restschuld van € 67.613,25 resteerde. De hypothecaire geldlening uit 1988 is in 2011 omgezet naar een lineaire hypotheek, waarop de restschuld op de datum van overlijden van erflaatster € 2.739,97 bedroeg. In totaal heeft erflater tot het overlijden van erflaatster een bedrag van € 162.889,84 afgelost op de hypotheken.
3.8 Erflaatster is op [datum 1] 2023 overleden. [partij B] c.s. hebben de nalatenschap van erflaatster zuiver aanvaard. Erflater heeft de nalatenschap (eveneens zuiver) en zijn benoeming tot executeur aanvaard. [partij B] c.s. hebben erflater gevolmachtigd om hen te vertegenwoordigen ter zake van de nalatenschap van erflaatster.
3.9 Op 30 maart 2024 heeft erflater, als executeur, aangifte erfbelasting gedaan. Hij heeft daarbij ingevuld dat hij het vruchtgebruik op de woning had verkregen, en dat hij geen legaten had verkregen.
3.10 Op 16 april 2024 hebben erflater en [partij A] c.s. [partij B] c.s. een mailbericht gestuurd met als onderwerp: ‘informatie nalatenschap’. Daarin hebben zij het gesprek dat zij hadden met [partij B] c.s. op 3 maart 2024 naar aanleiding van het testament van erflaatster bevestigd.
‘Ik zet hieronder kort nog een en ander op een rijtje.
De korte samenvatting is dat jullie samen 99,9 % van haar nalatenschap erven en mijn vader
0,1 %.
Tevens staat er in artikel 3 dat ze aan mijn vader alle goederen legateert die hij wil, tegen
schuldigerkenning van de waarde.
Dit betekent concreet dat [erflaatster] alles aan mijn vader nalaat en dat jullie een geldsom
ontvangen wanneer hij overlijdt. Dat betekent dat hij het huis op zijn naam zal zetten. Er zal
een bedrag bij de notaris worden vastgezet op jullie naam. Dat wordt dus pas uitgekeerd als
mijn vader is overleden.
(…)
Er kan wel alvast een afspraak met de notaris worden gemaakt om alles notarieel vast te
leggen.
De omvang van de erfenis komt op het volgende neer :
A. waarde bezittingen: € 435.982 (dit is de helft van de woz waarde: het huis is
gezamenlijk eigendom, dus het erfdeel betreft de helft van de woz waarde. Verder
horen daar ook de auto en de banksaldi toe).
B. te verrekenen schulden: € 211.234 (met name de aflossingen en investeringen woning): omdat jullie moeder niet heeft afgelost op de hypotheek, had zij feitelijk een schuld
bij mijn vader. Deze dient verrekend te worden.
(A - B) = nalatenschap: € 224.748
uitvaartkosten: € 9.419
Saldo: € 215.329
Hier moet de erfbelasting nog mee verrekend worden.
(…)
De waarde van de auto is opgenomen bij de totale waarde aan bezittingen, de auto is natuurlijk feitelijk al in bezit van [partij B sub 2] [ (gedaagde 2): toevoeging rechtbank], dus die waarde kan verminderd worden van de totale nalatenschap.
Dit komt dan in totaal neer op gezamenlijk : € 212.329, met dus nog een verrekening
erfbelasting. Dit zal dus vastgelegd worden bij de notaris. (…)’
3.11 Op 26 mei 2024 hebben partijen opnieuw gesproken over de afhandeling van de nalatenschap van erflaatster. Daarbij zijn aan de orde gekomen de WOZ-waarde van de woning in januari 2023 van € 833.000, de waarde van de auto van erflaatster van € 3.000, de waarde van de inboedel van € 250 en van drie bankrekeningen voor een totaalbedrag van € 26.103, waarmee volgens [partij A] c.s. de waarde van de bezittingen van erflaatster € 445.853 bedroeg.
3.12 Het bedrag van de daarmee te verrekenen schulden van erflaatster bedroeg volgens [partij A] c.s. € 211.234. Zij kwamen tot dit bedrag door de opsomming van € 226.920 aan, volgens hun, door erflater betaalde hypotheekaflossingen, te vermeerderen met door erflater ingebracht eigen geld bij de aankoop van de woning van € 69.090 (totaal € 296.010) x 50% = € 148.005, te vermeerderen met de investeringen die door erflater zijn gedaan in de serre, zonnepanelen, badkamer, alarminstallatie, en de aanleg van de tuin van € 37.230 x 50% = € 18.615, te vermeerderen met de helft van het nog op de twee hypotheken af te lossen bedrag van in totaal € 70.807 = € 35.403, en het bedrag van de aanschaf van de traplift van € 9.211. Van het dan resterende bedrag van € 234.619 aan bezittingen zouden dan nog de uitvaartkosten van – op dat moment – € 9.419 moeten worden afgetrokken, waarna een bedrag van € 225.200 resteerde, volgens nog steeds [partij A] c.s..
3.13 Op 13 juni 2024 hebben [partij B] c.s. samen met erflater een gesprek gehad met [makelaar] over de waarde van de woning per [datum 1] 2023. Daaruit volgde een marktwaarde van € 865.000.
3.14 Op 16 juni 2024 hebben [partij A] c.s. een e-mailbericht met de titel ‘vervolgmail Informatie nalatenschap’ aan [partij B] c.s. gezonden. Daarbij hebben zij verwezen naar het gesprek van 26 mei 2024, en aangetekend:
‘(…) Kortgezegd hadden we drie afspraken gemaakt.
1. De waardebepaling van het huis. Jullie hebben mijn vader laten weten een taxatie
te willen laten doen. Jullie hebben geen afspraak met hem willen maken welke waardebepaling gebruikt zal worden. Dat betekent dat na de taxatie tussen jullie en mijn vader een afspraak hierover zal worden gemaakt. Deze waardebepaling wordt heel binnenkort verwacht; mogelijk al maandag 17 juni.
(…)
3. In het gesprek van 26 mei en in onderstaande mail staat hoe de nalatenschap is opgebouwd. Ik heb daar geen vragen meer over gehad van jullie. Mijn vader ook niet. Betekent dit dat het jullie helder is hoe deze is opgebouwd?
Als bovenstaande punten zijn afgerond, kan er een afspraak met de notaris worden
gemaakt.
(…)
Wanneer verwachten jullie klaar te zijn met het uitzoeken van haar persoonlijke spullen (kleding, sieraden en dergelijke)? Jullie kunnen, zoals mijn vader al eerder heeft aangegeven, ook het kunstwerk, een kast en wat andere zaken (in overleg met hem) meenemen.
Voor de helderheid: volgens het testament blijft de hele inboedel bij mijn vader. Dus het is
niet nodig dat jullie daar doorheen gaan. Jullie kunnen uiteraard aangeven wat jullie graag
willen hebben uit de inboedel.
(…)’
3.15 Bij e-mailbericht van 26 juni 2024 hebben [partij B] c.s. daarop laten weten dat de door erflater uitgekozen makelaar niet de instemming had van hen. Ook hebben zij opgemerkt dat op grond van de WOZ-belasting voor 2024 van € 3.300, de waarde van het huis in 2023 moet zijn geschat op € 942.857 omdat, volgens [partij B] c.s., de WOZ-waarde 0,035% van de waarde van het huis is. Verder hebben zij toen aangegeven akkoord te zijn met de in 3.12 genoemde bedragen van € 35.403, € 148.005 en € 18.615, maar niet met het volledige bedrag van € 9.211 voor de traplift. Zij hebben voorgesteld de kosten van de traplift te delen (€ 4.605). Ook zijn [partij B] c.s. niet akkoord gegaan met het bedrag van
€ 9.419 voor de uitvaartkosten. Zij wilden weten van welke bankrekening deze kosten waren betaald en een kopie van het bankafschrift van deze betaling ontvangen.
3.16 Op 26 juli 2024 hebben [partij B] c.s. aan [partij A] c.s. per e-mail laten weten dat zij alsnog een taxatie van de woning (met een rapport) wilden door een onafhankelijke makelaar van hun keuze. Als erflater dat niet wilde, dan wilden [partij B] c.s. de waardebepaling baseren op het gemiddelde van de taxatie van € 865.000,- en de WOZ-waarde 2024 van € 942.857; ‘Dit ronden wij dan af op € 900.000’.
3.17 Op 30 augustus 2024 heeft [makelaar] over de waarde van de woning een taxatierapport uitgebracht. Uit dit rapport volgt een marktwaarde per [datum 1] 2023 van € 875.000. Daarmee hebben [partij B] c.s. niet ingestemd.
3.18 Op 4 december 2024 is een taxatierapport uitgebracht door [naam] , die, in gezamenlijke opdracht van erflater en [partij B] c.s., de marktwaarde per [datum 1] 2023 heeft vastgesteld op € 910.000.
3.19 Erflater is op [datum 2] 2024 overleden. Erflater heeft bij testament van 29 november 2024 over zijn nalatenschap beschikt. [partij A sub 1] (eiseres 1) is bij dit testament benoemd tot executeur. Zij heeft die benoeming aanvaard.
3.20 Op 13 maart 2025 heeft de door de executeur ingeschakelde taxateur aan haar laten weten dat de waarde van de inboedel van de nalatenschap van erflater nihil is.
3.21 Op 3 september 2025 zijn partijen overeengekomen dat de verkoop en de levering van de woning ter hand wordt genomen door [partij A sub 1] . De woning is op 26 september 2025 verkocht. Op 28 november 2025 hebben partijen een depotovereenkomst voor de netto-verkoopopbrengst van de woning gesloten. De woning is op 15 december 2025 geleverd.
4 Het geschil
in conventie
4.1 [partij A] c.s. vorderen, na wijziging van eis bij akte, dat de rechtbank bij vonnis, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad:
I.
verklaart voor recht dat, krachtens het aanvaarde legaat door erflater, alle goederen ten tijde van haar overlijden behorend tot de nalatenschap van erflaatster zijn gaan toebehoren aan erflater, onder gehoudenheid tot voldoening aan de nalatenschap van erflaatster, de waarde van deze goederen.
II.
verklaart voor recht dat erflater, althans [partij A] c.s., uit hoofde van het legaat aan de nalatenschap van erflaatster gehouden is/zijn te voldoen, de waarde van het aandeel van erflaatster in de woning per datum van haar overlijden, minus haar aandeel in de restschuld van de hypothecaire geldlening derhalve € 397.096,50 alsmede een bedrag gelijk aan het saldo van de bankrekening van erflaatster van € 26.103,00 onder aftrek van het door [partij B] c.s. toegeëigende saldo van de onder het legaat vallende bankrekening van erflaatster bij de ING bank met rekeningnummer [bankrekening] ten bedrage van € 6.361,00, derhalve totaal € 416.818,50;
III.
bepaalt dat ter afwikkeling van de vermogensrechtelijke verhouding tussen (de boedel van) erflater en (de boedel van) erflaatster, erflater, althans [partij A] c.s. in hun hoedanigheid van erfgenamen, de navolgende vorderingen hebben op de nalatenschap van erflaatster, althans op [partij B] c.s. in hun hoedanigheid van erfgenamen:
a. de door [partij B] c.s. erkende vordering van erflater op de nalatenschap van erflaatster uit hoofde van artikel 14 lid 1 en 2 van de samenlevingsovereenkomst ten bedrage van € 79.411,50;
b. de vordering van erflater op de nalatenschap van erflaatster ten bedrage van € 49.008, uit hoofde van artikel 14 lid 3 van de samenlevingsovereenkomst vanwege de aflossing op de op de woning gevestigde hypothecaire geldlening met hypotheeknummer [hypotheeknummer 1] van de som van € 98.016,00 uit hoofde van de meeverbonden levensverzekering van erflater bij Reaal met polisnummer [polisnummer] ;
c. de vordering van erflater op de nalatenschap van erflaatster ten bedrage van € 32.436,92 (50% x € 64.873,84 na aftrek van de levensverzekering) uit hoofde van artikel 14 lid 3 van de samenlevingsovereenkomst vanwege aflossingen van de op de op de woning gevestigde hypothecaire geldlening met hypotheeknummer [hypotheeknummer 1] uit zijn privévermogen;
d. de vordering van erflater op de nalatenschap van erflaatster, op grond van de uitleg van de samenlevingsovereenkomst en de bedoeling van erflater en erflaatster dat voor zover met eigen middelen in de gezamenlijke woning is geïnvesteerd dit tot een vergoedingsvordering leidt voor de helft van de investering, ten bedrage van € 31.555,50 (50% x € 63.111) vanwege door erflater betaalde kosten van verbouwing en verfraaiing van de woning;
e. de door [partij B] c.s. erkende vordering van erflater op de nalatenschap van erflaatster vanwege door hem betaalde kosten van de uitvaart van erflaatster ten bedrage van € 9.468,85;
f. de vordering vanwege kosten en de onrechtmatige onttrekkingen door [partij B] c.s. van de tot het legaat behorende saldi van de bankrekeningen voor € 9.731,65;
IV.
voor recht verklaart dat erflaatster op grond van artikel 14 lid 3 van de samenlevings-overeenkomst draagplichtig is voor de restschuld per datum van haar overlijden van de op de woning gevestigde hypothecaire geldleningen met hypotheeknummers [hypotheeknummer 1] en [hypotheeknummer 2] althans 1.478.188.114 en 1.478.188.120 en dat uit hoofde daarvan € 35.403,23 in mindering komt op de vordering van [partij B] c.s. vanwege het legaat zoals onder I. gevorderd;
V.
bepaalt dat met een beroep op verrekening de schuld als bedoeld onder II kan worden verrekend met de vorderingen onder III en IV.
VI.
Dan wel een zodanige andere beslissing te geven, die de rechtbank zal vermenen te behoren.
4.2 [partij B] c.s. voeren verweer. [partij B] c.s. concluderen tot niet-ontvankelijkheid van [partij A] c.s., dan wel tot afwijzing van de vorderingen van [partij A] c.s., met uitvoerbaar bij voorraad te verklaren veroordeling van [partij A] c.s. in de kosten van deze procedure.
4.3 Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover nodig, nader ingegaan.
in reconventie
4.4 [partij B] c.s. vorderen dat de rechtbank, bij vonnis uitvoerbaar bij voorraad
1.
voor recht verklaart dat [partij B] c.s. ter zake de verdeling van de nalatenschap van erflaatster aanspraak hebben op 99,9% van het saldo van de activa en passiva als bedoeld bij randnummer 49 van de conclusie van eis in reconventie, vermeerderd met de wettelijke rente over € 209.870,53 vanaf 15 december 2025 althans vanaf 4 maart 2026 en over het restant van dat saldo vanaf de dag van de te geven beslissing;
2.
[partij A] c.s. te bevelen aan [partij B] c.s. te verstrekken, binnen veertien dagen na de te geven beslissing:
alle van belang zijnde stukken inzake de aflossing van de eerste, in 1988 afgesloten hypothecaire financiering van de woning, zodanig dat vast te stellen valt of de restschuld ter zake die financiering ter gelegenheid van de levering van de woning op 15 december 2025 is afgelost;
alle van belang zijnde stukken inzake de verkoop van de inboedelzaken, waaronder in ieder geval de lijst met verkochte zaken, met tevens de opbrengst per zaak, van “Oprechte Veiling Haarlem”, en/althans een andere verkoper/bemiddelaar ingeschakeld bij de verkoop van die zaken;
3.
althans, zodanige beslissing te geven als de rechtbank vermeent te behoren;.
4.5 [partij A] c.s. voeren verweer. [partij A] c.s. concluderen tot niet-ontvankelijkheid van [partij B] c.s., dan wel tot afwijzing van de vorderingen van [partij B] c.s., met uitvoerbaar bij voorraad te verklaren veroordeling van [partij B] c.s. in de kosten van deze procedure.
4.6 Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover nodig, nader ingegaan.
5 De beoordeling
in conventie en in reconventie
5.1 In verband met de samenhang van de vorderingen in conventie en in reconventie, behandelt de rechtbank die gezamenlijk. Daarbij zal de rechtbank allereerst beoordelen of erflater het legaat aanvaard heeft, vervolgens een oordeel geven over de samenstelling van de nalatenschap en daarna over de kosten voor rekening van de nalatenschap en de onttrekkingen. Ten slotte worden de nevenvorderingen (wettelijke rente en inzagevorderingen) en de proceskosten beoordeeld.
Erflater heeft de legaten aanvaard
5.2 [partij B] c.s. betwisten dat erflater het legaat onder 3.A. in het testament van erflaatster heeft aanvaard. Die stelling baseren zij op de aangifte erfbelasting die erflater als executeur van de nalatenschap van erflaatster heeft gedaan, en waarin hij bij een vraag of sprake was van het verkrijgen van een legaat ‘nee’ heeft aangekruist. Daarnaast heeft erflater [partij B] c.s. steeds verteld dat hij geen legaten wilde en dat hij vond dat aan [partij B] c.s. de helft van de (waarde van de) woning toekwam. [partij A] c.s. betwisten het standpunt van [partij B] c.s. en wijzen op de correspondentie tussen partijen en op de handgeschreven vermelding op de aangifte: ‘cf testament heeft [erflater] het gebruik (huis/vermogen). De kinderen krijgen een vordering op [erflater] ’.
5.3 De rechtbank is van oordeel dat erflater het legaat vermeld onder 3.A. in het testament heeft aanvaard, welk oordeel zij als volgt motiveert.
5.4 Op grond van artikel 4:201 lid 1 Burgerlijk Wetboek (BW) wordt een legaat verkregen zonder dat aanvaarding nodig is. Wel kan een legaat worden verworpen, maar dat moet dan op een ondubbelzinnige wijze plaatsvinden (artikel 4:201 lid 3 BW).
5.5 Uit de formulering van het legaat: ‘Ik legateer aan mijn partner alle goederen van mijn nalatenschap, (…)’ volgt dat het legaat al bij het testament is afgegeven. In lijn met de wettelijke regeling is een separate aanvaarding dan ook niet vereist. Echter, uit de correspondentie tussen [partij B] c.s., [partij A] c.s. en erflater over de afwikkeling van de nalatenschap, volgt dat erflater het legaat wél heeft aanvaard. Deze correspondentie biedt in ieder geval geen steun voor de stelling van [partij B] c.s. dat erflater steeds gezegd heeft geen legaten te willen hebben. Tegen deze achtergrond kan de verwerping ook niet worden afgeleid uit het zetten van een kruisje op een vragenformulier/aangifte erfbelasting, te meer nu de belastingaangifte niet bedoeld is als verklaring in de richting van de erfgenamen. In dit verband kent de rechtbank ook een groot gewicht toe aan de handgeschreven opmerking op de aangifte die juist naar de aanvaarding van het legaat verwijst.
5.6 Verder kan uit de omstandigheid dat partijen in een tussen hen gesloten depotovereenkomst (ook) geen melding hebben gemaakt van het legaat, geen andere conclusie worden afgeleid. De depotovereenkomst is opgesteld na het overlijden van erflater, zodat deze overeenkomst niet als een (eigen) wilsuiting van erflater kan worden beschouwd. Bovendien is de depotovereenkomst ook niet bedoeld om het legaat te aanvaarden respectievelijk te verwerpen.
5.7 Ook het legaat zoals opgenomen onder 3.B. van het testament, waarbij aan erflater het levenslange vruchtgebruik is gegeven van dat gedeelte van de nalatenschap waartoe hij niet als erfgenaam geroepen is (maar [partij B] c.s. geroepen zijn), is door erflater op dezelfde manier aanvaard. Op grond van het testament was erflater dus legataris, erfgenaam en executeur.
5.8 Dit betekent dat de vordering I. van [partij A] c.s. toegewezen kan worden.
De nalatenschap van erflaatster
5.9 Erflaatster heeft alle goederen van haar nalatenschap aan erflater gelegateerd, tegenover schuldigerkenning door erflater voor de waarde daarvan. Dit brengt met zich dat de waarde daarvan ten tijde van het overlijden van erflaatster moet worden vastgesteld.
5.10 Volgens [partij A] c.s. bestond de nalatenschap van erflaatster ten tijde van haar overlijden uit de volgende bezittingen en schulden:
Bezittingen:
a. het onverdeelde aandeel (1/2) in de woning tegen een waarde van (1/2 x € 865.000 =)
€ 432.500;
b. een banksaldo van € 26.103;
c. een auto van € 3,000; en
d. inboedelgoederen, waarde nihil.
Schulden:
e. de helft van de hypothecaire schuld (van € 70.806) van € 35.403,00;
f. de vordering van erflater van € 79.411,50; en
g. regresvordering van erflater van € 113.000,42.
5.11 Tussen partijen is geen geschil over de waarde van het banksaldo (b), de auto (c), de vordering van erflater (f). Over de overige bezittingen en schulden bestaat wel een geschil, welke geschilpunten hierna worden beoordeeld. In dat verband heeft [partij A] c.s. aangevoerd dat [partij B] c.s. hebben ingestemd met voormelde bedragen. Ter zitting hebben [partij B] c.s. echter toegelicht dat hun akkoordverklaring van 26 juni 2024 met verschillende door [partij A] c.s. genoemde bedragen moet worden gezien als een bod in de onderhandelingen tussen partijen om tot een minnelijke regeling te komen. Het is partijen niet gelukt tot een regeling te komen, zodat het bod niet meer geldt. De rechtbank gaat mee in het standpunt van [partij B] c.s. nu uit de correspondentie volgt dat genoemde bedragen genoemd zijn in het kader van het beproeven van een minnelijke regeling en niet gebleken is dat [partij B] c.s. hiermee onvoorwaardelijk en herroepelijk hebben ingestemd. [partij B] c.s. zijn in het kader van deze procedure dan ook niet gebonden aan deze instemming.
Bezittingen
(a) Aandeel in gezamenlijke woning
5.12 Partijen verschillen van mening over de waarde van de woning ten tijde van het overlijden van erflaatster op [datum 1] 2023. Voor de vaststelling daarvan hebben meerdere waardebepalingen plaatsgevonden. Ter onderbouwing van de waarde van de woning hebben [partij A] c.s. een beroep gedaan op de taxatie van [makelaar] . De rechtbank acht dit taxatierapport, in het licht van het door [partij A] c.s. gevoerde verweer, een onvoldoende onderbouwing van de waarde van de woning nu het taxatierapport van [naam] , dat mede in opdracht van [partij A] c.s. is uitgevoerd, een hogere waarde (€ 910.000) vermeldt.
5.13 De stelling van [partij B] c.s. dat de waarde van de woning € 1.060.000 bedraagt, het bedrag waarvoor de woning in 2025 is verkocht, is eveneens onvoldoende onderbouwd. Het taxatierapport van [naam] is in opdracht van zowel erflater als executeur in de nalatenschap van erflaatster als erfgenaam en [partij B] c.s. als erfgenamen verricht. [partij B] c.s. zijn daarmee in de gelegenheid geweest om voor die waardebepaling instructies mee te geven. [partij B] c.s. hebben ter zitting aangevoerd ook met deze taxatie niet akkoord te kunnen gaan. Zij hebben hun inhoudelijke bezwaren tegen die taxatie echter onvoldoende onderbouwd, en zij hebben niet duidelijk gemaakt waarom de rechtbank niet van die taxatie kan uitgaan.
5.14 Ook de stelling van [partij B] c.s. dat de WOZ-waarde van de woning na een bezwaar van erflater tussen 2022 en 2023 fors is verlaagd, zodat die WOZ-waarde (op 1 januari 2023 € 833.000) de waarde negatief beïnvloed heeft, is een onvoldoende onderbouwing. [naam] heeft bij de waardebepaling rekening gehouden met alle ten tijde van de taxatie bekende omstandigheden en die verdisconteerd in de waardebepaling. [partij B] c.s. hebben niet onderbouwd op welke onderdelen die taxatie tekortgeschoten is.
5.15 De rechtbank zal geen aftrek van € 10.000 toepassen voor de schilderwerkzaamheden die erflater na het overlijden van erflaatster in de zomer van 2024 heeft laten verrichten aan de woning, zoals door [partij A] c.s. bepleit. Ten tijde van de taxatie was bekend dat de schilderwerkzaamheden zijn uitgevoerd na het overlijden. Het rapport biedt geen enkel aanknopingspunt voor de stelling dat deze werkzaamheden niet zijn verdisconteerd in de waardebepaling. In ieder geval biedt het taxatierapport geen aanknopingspunt voor een aftrek van € 10.000.
5.16 De rechtbank zal dan ook de waardebepaling van [naam] ten grondslag leggen aan haar oordeel. Dit betekent dat van die waarde van € 910.000, de helft in de nalatenschap van erflaatster valt, dat wil zeggen een bedrag van € 455.000.
5.17 [partij B] c.s. hebben nog aanspraak gemaakt op een gebruiksvergoeding voor het gebruik van de woning door erflater. Verder hebben zij aangevoerd dat erflater de waarde van de woning te laat heeft ingebracht, en zij maken aanspraak op compensatie daarvoor. [partij A] c.s. hebben die vorderingen betwist.
5.18 De rechtbank oordeelt dat [partij B] c.s. geen gebruiksvergoeding toekomt en ook geen compensatie voor de gestelde te late inbreng. Zij overweegt dat aan erflater het levenslange vruchtgebruik van de woning gelegateerd was, zodat geen sprake kan zijn van verschuldigdheid van een gebruiksvergoeding. Verder stelt zij vast dat het legaat onder schuldigerkenning is verstrekt en niet tegen inbreng, zodat voor een compensatie wegens te late inbreng geen grond bestaat.
5.19 Voor zover het verweer van [partij B] c.s. ook gaat over de situatie na het overlijden van erflater, overweegt de rechtbank dat de discussie over de waarde van de woning tussen [partij A] c.s. en [partij B] c.s. toen, zonder resultaat, is voortgezet. De vertraging kan worden toegeschreven aan erflater en beide partijen. [partij A] c.s. hebben er uiteindelijk voor gekozen deze procedure aanhangig te maken. Het stond [partij B] c.s. vrij, voor zover zij de discussie te lang vonden duren, zelf (eerder) een procedure aanhangig te maken. Dat hebben zij echter niet gedaan. Ook over de periode na het overlijden van erflater zijn [partij A] c.s. geen compensatie verschuldigd.
(b) Banksaldo
5.20 Tussen partijen staat vast dat tot de nalatenschap van erflaatster behoort een bedrag van € 26.103 aan banksaldi. In geschil is welk bedrag [partij B] c.s. al hebben ontvangen. [partij A] c.s. stellen dat [partij B] c.s. zich van de bankrekeningen van erflaatster bij de ING bank een bedrag van € 6.361 toegeëigend hebben. [partij B] c.s. betwisten dat en hebben ter zitting gesteld dat zij van die bankrekeningen een bedrag van € 5.280 hebben ontvangen.
5.21 De rechtbank stelt aan de hand van de bankafschriften die [partij A] c.s. in het geding hebben gebracht dat de saldi van de bankrekening van erflaatster ten tijde van haar overlijden opgeteld € 6.361 bedroegen. [partij B] c.s. genoemde bankrekeningen hebben laten opheffen. Onweersproken is dat [partij B] c.s. na het overlijden van erflaatster de beschikking hebben gehad over de bankrekeningen en dat het resterende saldo naar hen is overgemaakt. Daaruit volgt dat [partij B] c.s. al een bedrag van € 6.361 uit de nalatenschap hebben ontvangen.
(c) Auto
5.22 Niet in geschil is dat de auto ten tijde van het overlijden van erflaatster een waarde van € 3.000 had. De auto is inmiddels in bezit van [partij B] c.s.
(d) Inboedelgoederen
5.23 Op grond van het legaat behoorden de inboedelgoederen tot het vermogen van erflater, tegenover schuldigerkenning van de waarde daarvan. Uit de correspondentie die erflater en/of [partij A] c.s. met [partij B] c.s. voerden over de nalatenschap van erflaatster maakt de rechtbank op dat de waarde van de inboedelgoederen voor het overlijden van erflater geen onderwerp van discussie was. Hoewel daar in deze procedure geen beroep op is gedaan, constateert de rechtbank dat bij de aangifte erfbelasting een bedrag van € 250 is genoemd als waarde van de inboedel. Voor de rechtbank is dat een aanwijzing dat de waarde van de inboedelgoederen ten tijde van het overlijden van erflaatster als laag werd ingeschat. De taxatie van de inboedel na het overlijden van erflater, ruim een jaar later, bevestigt dat. Daarmee is de stelling dat de inboedelgoederen ten tijde van het overlijden een waarde nihil hadden voldoende onderbouwd.
5.24 Naar aanleiding van recentelijk – na het overlijden van erflater – ter veiling aangeboden inboedelgoederen, hebben [partij B] c.s. de stelling ingenomen dat de waarde van de inboedel van erflaatster ten tijde van haar overlijden niet nihil was. De rechtbank gaat aan die stelling voorbij. Alle inboedelgoederen waren gelegateerd aan erflater. Na zijn overlijden maakten deze goederen deel uit van zijn nalatenschap. Op grond van het testament van erflater komen deze inboedelgoederen aan zijn erfgenamen toe. Zij (of in ieder geval de executeur) hebben inboedelgoederen ter veiling aangeboden en verkocht. Daartoe waren zij op grond van het testament van erflater bevoegd. De vordering van [partij B] c.s. op dit punt wordt afgewezen. Nu geen sprake is van een verdeling is de sanctie van artikel 3:194 lid 2 BW, waarop [partij B] c.s. een beroep doen, niet van toepassing.
Schulden van de nalatenschap
(e) en (g) Helft van de hypothecaire schuld en regresvordering van erflater
5.25 De rechtbank zal de hypotheekschuld (schuld e) en de regresvordering (schuld g) gezien hun samenhang in gezamenlijkheid behandelen.
5.26 [partij A] c.s. hebben de samenstelling van de hypothecaire financiering van de gezamenlijke woning in productie 50 nader uitgewerkt. Uit dit overzicht blijkt dat erflater en erflaatster in 1988 een hypothecaire geldlening van fl. 450.000 (€ 204.201,10) hebben afgesloten en in 1996 een tweede hypothecaire geldlening voor een bedrag van fl. 205.000 (€ 93.024,94).
5.27 Uit de gegevens van 2009 – gegevens van voor dat jaar konden volgens [partij A] c.s., niet meer worden verstrekt – blijkt dat op de hypothecaire geldlening uit 1988 een bedrag van fl. 85.000 was afgelost en de restschuld € 165.629,78 (fl. 365.000) bedroeg. De restschuld op de hypothecaire geldlening uit 1996 bedroeg toen € 68.067,03 (afgerond fl. 150.000). Op de hypothecaire geldlening was toen dus een bedrag van € 24.956,97 (fl. 55.000) door erflater afgelost. De aflossing op de hypothecaire geldlening uit 1996 is onderdeel van het bedrag van € 158.823 vermeld in artikel 14 lid 1 van de samenlevingsovereenkomst. Erflaatster heeft ten aanzien van de helft van dat bedrag
(€ 158.823 x ½ =) € 79.411,50 een schuld jegens erflater. Vordering III a. is dan ook toewijsbaar.
5.28 Na het sluiten van de samenlevingsovereenkomst is op de – aflossingsvrije –hypothecaire geldlening uit 1996 niets meer afgelost. Op de datum van overlijden van erflaatster bedroeg de restschuld daarop € 68.067,03. De restschuld op de – inmiddels lineaire – hypothecaire lening uit 1988 bedroeg op de datum van het overlijden van erflaatster
€ 2.739,97.
5.29 [partij B] c.s. vinden dat de aflossingen op de hypothecaire geldlening uit 1996 niet (voor de helft) ten laste van de nalatenschap van erflaatster kunnen worden gebracht, omdat die hypotheek niet ziet op een geldlening die is aangegaan ter financiering van de woning of van zaken aangeschaft voor de gemeenschappelijke huishouding, zoals artikel 4 lid 3 van de samenlevingsovereenkomst vereist. Volgens [partij B] c.s. moet artikel 14 lid 1 van de samenlevingsovereenkomst zo worden uitgelegd dat de woning was gefinancierd met een door erflater uit eigen middelen opgebracht bedrag van € 158.823 én met één hypothecaire financiering, te weten de hypothecaire geldlening uit 1988. De regresvordering kan alleen betrekking hebben op de (de helft van) de aflossingen op de hypothecaire geldlening uit 1988. Volgens hen was de hypothecaire geldlening uit 1996 niet bestemd ter financiering van de gezamenlijke woning of van zaken aangeschaft voor de gemeenschappelijke huishouding.
5.30 [partij A] c.s. hebben zich op het standpunt gesteld dat de aflossingen op de hypothecaire geldlening uit 1996 wel ten laste van de nalatenschap van erflaatster kunnen worden gebracht. Zij beroepen zich op het feit dat een deel van de aflossingen op de hypothecaire geldlening uit 1996 is opgenomen in het bedrag waarvan erflater en erflaatster bij samenlevingsovereenkomst hebben afgesproken dat die voor gezamenlijke rekening kwamen. Bovendien werd de hypothecaire geldlening uit 1996 ook gebruikt voor de gezamenlijke woning, namelijk voor de aanleg van de tuin. [partij B] c.s. hebben dat laatste uitdrukkelijk betwist.
5.31 De rechtbank overweegt dat de aflossing op de hypothecaire geldlening uit 1996 onderdeel is van het bedrag vermeld in artikel 14 lid 1 van de samenlevingsovereenkomst. Hieruit volgt dat erflaatster met het sluiten van de samenlevingsovereenkomst erkend heeft dat erflater een vordering jegens haar heeft ten aanzien van de helft van de aflossing op de hypothecaire geldlening uit 1996. De samenlevingsovereenkomst is vastgelegd in een authentieke akte en daarmee levert de inhoud van de samenlevingsovereenkomst dwingend bewijs op, ook jegens de partijen in deze procedure (zie artikel 157 Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (Rv)).
5.32 Voor de vraag of erflaatster ook voor de rest van de hypothecaire geldlening uit 1996 een schuld jegens erflater heeft, moet de samenlevingsovereenkomst worden uitgelegd. De vraag hoe in een overeenkomst de verhouding van partijen is geregeld, en of die een leemte laat die moet worden aangevuld, kan niet worden beantwoord op grond van alleen maar een taalkundige uitleg van de bepalingen van de schriftelijke vastlegging van die overeenkomst. Voor de beantwoording van die vraag komt het immers aan op de zin die partijen in de gegeven omstandigheden over en weer redelijkerwijs aan deze bepalingen mochten toekennen en op hetgeen zij te dien aanzien redelijkerwijs van elkaar mochten verwachten.
5.33 Op grond van artikel 4 lid 3 van de samenlevingsovereenkomst behoren de aflossingen van geldleningen die zijn aangegaan ter financiering van (cursief: rechtbank) de door partijen gezamenlijk te bewonen woning en van zaken aangeschaft voor de gemeenschappelijke huishouding niet tot de gemeenschappelijke huishouding (waarvan de kosten werden gedragen door erflater: rechtbank). Op grond van artikel 14 lid 3 van de samenlevingsovereenkomst heeft de partij uit wiens vermogen deze aflossing is gedaan een vordering op de ander ter grootte van de helft van het nominale bedrag aan betalingen.
5.34 De rechtbank stelt vast dat de hypothecaire geldlening uit 1996 niet aangewend is voor de aankoop van de gezamenlijke woning, nu die lening van een latere datum is dan de aankoop van de woning. [partij A] c.s. moeten voldoende stellen – en zo nodig bewijzen – dat de rest van de hypothecaire geldlening uit 1996 gebruikt is voor de financiering van de woning. Dat de hypothecaire gelding uit 1996 gebruikt is voor de tuin, zoals [partij A] c.s. voor het eerst tijdens de zitting hebben betoogd, is door hen in het geheel niet met stukken onderbouwd. De leningsovereenkomst die ten grondslag ligt aan de hypothecaire geldlening uit 1996 is niet in de procedure ingebracht en ook is geen documentatie ten aanzien van de aanleg van de tuin geproduceerd. [partij A] c.s. zijn er dus niet in geslaagd hun stelling dat erflaatster voor het restant van de hypothecaire geldlening uit 1996 ter hoogte van € 68.067,03 een schuld bij erflater heeft te onderbouwen.
5.35 Wel vormen de aflossingen van de hypothecaire lening uit 1988, op grond van de samenlevingsovereenkomst voor de helft een schuld van de nalatenschap van erflaatster. [partij B] c.s. hebben niet betwist dat erflater in de periode 1988 tot 2024 € 162.889,84 heeft afgelost op deze hypotheek. Ook hebben zij de restschuld op de hypothecaire lening uit 1988 ten tijde van het overlijden van erflaatster van € 2.739,97 niet betwist. Dit betekent dat van het totaalbedrag van € 165.629,81, een bedrag van € 82.814,91 moet worden aangemerkt als schuld van de nalatenschap van erflaatster. Dit bedrag bestaat uit het onder vordering III.b. genoemde bedrag van € 49.008, plus het onder III.c. genoemde bedrag van € 32.436,92, vermeerderd met de helft van de restschuld op de hypothecaire lening uit 1988, een bedrag van € 1.369,99. Dat laatste bedrag maakt deel uit van de vordering van [partij A] c.s. onder IV, die slechts voor de restschuld van de hypothecaire lening uit 1988 kan worden toegewezen.
5.36 De rechtbank heeft de vorderingen van [partij A] c.s. onder III.a., III.b. en III.c. begrepen als een verzoek aan de rechtbank om het gevraagde voor recht te verklaren. De rechtbank wijst die vorderingen toe. Vordering IV zal de rechtbank voor het mindere toewijzen.
(f) Vordering van erflater initiële investering woning
5.37 De verschuldigdheid van de vordering tot vergoeding van de helft van de initiële investering van erflater in de woning (€ 158.823 x 1/2=) € 79.411,50 wordt erkend en is toewijsbaar.
Investeringen in de woning door erflater (€ 31.555,50)
5.38 [partij A] c.s. hebben zich verder op het standpunt gesteld dat uit de samenlevingsovereenkomst volgt dat erflater voor zijn investeringen in de serre aan de woning in 2013 (€ 11.167), de keuken in 2018 (€ 20.593), zonnepanelen in 2018 (€ 5.758), de alarminstallatie in 2021 (€ 850), de dakrenovatie in 2022 (€ 14.962), de plaatsing van een traplift in 2023 (€ 9.331) en de aanpassingen van de badkamer in september 2023 (€ 450), in totaal een bedrag van € 63.111, op grond van artikel 3:172 BW een regresvordering op de nalatenschap van erflaatster had. Zij vinden dat de helft van het totaalbedrag van € 63.111 (€ 31.555,50) in mindering op de nalatenschap van erflaatster moet komen. Subsidiair beroepen zij zich op ongerechtvaardigde verrijking (artikel 6:212 BW).
5.39 [partij B] c.s. hebben aangevoerd dat dit soort vergoedingsvorderingen op grond van de samenlevingsovereenkomst zijn uitgesloten, en dat partijen iets anders zijn overeengekomen dan in artikel 3:172 BW is bepaald. Verder menen zij dat het gaat om gewone en buitengewone lasten en herstellingen, betwisten zij de hoogte van die kosten en dat erflater die kosten allemaal heeft gedragen en beroepen zij zich op verjaring van de vorderingen.
5.40 Voor zover het gaat over gewone lasten en herstellingen en buitengewone herstellingen, bepaalt artikel 4 lid 3 van de samenlevingsovereenkomst, dat die voor rekening van erflater komen. Naar het oordeel van de rechtbank is in het geval van de keuken in 2018, de alarminstallatie in 2021, de dakrenovatie uit 2022, de plaatsing van een traplift in augustus 2023 en de aanpassingen van de badkamer in september 2023, sprake van buitengewone herstellingen. [partij B] c.s. hebben terecht opgemerkt dat de keuken en het dak, gelet op het bouwjaar van de woning, aan renovatie toe moeten zijn geweest. Dat zijn buitengewone herstellen. Het installeren van een alarminstallatie en de plaatsing van een traplift en aanpassingen aan de badkamer betreffen aanpassingen van de woning aan de eisen van de tijd en/of aan de behoeften van de bewoners. Die kosten kunnen, naar het oordeel van de rechtbank, in dit geval, niet worden gezien als investeringen in de woning, waardoor die woning, en het aandeel daarin van erflaatster, meer waard wordt. Ook hier gaat het om (buitengewone) herstellingen die voor rekening van erflater komen.
5.41 In het algemeen geldt dat de plaatsing van de serre en van de zonnepanelen wel leiden tot een waardevermeerdering van de woning. [partij B] c.s. hebben niets aangevoerd waaruit het tegendeel blijkt. Erflaatster heeft ook van deze waardestijging geprofiteerd.
5.42 Voor de investeringen die erflater voorafgaand aan het sluiten van de samenlevingsovereenkomst uit zijn eigen vermogen in de gezamenlijke woning heeft gedaan, hebben erflaatster en erflater in de samenlevingsovereenkomst een regeling getroffen. Ook voor de daarna door erflater te betalen aflossingen op de hypothecaire geldlening uit 1988 hadden zij een soortgelijke regeling getroffen. In beide gevallen had erflater een vordering op erflaatster. Gelet hierop en met het oog op de eisen van de redelijkheid en billijkheid van artikel 6:2 lid 1 BW, vloeit uit de rechtsverhouding tussen erflaatster en erflater voort dat investeringen uit het eigen vermogen die leiden tot een bijdrage aan de waarde van de gezamenlijke woning, en daarmee aan het vermogen van elk van hen, een vordering opleveren ten opzichte van de andere partner.
5.43 Er is geen rechtvaardiging voor een verschillende behandeling van de wijzen waarop een waardevermeerdering tot stand komt. Daarom zal geen onderscheid gemaakt worden tussen een waardestijging die het gevolg is van een aflossing op een hypothecaire schuld en een waardestijging die voortvloeit uit een investering. De helft van investeringen van erflater in de serre en in de zonnepanelen komen in beginsel voor vergoeding in aanmerking.
5.44 [partij B] c.s. hebben in algemene zin de hoogte van de investeringen betwist en erop gewezen dat ook erflaatster investeringen in de woning, zoals in de serre, heeft gedaan. Over de investering in de serre hebben zij verder opgemerkt dat wordt gesteld dat de serre in 2013 is gebouwd, maar de betalingen uit 2013, 2014 en 2015 zijn, niet te zien is waarvoor is betaald, en geen factuur is overgelegd.
5.45 Het verweer van [partij B] c.s. ten aanzien van de investeringen in de serre zijn naar het oordeel van de rechtbank terecht. Zij kan aan de hand van de overgelegde bankafschriften niet vaststellen waarvoor de bedragen zijn betaald. Daar komt bij dat de betalingen dateren van 24 december 2013, 24 april 2014 en 16 oktober 2015, en het niet voor de hand lijkt te liggen dat die betalingen allemaal zien op een serre die in 2013 is gebouwd. De rechtbank wijst de vordering op dit onderdeel af als onvoldoende onderbouwd.
5.46 Ter onderbouwing van hun vordering tot vergoeding van de investering voor de zonnepanelen hebben [partij A] c.s. de factuur, de overschrijving en de beschikking waarbij een belastingteruggave is bevestigd, overgelegd. Daarmee is de vordering op dit onderdeel voldoende onderbouwd. Deze investering is gedaan in december 2018 en [partij B] c.s. beroepen zich op verjaring van deze vordering. Zij wijzen daarbij op artikel 14 lid 2 sub b. van de samenlevingsovereenkomst, en stellen dat deze vordering direct nadat de investering is gedaan opeisbaar was, en, gelet op de verjaringstermijn van vijf jaar, is verjaard.
5.47 [partij A] c.s. hebben onder verwijzing naar de conclusies van A-G Assink, ECLI:NL:PHR:2026:654 en A-G Hartlief, ECLI:PHR:2024:139, een beroep gedaan op verrekening en op artikel 3:307 lid 2 BW. Zij hebben zich op het standpunt gesteld dat de vordering pas opeisbaar werd de dag na het overlijden van erflaatster.
5.48 Naar het oordeel van de rechtbank is op dit onderdeel sprake van een verbintenis tot nakoming na onbepaalde tijd in de zin van artikel 3:307 lid 2 BW, waardoor de verjaringstermijn van vijf jaar pas gaat lopen als tot opeising is overgegaan. Bij artikel 3:307 lid 2 BW heeft de wetgever onder meer gedacht aan overeenkomsten tussen samenlevenden die zich verplichten bij te dragen in de kosten van aankoop van een gemeenschappelijke woning, terwijl gedurende de samenleving geen reden wordt gezien de bijdrage daadwerkelijk te betalen of in te vorderen (Parl. Gesch. Inv. 3, 5 en 6 Boek 3 1990, p. 1411). Daarvan is in het geval van erflaatster en erflater sprake. Gelet op het verschil in inkomens van beide partners, en de afspraken die zij in verband daarmee maakten, was het praktisch en relationeel ondenkbaar dat de vorderingen van erflater gedurende de samenleving zouden worden opgeëist. Nog daargelaten dat opeising daarvan gedurende de samenleving, de affectieve relatie tussen hen onnodig onder druk zou kunnen zetten. Dat de partners dit ook hebben bedoeld, én op die wijze invulling gegeven hebben aan hun samenlevingsovereenkomst, kan worden afgeleid uit de omstandigheid dat erflater gedurende de relatie nooit de initiële investering in de woning van € 158.823 heeft opgeëist, terwijl hij daartoe op basis van de samenlevingsovereenkomst gerechtigd was.
5.49 [partij A] c.s./erflater hebben voor het eerst in maart respectievelijk mei 2024 aanspraak gemaakt op een vergoeding van de investering. Vanaf dat moment is de verjaringstermijn van vijf jaar gaan lopen. De vordering is ruimschoots binnen de verjaringstermijn ingesteld zodat de vordering van erflater/ [partij A] c.s. niet is verjaard. Op de nalatenschap van erflaatster dient daarom een schuld van (€ 5.758 x ½ =) € 2.879 in mindering te worden gebracht. Vordering III. d. is voor dat bedrag toewijsbaar.
Kosten nalatenschap en onttrekkingen
5.50 [partij A] c.s. stellen dat er door [partij B] c.s. voor en na het overlijden van erflaatster onttrekkingen hebben plaatsgevonden van de bankrekening(e)n van erflaatster en van de bankrekening van erflater. Daarnaast heeft erflater kosten voor zijn rekening genomen die ten laste van de nalatenschap van erflaatster moeten komen. Uit het door [partij A] c.s. bij productie 37 overgelegd overzicht blijkt dat het gaat om:
Boedelkosten erflaatster
1. de auto over de periode 30-10-23/16-12-24 € 1.921,11
2. telefoon erflaatster over nov2023-dec2024 € 200,00
3. taxatie 1 ( [makelaar] ) € 899,00
4. taxatie 3 ( [naam] ) € 799,00
5. notariskosten (verklaring erfrecht) € 867,23
6. pin/betaalautomaat erflaatster na 30-10-2023 € 1.093,95
7. pin/betaalautomaat erflater (met de pas van erflaatster)
a. 27/09/23 – 30/10/23, voor haar overlijden € 3.506,00
b. 31/10/23 – 13/11/23 € 797,16
8. notariskosten in 2024 (akte voorbereiden) € 381,15 (€ 762,30 x 1/2)
Totaal € 10.464,60
Schuld van [partij B] c.s. aan [partij A] c.s.
9. pin van rekening erflater € 500,00
10. katten naar asiel € 0,00
11. taxatie inboedel € 61,00 (€ 123 x 1/2)
Totaal € 561,00
5.51 Daarnaast heeft erflater de uitvaartkosten (€ 9.468,85) van erflaatster betaald. Deze kosten komen voor rekening van de nalatenschap van erflaatster. De verschuldigdheid van dat bedrag wordt door [partij B] c.s. erkend.
Posten 1 en 2 (auto en telefoon)
5.52 [partij B] c.s. hebben de kosten voor het gebruik van de auto en de telefoon niet betwist. Deze zijn toewijsbaar.
Posten 3 en 4 (taxatiekosten)
5.53 De taxatiekosten van [naam] (post 4) is niet betwist zodat die zal worden toegewezen als een schuld van de nalatenschap. De taxatiekosten [makelaar] (post 3) moeten voor rekening van erflater blijven, omdat [partij B] c.s. hadden aangegeven geen vertrouwen in deze taxateur te hebben en erflater desalniettemin tot het inschakelen van deze taxateur is overgegaan. De inboedel van erflaatster is na haar overlijden niet separaat getaxeerd. De kosten van de taxatie van de inboedel na het overlijden van erflater (post 11), komt voor rekening van [partij A] c.s., als erfgenamen daarvan.
Posten 5 en 8 (notariskosten)
5.54 De notariskosten voor het afgeven van de verklaring van erfrecht met betrekking tot de nalatenschap van erflaatster (post 5) is een schuld van de nalatenschap. De notariskosten voor het voorbereiden van de akte waarbij de woning op naam van erflater zou worden gezet en de waarde van de woning zou worden vastgelegd (post 8), moeten door partijen worden gedeeld.
5.55 Dit betekent dat een bedrag van (€ 1.921,11 + € 200 + € 799 + 867,23 + € 381,15 =) € 4.168,49 aan kosten ten laste komt van de nalatenschap van erflaatster.
Posten 6, 7 en 9 (pinopnames en overboekingen)
5.56 De rechtbank overweegt dat [partij B] c.s. niet hebben betwist dat zij opnames hebben gedaan van de bankrekeningen van erflater en erflaatster. Ook de hoogte van het totaal van die opnames hebben zij niet betwist, maar zij stellen dat die opnames steeds ten goede zijn gekomen van hetzij erflaatster, hetzij erflater. Zij hebben in de laatste fase van het leven van zowel erflaatster als erflater mantelzorg gegeven en zijn daarvoor vrijwel steeds van ’s ochtends vroeg tot ’s avonds laat bij hen geweest. De pinopnames hingen daarmee samen. Zo hebben zij boodschappen voor hen gedaan en betaald, nachtkleding aangeschaft, parkeergeld betaald (in de buurt van het ziekenhuis) en in een restaurant gegeten als het te laat of te moeilijk werd om nog zelf te koken. Voor zover na het overlijden van erflaatster van de rekening van erflaatster is gepind, ging dat om vergoeding van voorgeschoten kosten ten behoeve van erflaatster, aldus [partij B] c.s..
5.57 De rechtbank overweegt dat het op de weg van [partij B] c.s. ligt te stellen dat de opnames vanaf de bankrekening van erflater (met de pinpas van erflaatster) ten behoeve van en met instemming van erflaatster en/of erflater heeft plaatsgevonden. Hierin zijn zij niet geslaagd. Ten aanzien van de opnames in de periode waarin erflaatster opgenomen was in het ziekenhuis (25 september 2023 – [datum 1] 2023) (posten 6 en 7a) gaat het om een zeer groot aantal diverse uitgaven. Deze uitgaven zijn niet zonder meer, en zonder toelichting te koppelen aan de bestemming waarop [partij B] c.s. zich in algemene zin hebben beroepen. Het is niet aan de rechtbank om naar eigen inzicht, en zonder dat daarvoor gespecificeerde stellingen zijn ingenomen door [partij B] c.s., te bepalen welke uitgaven wel en welke uitgaven niet binnen de gestelde bestemming vallen. [partij B] hebben hun stellingen derhalve onvoldoende gespecificeerd, zodat niet in rechte is komen vast te staan dat alle uitgaven ten tijde van de ziekenhuisopname ten behoeve van en met instemming van erflaatster en/of erflater hebben plaatsgevonden.
5.58 Ook als het gaat om de opnames en betalingen die na het overlijden van erflaatster zijn gedaan (post 7b), kan de rechtbank aan de hand van de overgelegde afschriften niet vaststellen of dit een terugbetaling van een voorgeschoten bedrag betreft. Het betreft een aantal opnames van relatief grote bedragen en betalingen aan een supermarkt, een tuincentrum en een eethuis. Dat het gaat om voorgeschoten kosten ten behoeve van erflaatster acht de rechtbank zonder een gespecificeerde onderbouwing niet aannemelijk.
5.59 Hetzelfde geldt voor de opname van € 500 (post 9) van de rekening van erflater. Ter zitting hebben [partij B] c.s. toegelicht dat erflater had gezegd een bedrag van € 500 te pinnen, omdat hij dat geld niet meer in huis had. Dat wordt betwist en is door [partij B] c.s. onvoldoende onderbouwd.
5.60 Uit het voorgaande volgt dat voormelde betalingen en opnames onverschuldigd zijn gedaan en door [partij B] c.s. aan (de nalatenschap van) erflater moeten worden vergoed. De nalatenschap van erflater heeft dan ook een vordering op [partij B] c.s. van (€ 1.093,95 + € 3.506 + € 797,16 + € 500 =) € 5.897,11 welke vordering mag worden verrekend met de aanspraak van [partij B] c.s. op de nalatenschap.
Opname saldi en auto
5.61 Verder staat vast dat [partij B] c.s. reeds een bedrag van € 6.361 van de inmiddels opgeheven ING bankrekening op naam van erflaatster hebben opgenomen en de auto ter waarde van € 3.000 in bezit hebben. Dat betekent dat in totaal een bedrag van (€ 6.361 + € 3.000=) € 9.361 in mindering moet strekken op het uit te keren bedrag.
Conclusie
5.62 De nalatenschap van erflaatster bestaat uit:
Bezittingen:
Het onverdeelde aandeel (1/2) in de woning € 455.000,00
Een banksaldo € 26.103,00
Een auto € 3.000,00
Schulden voor overlijden
Hypothecaire restschuld en aflossingen € 82.814,91
De vordering van erflater € 79.411,50
Investeringen in de woning van erflater van € 2.879,00
Kosten na overlijden
De uitvaartkosten € 9.468,85
Overige kosten nalatenschap € 4.168,49
Resteert voor verdeling € 305.360,25
Het aandeel van [partij B] c.s. (99,9%) € 305.054,89
Vordering uit onttrekkingen € 5.897,11
Reeds opgenomen saldi en auto € 9.361,00
Aan [partij B] c.s. komt toe een bedrag van € 289.796,78
5.63 De vorderingen van [partij A] c.s. onder I, II, III.d., en IV worden, voor het mindere, toegewezen. De vorderingen onder III.a., III.b., III.c., III.e., III.f. en V worden toegewezen. Nu de rechtbank hiermee geoordeeld heeft over de omvang van de nalatenschap is ook gelijk in reconventie een uitspraak gedaan over de omvang van de nalatenschap, zodat vordering 1 in reconventie op dit onderdeel wordt toegewezen.
Wettelijke rente en vorderingen tot inzage
5.64 [partij B] c.s. hebben wettelijke rente gevorderd over het deel van de verkoopopbrengst van de woning dat hen toekomt en dat thans bij de notaris in depot staat. De verplichting tot een vergoeding van wettelijke rente treedt pas in als [partij A] c.s. in verzuim zijn in het nakomen van verplichtingen onder de depotovereenkomst. Dat is het geval indien tussen partijen overeenstemming bestaat over het (minimaal) uit te keren bedrag. Bij conclusie van antwoord in reconventie hebben [partij A] c.s. erkend dat – in ieder geval – een bedrag van € 209.870,53 moet worden betaald. Door geen medewerking te verlenen aan het vrijgeven van dit bedrag zijn zij tekortgeschoten onder de depotovereenkomst en daarvan in verzuim. Vanaf de datum van de conclusie van antwoord in reconventie (17 juni 2026) zijn [partij A] c.s. rente verschuldigd.
5.65 Verder hebben [partij B] c.s. een tweetal vorderingen tot inzage ingesteld. Deze vorderingen worden afgewezen nu [partij B] c.s. gezien het oordeel van de rechtbank over de samenstelling van het hypotheekschuld ten tijde van het sluiten van de samenlevingsovereenkomst en het oordeel over de inboedelgoederen, de gevorderde informatie niet tot een ander oordeel kan leiden, en zij om die reden geen belang hebben bij deze vorderingen.
Proceskosten
5.66 Gelet op de relatie tussen partijen zullen de proceskosten tussen hen worden gecompenseerd, in die zin dat iedere partij de eigen kosten draagt.
6 De beslissing
De rechtbank
in conventie en reconventie
6.1 verklaart voor recht dat krachtens het aanvaarde legaat door erflater, alle goederen ten tijde van haar overlijden behorend tot de nalatenschap van erflaatster zijn gaan toebehoren aan erflater, onder gehoudenheid tot schuldigerkenning aan de nalatenschap van erflaatster, de waarde van deze goederen,
6.2 verklaart voor recht dat [partij A] c.s., uit hoofde van het legaat aan de nalatenschap van erflaatster gehouden zijn te voldoen, de waarde van het aandeel van erflaatster in de woning per datum van haar overlijden, minus haar aandeel in de restschuld van de hypothecaire geldlening, alsmede een bedrag gelijk aan het saldo van de bankrekening van erflaatster onder aftrek van het door [partij B] c.s. toegeëigende saldo van de onder het legaat vallende bankrekening van erflaatster bij de ING bank met rekeningnummer [bankrekening] ;
6.3 verklaart voor recht dat ter afwikkeling van de vermogensrechtelijke verhouding tussen (de boedel van) erflater en (de boedel van) erflaatster, [partij A] c.s. in hun hoedanigheid van erfgenamen, de navolgende vorderingen hebben op de nalatenschap van erflaatster, of op [partij B] c.s. in hun hoedanigheid van erfgenamen:
a. de door [partij B] c.s. erkende vordering van erflater op de nalatenschap van erflaatster uit hoofde van artikel 14 lid 1 en 2 van de samenlevingsovereenkomst ten bedrage van € 79.411,50;
b. de vordering van erflater op de nalatenschap van erflaatster ten bedrage van € 49.008, uit hoofde van artikel 14 lid 3 van de samenlevingsovereenkomst vanwege de aflossing op de op de woning gevestigde hypothecaire geldlening met hypotheeknummer [hypotheeknummer 1] van de som van € 98.016,00 uit hoofde van de meeverbonden levensverzekering van erflater bij Reaal met polisnummer [polisnummer] ;
c. de vordering van erflater op de nalatenschap van erflaatster ten bedrage van € 32.436,92 (€ 64.873,84 x ½ na aftrek van de levensverzekering) uit hoofde van artikel 14 lid 3 van de samenlevingsovereenkomst vanwege aflossingen van de op de op de woning gevestigde hypothecaire geldlening met hypotheeknummer [hypotheeknummer 1] uit zijn privévermogen;
d. de vordering van erflater op de nalatenschap van erflaatster, op grond van de uitleg van de samenlevingsovereenkomst en de bedoeling van erflater en erflaatster dat voor zover met eigen middelen in de gezamenlijke woning is geïnvesteerd dit tot een vergoedingsvordering leidt voor de helft van de investering, ten bedrage van € 2.879 vanwege door erflater betaalde kosten van verbouwing en verfraaiing van de woning;
e. de door [partij B] c.s. erkende vordering van erflater op de nalatenschap van erflaatster vanwege door hem betaalde kosten van de uitvaart van erflaatster ten bedrage van € 9.468,85;
f. de vordering vanwege kosten en de onrechtmatige onttrekkingen door [partij B] c.s. van de tot het legaat behorende saldi van de bankrekeningen voor € 6.361;
6.4 verklaart voor recht dat erflaatster op grond van artikel 14 lid 3 van de samenlevingsovereenkomst draagplichtig is voor de restschuld per datum van haar overlijden van de op de woning gevestigde hypothecaire geldlening uit 1988 en dat uit hoofde daarvan € 1.369,99 in mindering komt op de vordering van [partij B] c.s. vanwege het legaat van erflater;
6.5 verklaart voor recht dat met een beroep op verrekening de schuld als bedoeld onder 6.2 kan worden verrekend met de vorderingen onder 6.3 en 6.4,
6.6 veroordeelt [partij A] c.s. tot een vergoeding van de wettelijke rente over een bedrag van € 209.870,53, vanaf 17 juni 2026 tot aan de dag der algehele voldoening;
6.7 wijst het meer of anders gevorderde af,
6.8 compenseert de kosten van de procedure tussen partijen, in die zin dat iedere partij de eigen kosten draagt,
6.9 verklaart dit vonnis wat betreft de onder 6.6 en 6.8 genoemde beslissing uitvoerbaar bij voorraad.
Dit vonnis is gewezen door mr. R.C. Hartendorp en in het openbaar uitgesproken op 30 september 2026.
3280