Rb. Den Haag 29 september 2026, ECLI:NL:RBDHA:2026:29746

Beroepen tegen het besluit om een voetbalkooi te verwijderen en een kunstgras trapveldje vooralsnog te behouden; last onder bestuursdwang; één beroep niet-ontvankelijk, omdat deze eisers niet als belanghebbenden kunnen worden aangemerkt, nu zij niet worden geraakt in een aan een zakelijk recht of fundamenteel recht ontleend zelfstandig belang; andere beroep ongegrond omdat geen grondslag bestond om handhavend op te treden tegen het trapveldje; evenwichtige toedeling van functies aan locaties; artikelen 3.29 en 3.30 van de Vfl; artikel 2:47, eerste lid, onder d, van de APV

De uitspraak op rechtspraak.nl

Tekst

RECHTBANK DEN HAAG
Bestuursrecht
zaaknummers: SGR 25/3015 en 25/3022
uitspraak van de enkelvoudige kamer van 29 september 2026 in de zaken tussen
[naam 1] , [naam 2] , [naam 3] , [naam 4] , [naam 5] , [naam 6] , [naam 7] , [naam 8] , [naam 9] , [naam 10] , [naam 11] , [naam 12] , [naam 13] , [naam 14] , [naam 15] , [naam 16] , [naam 17] , [naam 18] , en [naam 19] allen uit [plaats] , eisers I (SGR 25/3015)
[naam 20] , [naam 21] , [naam 22] en [naam 23], allen uit [plaats] , eisers II (SGR 25/3022)
(gemachtigde: mr. M.C. van Meppelen Scheppink),
en
het college van burgemeester en wethouders van [plaats] , het college
(gemachtigde: mr. S. Matters).
Als derde-partijen nemen aan de zaak SGR 25/3015 deel:
[naam 20] , [naam 21] , [naam 22] en [naam 23] en [naam 24] en [naam 25], allen uit [plaats] .
Als derde-partijen nemen aan de zaak SGR 25/3022 deel: [naam 1] , [naam 2] , [naam 3] , [naam 4] , [naam 5] , [naam 6] , [naam 7] , [naam 8] , [naam 9] , [naam 10] , [naam 11] , [naam 12] , [naam 13] , [naam 14] , [naam 15] , [naam 16] , [naam 17] , [naam 18] , en [naam 19] allen uit [plaats] .

Samenvatting

1 Deze uitspraak gaat over de beroepen van eisers I en eisers II tegen het besluit van het college om het hekwerk en de doelen van de voetbalkooi aan de [straatnaam 1] in [plaats] te verwijderen en het kunstgras trapveldje op deze locatie vooralsnog te behouden. Eisers I en eisers II zijn het om verschillende redenen niet eens met dit besluit. Zij voeren daartoe een aantal beroepsgronden aan. Aan de hand van deze beroepsgronden beoordeelt de rechtbank het besluit van het college.

1.1 De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat het college mocht besluiten om het hekwerk en de doelen van de voetbalkooi te verwijderen en het kunstgras trapveldje vooralsnog te behouden. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.

Procesverloop

2 Op 3 juli 2024 hebben eisers II, samen met [naam 24] en [naam 25] , het college verzocht om handhavend op te treden tegen de voetbalkooi en het kunstgras trapveldje aan de [straatnaam 1] in [plaats] door het trapveldje en de voetbalkooi af te sluiten, zodat daar geen gebruik meer van kan worden gemaakt.

2.1 Met het besluit van 2 september 2024 (het primaire besluit) heeft het college dit handhavingsverzoek afgewezen.

2.2 Met het besluit van 19 maart 2025 (het bestreden besluit) op het bezwaar van eisers II heeft het college het primaire besluit herroepen en besloten om het hekwerk en de doelen van de voetbalkooi te verwijderen en het kunstgras trapveldje vooralsnog te behouden.

2.3 Eisers I en eisers II hebben beroep ingesteld tegen het bestreden besluit.

2.4 Het college heeft een verweerschrift ingediend. Eisers I en eisers II hebben nadere stukken overgelegd.

2.5 De rechtbank heeft de beroepen op 6 juli 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: [naam 1] en [naam 7] namens eisers I, de gemachtigde van eisers II, vergezeld door [naam 20] , [naam 22] , [naam 21] , de gemachtigde van het college, vergezeld door [naam 26] en [naam 27] en derde-partijen [naam 24] en [naam 25] .

Beoordeling door de rechtbank

Totstandkoming van het bestreden besluit

3 De gemeente Oegstgeest heeft in 2020 een kunstgras trapveldje en een voetbalkooi gerealiseerd tussen de woningen met de [huisnummers] aan de [straatnaam 1] in [plaats] . Eisers II wonen aan de parallel gelegen [straatnaam 2] in [plaats] . Zij ervaren geluidshinder van de activiteiten op het trapveldje en de voetbalkooi en hebben daarom in 2023 een geluidsonderzoek laten uitvoeren door de Nederlandse Stichting Geluidshinder (NSG). Hieruit is gebleken dat de geluidsnormen ter plaatse worden overschreden. Naar aanleiding hiervan hebben eisers II het college op 3 juli 2024 verzocht om handhavend op te treden door het trapveldje en de voetbalkooi af te sluiten, zodat daar geen gebruik meer van kan worden gemaakt.

3.1 Met het primaire besluit heeft het college het handhavingsverzoek in eerste instantie afgewezen. Met het bestreden besluit heeft het college het primaire besluit herroepen en besloten om het hekwerk en de doelen van de voetbalkooi te verwijderen en het kunstgras trapveldje vooralsnog te behouden.

3.2 Eisers I zijn omwonenden van het trapveldje en de voetbalkooi en veelal ouders van kinderen die gebruik maken van het trapveldje en de voetbalkooi. Zij zijn het niet eens met het bestreden besluit. Volgens hen had het college de voetbalkooi moeten laten staan in het belang van de kinderen in de omgeving.

3.3 Eisers II zijn het ook niet eens met het bestreden besluit. Zij vinden dat het college niet alleen de voetbalkooi had moeten verwijderen, maar ook het trapveldje had moeten verwijderen of sluiten.
Leeswijzer
4. Eisers I en eisers II zijn het om verschillende redenen niet eens met het bestreden besluit. Eisers I vinden het bestreden besluit te ver gaan, terwijl eisers II juist vinden dat het bestreden besluit niet ver genoeg gaat. De rechtbank zal voordat zij toekomt aan de inhoudelijke beroepsgronden tegen het bestreden besluit eerst ingaan op twee procedurele punten, namelijk de duiding van het bestreden besluit en de ontvankelijkheid van het beroep van eisers I.
Duiding van het bestreden besluit
5. De rechtbank stelt vast dat het college met het bestreden besluit direct is overgegaan tot verwijdering van de voetbalkooi zonder dat het een last een dwangsom of last onder bestuursdwang heeft opgelegd. Ter zitting heeft het college desgevraagd toegelicht dat het bestreden besluit strekt tot toewijzing van het handhavingsverzoek ten aanzien van de voetbalkooi en dat vanwege praktische overwegingen geen last is opgelegd omdat de gemeente de eigenaar en de beheerder is van de voetbalkooi en het kunstgras trapveldje en daarom gelijk kon overgaan tot verwijdering van de voetbalkooi. Het college heeft daarbij erkend dat strikt genomen eerst een last onder bestuursdwang opgelegd had moeten worden. Nu ter zitting is gebleken dat alle partijen het bestreden besluit ook als een last onder bestuursdwang hebben begrepen, leest de rechtbank uit praktische overwegingen en met het oog op finale geschilbeslechting ten aanzien van het verwijderen van de voetbalkooi een last onder bestuursdwang in het bestreden besluit.
Het beroep van eisers I (SGR 25/3015)
6. Eisers II voeren, onder verwijzing naar de uitspraak van de rechtbank Gelderland van 26 juli 2021, aan dat eisers I geen belanghebbenden, als bedoeld in artikel 1:2, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb), zijn bij het bestreden besluit, omdat de last onder bestuursdwang niet aan hen is gericht en zij ook niet in een fundamenteel recht geraakt worden door de last.

6.1 In het bestuursrecht is alleen degene die direct de gevolgen van een besluit ondervindt, gerechtigd daartegen bij de rechter op te komen. Naast de indieners van het handhavingsverzoek is daarom in beginsel alleen de overtreder belanghebbende bij de oplegging van een last onder bestuursdwang, omdat alleen hij de kosten van de herstelmaatregelen moet dragen en in die zin de gevolgen van dat besluit ondervindt.

6.2 Uit vaste rechtspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (de Afdeling) volgt dat ook een ander dan de overtreder belanghebbende, als bedoeld in artikel 1:2, eerste lid, van de Awb, kan zijn bij een handhavingsbesluit. Van belanghebbendheid is onder meer sprake als er een reële mogelijkheid bestaat dat men wordt geraakt in een aan een zakelijk recht of fundamenteel recht ontleend zelfstandig belang.

6.3 Naar het oordeel van de rechtbank worden eisers I niet geraakt in een aan een zakelijk recht of fundamenteel recht ontleend zelfstandig belang. De last is niet aan hen gericht en zij worden ook niet in een fundamenteel recht geraakt door die last. De rechtbank onderkent dat de ouders en hun kinderen wel gevolgen ondervinden van de opgelegde last onder bestuursdwang, maar dit is onvoldoende om hen als belanghebbenden, als bedoeld in artikel 1:2 van de Awb, aan te merken. Dit omdat het belang van de ouders en de kinderen onvoldoende is af te bakenen van anderen. Iedereen kan namelijk van de voetbalkooi en het trapveldje gebruik maken. Dat maakt de kring van belanghebbenden zo groot en onbepaald dat deze kring niet meer goed is af te bakenen. Het beroep van eisers I is daarom niet-ontvankelijk.
Het beroep van eisers II (SGR 25/3022)
7. Eisers II zijn wel belanghebbenden bij het bestreden besluit, omdat hun handhavingsverzoek gedeeltelijk is afgewezen. Zij betogen dat het college ten onrechte heeft besloten niet handhavend op te treden ten aanzien van het kunstgras trapveldje. Eisers II verwijzen hiertoe naar het door DGMR opgestelde rapport “Speelveld [straatnaam 1] ” van 20 augustus 2025. Blijkens dit rapport leidt het trapveldje op deze locatie niet tot een evenwichtige toedeling van functies aan locaties, omdat de geluidswaarden dermate hoog zijn dat bij omliggende woningen schrikreacties en slaapverstoringen te verwachten zijn. De locatie is vanwege de korte afstand tussen de gevels van de woningen en het trapveldje ongeschikt voor een trapveldje. Volgens eisers II is dit ten onrechte niet betrokken bij het bestreden besluit. Daarnaast betogen eisers II dat het college op grond van artikel 2:47, eerste lid, onder d van de Algemene Plaatselijke Verordening Oegstgeest 2021 (APV) bevoegd is om handhavend op te treden tegen (het gebruik van) het trapveldje.
Mocht het college besluiten niet handhavend op te treden tegen het trapveldje?
Evenwichtige toedeling van functies aan locaties
8. Ter plaatse geldt het “Omgevingsplan gemeente Oegstgeest”. Het bestemmingsplan “Oranje Nassau” en het wijzigingsplan “Oranje Nassau, wijzigingsplan, Duivenvoordsestraat” maken op grond van artikel 22.1, aanhef en onder a, van de Omgevingswet, gelezen in samenhang met artikel 4.6, eerste lid, van de Invoeringswet Omgevingswet als tijdelijk deel onderdeel uit van het omgevingsplan.

8.1 Het college heeft – met toepassing van de wijzigingsbevoegdheid van artikel 9, vierde lid, van het bestemmingsplan – het wijzigingsplan “Oranje Nassau, wijzigingsplan, Duivenvoordsestraat” (het wijzigingsplan) opgesteld. De gronden waarop het trapveldje is gerealiseerd hebben de bestemming “Groen-1”.

8.2 Tussen partijen is niet in geschil dat in dit – inmiddels onherroepelijk geworden – wijzigingsplan de verplichting is opgenomen dat binnen 12 maanden na de ingebruikname van de laatste woning van het oostelijk gelegen bestemmingsvlak een trapveld moet worden aangelegd. Tevens moet het trapveld in stand gehouden worden. Artikel 1.5 van het wijzigingsplan definieert een trapveld als volgt: een veldje voor de jeugd, tot en met de basisschoolleeftijd waar men op kan spelen, zoals voetballen.

8.3 De rechtbank stelt voorop dat de beoordeling of sprake is van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties, en daarmee ook van de gevolgen voor het woon- en leefklimaat van omwonenden van de op grond van dit wijzigingsplan toegestane activiteiten – zoals geluidshinder – al heeft plaatsgevonden in het kader van de vaststelling van het wijzigingsplan. De planwetgever heeft het aanleggen van een trapveld op deze locatie – en de invloed daarvan op het woon- en leefklimaat van omwonenden – op grond van die beoordeling met het oog op een evenwichtige toedeling van functies aan locaties aanvaardbaar geacht. Nu dit wijzigingsplan onherroepelijk is geworden, kan de vraag of bij de vaststelling van dit wijzigingsplan sprake is van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties niet meer aan de orde komen in de handhavingsprocedure. De rechtbank leidt uit de toelichting ter zitting af dat het trapveldje dat nog aanwezig is na verwijdering van de hekwerken en doelen voldoet aan de definitie in artikel 1.5 van het wijzigingsplan. Het betoog van eisers II dat het trapveldje in strijd is met het vereiste van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties en dat het college daarom handhavend had moeten optreden tegen het trapveldje, kan reeds daarom niet slagen.
De APV
9. Eisers II betogen verder dat artikel 2:47, eerste lid, onder d, van de APV ook een grondslag biedt om handhavend op te treden tegen (het gebruik van) het trapveldje. Eisers II voeren hiertoe aan dat voorheen handhavend kon worden opgetreden op grond van artikel 4:6 van de APV. Volgens eisers II is het inmiddels vervallen artikel 4:6 van de APV deels opgenomen in de artikelen 3.29 en 3.30 van de Verordening fysieke leefomgeving Oegstgeest 2024 (Vfl) en deels opgenomen in artikel 2:47, eerste lid, onder d van de APV. Volgens eisers II veroorzaken de spelende kinderen op het trapveldje onnodige overlast en hinder, zodat op grond van artikel 2:47, eerste lid, onder d, van de APV handhavend kan worden opgetreden.

9.1 Het college stelt zich op het standpunt dat de artikelen 3.29 en 3.30 van de Vfl en artikel 2:47, eerste lid, onder d, van de APV geen grondslag bieden voor handhavend optreden tegen het trapveldje.

9.2 Op grond van de artikelen 3.29, eerste lid, onder a en 3.30 van de Vfl is het verboden om toestellen of geluidsapparaten te gebruiken waardoor geluidhinder wordt veroorzaakt.

9.3 Op grond van artikel 2:47, eerste lid, onder d, van de APV is het verboden op een openbare plaats dan wel openbaar water zich op te houden op een wijze die voor andere gebruikers of omwonenden onnodig overlast of hinder veroorzaakt.

9.4 Naar het oordeel van de rechtbank stelt het college zich terecht op het standpunt dat de artikelen 3.29 en 3.30 van de Vfl en artikel 2:47, eerste lid, onder d, van de APV geen grondslag bieden voor handhavend optreden tegen het trapveldje. De rechtbank overweegt hiertoe als volgt. De artikelen 3.29 en 3.30 van de Vfl zijn van toepassing op een ‘toestel’ in de zin van de Vfl. Het begrip ‘toestel’ is niet gedefinieerd in de Vfl. Volgens vaste rechtspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (Afdeling) moet in dat geval worden aangesloten bij hetgeen in het algemeen spraakgebruik onder dit begrip wordt verstaan. Hiervoor wordt gebruik gemaakt van het ‘Van Dale Groot woordenboek der Nederlandse Taal’. Onder het begrip ‘toestel’ wordt verstaan: constructie die dienstdoet als mechanisch hulpmiddel = apparaat, machine. Naar het oordeel van de rechtbank voldoet enkel een trapveld, dat alleen bestaat uit een veldje zonder hekwerken en doelen niet aan de definitie van ‘toestel’, zodat reeds daarom niet handhavend kan worden opgetreden op grond van de artikelen 3.29 en 3.30 van de Vfl.

9.5 Ten aanzien van artikel 2:47, eerste lid, onder d, van de APV stelt het college zich naar het oordeel van de rechtbank terecht op het standpunt dat het geluid dat wordt geproduceerd door spelende kinderen die schreeuwen of tegen een bal trappen op een trapveldje ‘omgevingseigen’ is en niet zonder meer betekent dat sprake is van onnodige overlast of hinder in de zin van artikel 2:47, eerste lid, onder d, van de APV. De rechtbank merkt verder op dat dat het college bij onnodige overlast of hinder door spelende kinderen op het trapveldje op grond van die bepaling alleen handhavend kan optreden tegen de spelende kinderen en niet tegen het trapveldje zelf. Artikel 2:47, eerste lid, onder d, biedt daarom ook geen grondslag om handhavend op te treden tegen het trapveldje.

9.6 Gelet op het voorgaande is de rechtbank van oordeel dat er geen grondslag bestond om handhavend op te treden tegen het trapveldje.

9.7 Het betoog van eisers II slaagt niet.

Conclusie en gevolgen

10 Het beroep van eisers I is niet-ontvankelijk, omdat zij geen belanghebbenden, als bedoeld in artikel 1:2 van de Awb, zijn bij het bestreden besluit. Het beroep van eisers II is ongegrond.

10.1 Eisers I en eisers II krijgen daarom het griffierecht niet terug. Zij krijgen ook geen vergoeding van hun proceskosten.

Beslissing

De rechtbank:

verklaart het beroep van eisers I niet-ontvankelijk;
verklaart het beroep van eisers II ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan door mr. R.H. Smits, rechter, in aanwezigheid van mr. J.A. Klein, griffier.

Uitgesproken in het openbaar op 29 september 2026.

griffier
rechter

Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:

Informatie over hoger beroep

Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.

Aangehaalde artikelen

Aangehaalde uitspraken