Rb. Den Haag 8 oktober 2026, ECLI:NL:RBDHA:2026:29687

Dublin Duitsland, interstatelijk vertrouwen, indirect refoulement, artikel 17 Dublinverordening, belang van het kind, beroep gegrond, vovo afwijzen.

De uitspraak op rechtspraak.nl

Tekst

RECHTBANK DEN HAAG
Zittingsplaats Amsterdam
Bestuursrecht
Zaaknummers: NL26.31945 en NL26.31946
V-nummer: [V nummer]
uitspraak van de enkelvoudige kamer en de voorzieningenrechter in de zaken tussen
[eiser] ,
geboren op [geboortedatum] 2026, van Turkse nationaliteit, hierna: eiser
(gemachtigde: mr. O. Saraç),
en
de minister van Asiel en Migratie, hierna: de minister
(gemachtigde: mr. R.S. Helmus).

Inleiding

1 Bij besluit van 8 juni 2026 (het bestreden besluit) heeft de minister de aanvraag van eiser van 27 maart 2026 tot verlening van een verblijfsvergunning voor bepaalde tijd niet in behandeling genomen op grond van artikel 30, eerste lid, van de Vw.

1.1 Op 8 juni 2026 heeft de rechtbank het beroepschrift van eiser ontvangen. Op dezelfde datum heeft eiser de voorzieningenrechter verzocht om een voorlopige voorziening die ertoe strekt dat hij niet wordt overgedragen totdat op het beroep is beslist.

1.2 Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 23 september 2026. Eiser en de gemachtigden van partijen waren hierbij aanwezig. Ook was aanwezig K. Samat als tolk in de taal Turks. De rechtbank/voorzieningenrechter (hierna: de rechtbank) heeft het onderzoek ter zitting gesloten.

Beoordeling door de rechtbank

2 De rechtbank beoordeelt het niet in behandeling nemen van de asielaanvraag van eiser. Zij doet dat aan de hand van de beroepsgronden van eiser. Ook beoordeelt zij eisers verzoek om een voorlopige voorziening.

3 De rechtbank is van oordeel dat het beroep gegrond is en dat het verzoek om een voorlopige voorziening daarom moet worden afgewezen. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.

Toepasselijk recht

4 Artikel 84, tweede lid, van de Asiel- en migratiebeheerverordening bepaalt dat de vraag welke lidstaat verantwoordelijk is voor de behandeling van een vóór 12 juni 2026 ingediend verzoek om internationale bescherming, wordt bepaald volgens de in de Dublinverordening vastgelegde criteria.

4.1 Op grond van artikel IX van de Uitvoerings- en implementatiewet Asiel- en migratiepact 2026 blijven – voor zover hier relevant – de voorschriften gesteld bij of krachtens de Vw van vóór 12 juni 2026 van toepassing.
De besluitvorming
5. Met het bestreden besluit heeft de minister de aanvraag van eiser niet in behandeling genomen, omdat Duitsland hier volgens de minister verantwoordelijk voor is. Volgens de minister mag Nederland erop vertrouwen dat Duitsland zich aan de regels houdt. Dat eiser een relatie heeft met iemand in Nederland en dat zij gezamenlijk een tweeling verwachten, maakt volgens de minister niet dat artikel 16 van de Dublinverordening van toepassing is. Voor de toepassing van dit artikel moet er namelijk sprake zijn van afhankelijkheid die al in het land van herkomst bestond. Ook vindt de minister dat er niet is aangetoond dat er sprake is van zodanige bijzondere omstandigheden dat Nederland de asielaanvraag aan zich had moeten trekken op basis van artikel 17 van de Dublinverordening. Voor zover sprake is van gezinsleven in de zin van artikel 8 van het EVRM, is niet gebleken dat overdracht aan Duitsland leidt tot een ongerechtvaardigde inmenging in dit recht.
Artikel 4 van het Handvest/ artikel 3 van het EVRM
Interstatelijk vertrouwensbeginsel
6. Volgens eiser kan er ten aanzien van Duitsland niet uitgegaan worden van het interstatelijk vertrouwensbeginsel. Eiser brengt hiertoe naar voren dat de Duitse opvangstructuur onder aanzienlijke druk staat en dat hij zelf ook slechte persoonlijke ervaringen heeft gehad in Duitsland. Zo heeft hij tijdens zijn verblijf daar met elf anderen een ruimte moeten delen en heeft hij geen reële mogelijkheden had om te studeren of te werken.

6.1 De rechtbank is van oordeel dat er ten aanzien van Duitsland van het interstatelijk vertrouwensbeginsel kan worden uitgegaan. Dit volgt uit de rechtspraak van de Afdeling ten aanzien van Duitsland. Het is daarom aan eiser om aannemelijk te maken dat hij, vanwege de algemene situatie of zijn individuele omstandigheden, toch een reëel risico loopt op een behandeling in strijd met artikel 4 van het Handvest en artikel 3 van het EVRM. Naar het oordeel van de rechtbank is eiser daarin niet geslaagd. Eiser heeft in beroep geen concrete informatie overgelegd waaruit blijkt dat de situatie in Duitsland zodanig is dat niet langer van het interstatelijk vertrouwensbeginsel kan worden uitgegaan. Over de opvangomstandigheden zoals deze beschreven zijn in het AIDA-rapport (update 2024), waar eiser naar verwijst, heeft de Afdeling al geoordeeld dat deze omstandigheden niet zodanig zijn dat er niet van het interstatelijk vertrouwensbeginsel uitgegaan kan worden. Daarbij merkt de rechtbank op dat de nieuwste versie van het AIDA-rapport (update 2025) geen wezenlijk ander beeld schetst van de situatie in Duitsland als het vorige rapport. De eigen ervaringen van eiser in Duitsland, maken volgens de rechtbank ook niet dat er bij overdracht een risico is op schending van artikel 4 van het Handvest en artikel 3 van het EVRM. Daarbij heeft Duitsland met het claimakkoord gegarandeerd dat de asielaanvraag van eiser in behandeling zal worden genomen en dat zij zich zullen houden aan de internationale verplichtingen. Indien dit niet het geval is kan eiser zich wenden tot de (hogere) Duitse autoriteiten. Niet is gebleken dat de Duitse autoriteiten hem niet kunnen of willen helpen. De beroepsgrond slaagt niet.
Indirect refoulement
7. Eiser brengt daarnaast naar voren dat zijn asielaanvraag in Duitsland definitief is afgewezen en dat hij vreest voor terugkeer naar Turkije vanwege een bloedwraakconflict waarbij zijn familie betrokken is.

7.1 De rechtbank is van oordeel dat eiser zijn vrees voor refoulement in Duitsland kan aanvoeren. De rechtbank wijst hierbij naar de uitspraak van het Hof van 30 november 2023 en de uitspraak van de Afdeling van 12 juni 2024. Uit deze jurisprudentie volgt dat een vreemdeling die voor refoulement vreest vanwege een risico op uitzetting door de aangezochte lidstaat, deze vrees ofwel in die verantwoordelijke lidstaat dient aan te kaarten, ofwel aannemelijk dient te maken dat dit niet mogelijk is, omdat er in die lidstaat sprake is van systeemfouten in de asielprocedure en de opvangvoorzieningen. De rechtbank heeft hierboven al overwogen dat eiser niet aannemelijk heeft gemaakt dat hij in Duitsland niet kan klagen en dat van het interstatelijk vertrouwensbeginsel kan worden uitgegaan. De beroepsgrond slaagt niet.
De discretionaire bevoegdheid en het belang van het kind
8. Eiser stelt zich tot slot op het standpunt dat de minister ten onrechte geen toepassing heeft gegeven aan artikel 17, eerste lid van de Dublinverordening. Eiser wil bij zijn vrouw en kinderen zijn. Een overdracht aan Duitsland zou ertoe leiden dat eiser gedurende een onzekere periode van zijn vrouw en kinderen wordt gescheiden.

8.1 De rechtbank is van oordeel dat de minister in de besluitvorming onvoldoende is ingegaan op de belangen van de (ongeboren) kinderen en waarom dit niet noopt tot toepassing van artikel 17, eerste lid, van de Dublinverordening. Zij zal dit hieronder nader uiteenzetten.

8.2 Eiser stelt dat hij sinds 17 september 2025 een relatie heeft en dat hij op 28 juli 2026 in Nederland voor de wet is getrouwd. Zijn vrouw is nu ongeveer twee jaar in Nederland en heeft een verblijfsvergunning voor bepaalde tijd. Eisers vrouw is in verwachting van een tweeling. Op de zitting is toegelicht dat de tweeling op 28 september 2026 wordt geboren met een keizersnede. Eiser heeft een huwelijksakte en een akte van erkenning van de kinderen overgelegd, beide opgemaakt door de gemeente [gemeente] .

8.3 De rechtbank overweegt dat lidstaten op grond van artikel 6, eerste lid van de Dublinverordening bij Dublinprocedures het belang van het kind voorop moeten stellen. In het IVRK, waar de Dublinverordening expliciet naar verwijst, wordt benadrukt dat het kind zowel vóór als na de geboorte bijzondere bescherming nodig heeft. Het Hof heeft uitgelegd dat artikel 6, eerste lid van de Dublinverordening geen absolute verplichting bevat voor lidstaten om het asielverzoek zelf te behandelen op grond van artikel 17 van de Dublinverordening. Dit neemt echter niet weg dat de minister een asielverzoek in ieder geval zelf behandelt op grond van artikel 17, als bijzondere, individuele omstandigheden de overdracht onevenredig hard maken. De rechtbank is van oordeel dat de belangen van de kinderen in dat kader relevant zijn en dat de rechtbank moet kunnen toetsen of de minister zich bij deze belangenafweging voldoende rekenschap heeft gegeven van deze belangen.

8.4 De minister in de besluitvorming onvoldoende is ingegaan op de belangen van de (ongeboren) kinderen en waarom dit niet noopt tot toepassing van artikel 17, eerste lid van de Dublinverordening. De minister heeft zich op het standpunt gesteld dat de tweeling nog niet geboren is en dat eiser geen bijzondere individuele omstandigheden naar voren gebracht die maken dat overdracht aan Duitsland onevenredig hard uitpakt. De rechtbank gaat ervan uit dat de kinderen inmiddels en staande het huwelijk zijn geboren. Uit de besluitvorming blijkt niet dat de minister er rekening mee heeft gehouden dat scheiding van de ouders grote gevolgen zal hebben voor de tweeling, omdat de vader op het moment dat hij wordt overgedragen aan Duitsland geen zorg kan dragen voor zijn kinderen. De minister is ook niet ingegaan op de door eiser overgelegde brief van het Medisch Maatschappelijk Werk van het [ziekenhuis] waarin wordt toegelicht dat de aanwezigheid van eiser gedurende de zwangerschap en de periode na de bevalling medisch en praktisch gezien van belang is voor zijn vrouw en kinderen. De beroepsgrond slaagt.

Conclusie en gevolgen

9 Het beroep is gegrond omdat het bestreden besluit in strijd is met artikel 3:46 van de Awb. De rechtbank vernietigt daarom het bestreden besluit. De overige beroepsgronden behoeven gelet hierop geen bespreking meer.

10 De rechtbank bepaalt met toepassing van artikel 8:72, vierde lid, van de Awb dat de minister een nieuw besluit moet nemen en daarbij rekening houdt met deze uitspraak. De rechtbank geeft de minister hiervoor zes weken.

11 Omdat de rechtbank op het beroep beslist, bestaat er geen aanleiding meer om een voorlopige voorziening te treffen. De voorzieningenrechter wijst het verzoek daarom af.

12 Omdat het beroep gegrond is krijgt eiser een vergoeding van zijn proceskosten.

De minister moet deze vergoeding betalen. Deze vergoeding bedraagt € 2.802,- (1 punt voor het beroepschrift, 1 punt voor het verzoekschrift en 1 punt voor de zitting, met een waarde per punt van € 934,- en een wegingsfactor 1). Verder zijn er geen kosten gemaakt die vergoed kunnen worden.

Beslissing

De rechtbank in de zaak met nummer NL26.31945:

verklaart het beroep gegrond;
vernietigt het bestreden besluit;
draagt de minister op om binnen zes weken na de dag van verzending van deze uitspraak een nieuw besluit te nemen op de aanvraag, waarbij rekening wordt gehouden met deze uitspraak.

De voorzieningenrechter in de zaak met nummer NL26. 31946:

- wijst het verzoek om een voorlopige voorziening af.

De rechtbank/voorzieningenrechter in beide zaken:

- veroordeelt de minister tot betaling van € 2.802,- aan proceskosten aan eiser.

Deze uitspraak is gedaan door mr. A.E.J.M. Gielen, (voorzieningen)rechter, in aanwezigheid van mr. D.G.T. de Hoop, griffier.

Informatie over hoger beroep

Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met de uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen 1 week na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen. Tegen de uitspraak op het verzoek om een voorlopige voorziening staat geen rechtsmiddel open.

Aangehaalde artikelen

Aangehaalde uitspraken