Rb. Den Haag 7 oktober 2026, ECLI:NL:RBDHA:2026:29670

Ophouding n-o. Toegangsweigering, recht op rechtsbijstand, juridische grondslag, blanco beschikking, begrijpelijke taal, ongegrond. Bewaring artikel 6 lid 1 en 2, recht op rechtsbijstand, lichter middel, ongegrond

De uitspraak op rechtspraak.nl

Tekst

RECHTBANK DEN HAAG
Zittingsplaats Amsterdam
Bestuursrecht
Zaaknummers: NL26.55449 en NL26.55945
V-nummer: [V nummer]
uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen
[eiser] , eiser
(gemachtigde: mr. J. van Bennekom),
en
de minister van Asiel en Migratie, de minister
(gemachtigde: mr. R.L.F. Zandbelt).

Samenvatting

1 Bij besluit van 19 september 2026 (bestreden besluit 1) is aan eiser op grond van artikel 14, gelezen in samenhang met artikel 6 van Verordening (EU) nr. 2016/399 (Schengengrenscode) de toegang geweigerd en bij besluit van diezelfde datum (bestreden besluit 2) is aan eiser op grond van artikel 6, eerste en tweede lid, van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw) een vrijheidsontnemende maatregel opgelegd. Eiser is het niet eens met deze besluiten. Hij voert daartegen een aantal beroepsgronden aan. Onder meer aan de hand van deze beroepsgronden beoordeelt de rechtbank de rechtmatigheid van de toegangsweigering en de maatregel en de vraag of aan eiser een schadevergoeding moet worden toegekend.

1.1 De maatregel is op 23 september 2026 opgeheven.

1.2 De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat de beroepen ongegrond zijn. Het opleggen van de toegangsweigering en van de maatregel van vreemdelingenbewaring zijn niet onrechtmatig. De maatregel van vreemdelingenbewaring voldoet aan de voorwaarden. Er is dus geen reden voor het toekennen van een schadevergoeding. Hieronder legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit heeft.

Procesverloop

2 Met de bestreden besluiten van 19 september 2026 heeft de minister aan eiser een toegangsweigering en een vrijheidsontnemende maatregel opgelegd en de rechtbank daarvan in kennis gesteld.

2.1 Deze kennisgeving wordt gelijkgesteld met een door eiser ingesteld beroep. Het beroep moet tevens worden aangemerkt als een verzoek om toekenning van schadevergoeding. Op grond van artikel 94, tweede lid, van de Vw wordt, indien aan de vreemdeling een besluit tot weigering van toegang tot Nederland is uitgereikt, het beroep geacht mede een beroep tegen dit besluit te omvatten.

2.2 De rechtbank heeft het beroep op 29 september 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: de gemachtigde van eiser en de gemachtigde van de minister.

Beoordeling door de rechtbank

NL26.55449

Over het beroep tegen de ophouding

3 Eiser heeft op 20 september 2026 beroep ingediend tegen de ophouding. Dit beroep is geregistreerd onder NL26.55449. Eiser heeft een maatregel opgelegd gekregen op grond van artikel 6, eerste en tweede lid, van de Vw, in het kader van de grensprocedure. In deze grensprocedure wordt een vreemdeling niet opgehouden zoals dat wel gebeurt bij een maatregel op grond van artikel 59 van de Vw. Uit de stukken is de rechtbank ook niet gebleken dat eiser is opgehouden, zodat een beroep hiertegen niet mogelijk is. Dat de gemachtigde van eiser op grond van de piketmelding in de veronderstelling verkeerde dat het zou gaan om een ophouding, maakt dit niet anders. Het door eiser ingediende beroep tegen de ophouding wordt dus niet-ontvankelijk verklaard.

NL26.55945

Over bestreden besluit 1 (toegangsweigering)

4 De minister heeft eiser de toegang geweigerd omdat eiser:

(E) Niet in het bezit is van passende documentatie waaruit het doel en de omstandigheden van het verblijf blijken. Het (de) volgende document(en) kon(den) niet worden overgelegd:

-Retourticket

-Bewijs van verblijf

-Niet voldoende geld ter beschikking

(G) Niet in het bezit is van toereikende bestaansmiddelen voor de duur en de vorm van het verblijf, of voor de terugkeer naar het land van herkomst of doorreis.

5 Eiser voert aan dat zijn recht op rechtsbijstand is geschonden, omdat hij pas op

21 september 2026 contact had met zijn gemachtigde, terwijl de toegang is geweigerd op zaterdag 19 september 2026 om 11:21 uur. Eisers gemachtigde heeft een piketmelding ontvangen op 19 september 2026 om 15:52 uur. Hij belde vervolgens om 15:54 uur met locatie Schiphol, waarna hij te horen kreeg dat eiser op locatie luchthaven Eindhoven zou zijn. Toen eisers gemachtigde die locatie belde, bleek het niet mogelijk om eiser te spreken, omdat eiser op transport zou gaan naar Schiphol. Om 17:44 uur belde eisers gemachtigde weer naar Schiphol, waarna werd aangegeven dat eiser daar nog niet was aangekomen. Op zondag 20 september 2026, toen eisers gemachtigde om 12:14 belde, weigerde de medewerker van de servicebalie informatie te geven over eisers aankomst op Schiphol. Volgens deze medewerker worden telefonisch hierover geen mededelingen gedaan. De gemachtigde van eiser belde later die dag nogmaals en kreeg ook deze keer te horen dat er telefonisch geen informatie wordt gegeven, omdat er niet bekend is met wie zij bellen. Eisers gemachtigde heeft toen zijn naam en telefoonnummer achtergelaten en is om 15:07 uur teruggebeld. Ook toen werd echter geweigerd informatie te verstrekken. Eisers gemachtigde heeft ook per e-mail een verzoek ingediend. Die e-mail is op maandag

21 september 2026 om 07:36 uur beantwoord. Op 21 september 2026 heeft de gemachtigde van eiser hem om 11:45 uur bezocht, waarna om 12:40 uur bijstand kon worden verleend.

5.1 De rechtbank oordeelt als volgt. Op grond van paragraaf A1/7.3.4 van de Vreemdelingencirculaire 2000 wordt in geval van een toegangsweigering, indien een geweigerde vreemdeling om een raadsman verzoekt, een bericht verzonden aan de piketcentrale. Niet in het geding is dat de minister een piketmelding heeft doen uitgaan. Eiser stelt zich echter op het standpunt dat het te lang heeft geduurd alvorens zijn gemachtigde contact met hem kon krijgen. De rechtbank is van oordeel dat het tijdsverloop tussen de piketmelding en het eerste contact tussen eiser en zijn gemachtigde niet zodanig is dat reeds hierom sprake is van een schending van het recht op rechtsbijstand. Nu niet is gebleken dat eiser door het tijdsverloop in zijn belangen is geschaad, komt de rechtbank tot het oordeel dat dit niet moet leiden tot onrechtmatigheid van de toegangsweigering. Daarbij weegt de rechtbank mee dat met de door de minister tijdig ingediende kennisgeving van de bewaringsmaatregel ook beroep is ingesteld tegen de toegangsweigering, zodat tijdig een rechtsmiddel tegen de toegangsweigering is aangewend.
6. Ook voert eiser aan dat een rechtsgeldige juridische grondslag ontbreekt. Deze juridische grond is noodzakelijk om te voldoen aan het grondrecht op een doeltreffende voorziening. Eiser verwijst hierbij naar het arrest Mahdi.

6.1 De rechtbank is van oordeel dat de beroepsgrond niet slaagt. Zoals de Afdeling al heeft overwogen in de uitspraak van 13 mei 2019 dient onderscheid te worden gemaakt tussen de juridische (of: wettelijke) grondslag en de feitelijke gronden. De wettelijke grondslag is algemeen en dwingend van aard en er is in bepaald ten aanzien van wie en met toepassing van welk vereiste of welke vereisten een maatregel kan worden genomen. Een feitelijke grond is een feitelijke en op de persoon van de vreemdeling toegespitste toelichting, waaruit volgt dat en waarom aan de in de wettelijke grondslag gestelde vereisten is voldaan. De rechtbank leidt hieruit af dat de minister in de maatregel de wettelijke grondslag dient te vermelden en dat een feitelijke en op de persoon toegespitste toelichting dient te worden gegeven. Daaraan is in eisers geval voldaan. De minister heeft in de maatregel vermeld dat eisers toegang is geweigerd op grond van artikel 14 juncto artikel 6 van de Schengengrenscode en dat hij een bewaringsmaatregel opgelegd krijgt op grond van artikel 6, eerste en tweede lid, van de Vw. De rechtbank acht de benoeming van artikel 14 juncto artikel 6 van de Schengengrenscode en de opsomming van de feitelijke gronden in het M17-formulier voldoende. Deze beroepsgrond slaagt ook niet.
7. Eiser voert verder aan dat het M18-formulier, getiteld “Beschikking toegangsweigering” niet is ingevuld en niet is ondertekend, waardoor er volgens hem geen sprake is van een rechtsgeldige beschikking.

7.1 De rechtbank begrijpt dat eiser doelt op het M108-formulier. Dit formulier bevindt zich inderdaad in het dossier en is grotendeels blanco. Zoals hiervoor is overwogen volgen de beslissing tot toegangsweigering en de wettelijke en feitelijke gronden waarop dit is gebaseerd voldoende uit het formulier M17. Ook deze beroepsgrond slaagt daarom niet.
8. Ten slotte voert eiser in het kader van de toegangsweigering aan dat de toegangsweigering niet in een taal die eiser begrijpt aan hem is uitgereikt.

8.1 De rechtbank stelt vast dat uit het proces-verbaal van bevindingen volgt dat eiser met een Turkse tolk is gehoord en dat hem toen ook het besluit tot toegangsweigering en de gronden waarop dit berust zijn meegedeeld. Ook de rechtsmiddelenfolder is aan hem in het Turks uitgereikt. Eiser was hiermee op de hoogte van zijn toegangsweigering en welke rechtsmiddelen hij hiertegen kon inzetten. De rechtbank acht dit voldoende.
Over bestreden besluit 2 (vrijheidsontnemende maatregel)
9. Op grond van artikel 6, eerste en tweede lid, van de Vw kan de vreemdeling aan wie toegang tot Nederland is geweigerd worden verplicht zich op te houden in een door de ambtenaar belast met de grensbewaking aangewezen ruimte of plaats die is beveiligd tegen ongeoorloofd vertrek.
10. Omdat de maatregel is opgeheven, beperkt de beoordeling zich in deze zaak tot de vraag of aan eiser schadevergoeding moet worden toegekend. In dit verband moet de vraag worden beantwoord of de tenuitvoerlegging van de maatregel op enig moment voorafgaande aan de opheffing daarvan onrechtmatig is geweest. Op grond van artikel 106 van de Vw kan de rechtbank indien de bewaring al is opgeheven vóór de behandeling van het verzoek om opheffing van de bewaring aan eiser een schadevergoeding ten laste van de Staat toekennen.
11. Eiser voert aan dat hem ten onrechte de vrijheidsontnemende maatregel is opgelegd, omdat hem ten onrechte de toegang tot Nederland is geweigerd.

11.1 Hiervoor is al geoordeeld dat de minister terecht de toegang heeft geweigerd. Uit wat in het voorgaande is overwogen volgt dat er geen grond is voor het oordeel dat de minister eiser ten onrechte de toegang tot Nederland heeft geweigerd. Aan de vrijheidsontnemende maatregel ligt dus een rechtmatige toegangsweigering ten grondslag. De beroepsgrond slaagt niet.
12. Ook in het kader van de vrijheidsontnemende maatregel voert eiser aan dat er sprake is van een schending van zijn recht op rechtsbijstand, omdat hij pas op 21 september 2026 contact kreeg met zijn gemachtigde.

12.1 De rechtbank is van oordeel dat deze beroepsgrond niet slaagt. De rechtbank overweegt dat bij vrijheidsontneming op grond van artikel 6 van de Vw niet het beleid geldt zoals is neergelegd in paragraaf A5/6.6 van de Vreemdelingencirculaire. Voor de minister bestond daarom geen verplichting om – voorafgaande aan het opleggen van de maatregel op grond van artikel 6, eerste en tweede lid van de Vw – een piketadvocaat in te schakelen. De rechtbank wijst in dat verband op de uitspraak van de meervoudige kamer van deze rechtbank, zittingsplaats Haarlem, van 24 juni 2022, welke in hoger beroep is bevestigd door de Afdeling op 8 augustus 2022. De rechtbank overweegt in die uitspraak dat voor het ontbreken van een piketregeling voor asielzoekers aan de buitengrens, een redelijke en objectieve rechtvaardiging bestaat in vergelijking met asielzoekers van wie op grond van artikel 59, 59a of 59b van de Vw de vrijheid wordt ontnomen. Die rechtvaardiging is voornamelijk gelegen in het feit dat vreemdelingen aan de grens nog niet zijn toegelaten en vreemdelingen ‘in het land’ wel. Daarnaast overweegt de rechtbank in die uitspraak dat vreemdelingen aan wie de toegang is geweigerd of de beslissing daarover is uitgesteld een folder krijgen uitgereikt met informatie over rechtsbijstand en dat vreemdelingen die aan de grens asiel hebben aangevraagd in het kader van die asielprocedure een raadsman krijgen toegewezen. Daarmee is de mogelijkheid om rechtsbijstand te krijgen voldoende gewaarborgd. De rechtbank ziet geen aanleiding om in deze procedure anders te oordelen. Volgens het proces-verbaal van bevindingen is aan eiser een Turkse folder uitgereikt met informatie over de wijze waarop communicatie mogelijk is met een contactpunt dat informatie kan verschaffen over wettelijke vertegenwoordigers en over de rechtsmiddelen. Eiser is voldoende geïnformeerd en heeft alsnog contact gehad met zijn gemachtigde. Dat dit contact twee dagen later heeft plaatsgevonden leidt, gelet op het voorgaande, niet tot het oordeel dat de maatregel onrechtmatig moet worden geacht.
13. Ten slotte voert eiser aan dat er ten onrechte geen lichter middel is opgelegd en dat dit in de maatregel onvoldoende is gemotiveerd. Op Eindhoven Airport is geen mogelijkheid om een vreemdeling in de lounge te laten verblijven. Volgens eiser is dit des te meer reden om een meldplicht op te leggen en niet voor het zware middel van de vrijheidsontnemende maatregel te kiezen.

13.1 De minister heeft ter zitting toegelicht dat een vliegtuig op vliegveld Eindhoven aankomt en binnen zestig minuten weer terugvliegt. Als de mensen uitstappen en worden gecontroleerd, stappen nieuwe mensen in en vertrekt de vlucht. Dit is te kort om nog iemand mee te nemen. Daarbij moet dezelfde vliegtuigmaatschappij als waarmee eiser is aangekomen hem ook weer mee terug nemen. Dat kan niet op elke vlucht, soms gaan daar enkele dagen overheen. Als de minister een lichter middel zou opleggen in die periode, zou dat betekenen dat hem toegang wordt gegeven tot het Schengengebied. Dit heeft de minister willen voorkomen. De rechtbank volgt de minister in deze uitleg. Daarnaast heeft eiser voorafgaand aan de maatregel aangegeven gezond te zijn en geen klachten te hebben of medicatie te gebruiken. De rechtbank oordeelt dus dat de minister zich terecht op het standpunt heeft gesteld dat in dit geval geen andere afdoende, maar minder dwingende maatregelen dan de inbewaringstelling doeltreffend konden worden toegepast. De beroepsgrond slaagt dus niet.
Leidt ambtshalve toetsing tot een ander oordeel?
14. Los van de door eiser aangevoerde gronden, ziet de rechtbank in de door de minister en eiser verstrekte gegevens geen grond om te komen tot het oordeel dat aan de rechtmatigheidsvoorwaarden voor deze maatregel niet is voldaan.
Over beide beroepen
15. Het beroep tegen bestreden besluit 1 en tegen bestreden besluit 2 is ongegrond. Daarom wordt ook het verzoek om schadevergoeding afgewezen. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank:

- verklaart de beroepen ongegrond;

- wijst het verzoek om schadevergoeding af.

Deze uitspraak is gedaan door mr. P.L.C.M. Ficq, rechter, in aanwezigheid van

M.A. van Garder, griffier.

De uitspraak is uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak voor zover die over bestreden besluit 2 gaat, kan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State binnen één week na de dag van verzending van deze uitspraak of na de dag van plaatsing daarvan in het digitale dossier. Tegen deze uitspraak voor zover die over bestreden besluit 1 gaat, kan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State binnen vier weken na de dag van verzending van deze uitspraak of na de dag van plaatsing daarvan in het digitale dossier.

Aangehaalde artikelen

Aangehaalde uitspraken