Rb. Den Haag 18 februari 2026, ECLI:NL:RBDHA:2026:29658

Verdeling van een gemeenschappelijke vastgoedportefeuille. Partijen moeten opdracht geven aan een makelaar om alle onroerende zaken te taxeren en hieraan hun volledige medewerking verlenen.

De uitspraak op rechtspraak.nl

Tekst

RECHTBANK Den Haag
Team handel
Zaak-/rolnummer: C/09/685815 / HA ZA 25-448
Vonnis van 18 februari 2026
in de zaak van
[vader] , te [woonplaats 1] ,
eiser in conventie, verweerder in reconventie,
hierna te noemen: vader,
advocaat: mr. J.J. Dijkman,
tegen
[zoon] , te [woonplaats 2] ,
gedaagde in conventie, eiser in reconventie,
hierna te noemen: zoon,
advocaat: mr. L.W.B. Dijkstra-Devillers.

1 Waar gaat de zaak over?

1.1 Deze zaak gaat over de verdeling van een gemeenschappelijke vastgoedportefeuille. Vader en zoon zijn ieder voor de onverdeelde helft eigenaar van negen onroerende zaken (hierna: de gemeenschap). Vader wenst tot verdeling van de gemeenschap over te gaan. Vader verlangt ook dat zoon rekening en verantwoording aflegt over de periode dat zoon het beheer uitvoerde over de gemeenschap en dat hij de administratie die betrekking heeft op de gemeenschap aan vader ter beschikking stelt.

1.2 De rechtbank komt tot het oordeel dat de gemeenschap moet worden verdeeld. Van vader kan niet worden verlangd dat hij nog langer in een onverdeelde gemeenschap blijft zitten. De waarde van de onroerende zaken moet nog worden getaxeerd. De rechtbank is van oordeel dat zoon geen rekening en verantwoording tegenover vader hoeft af te leggen, nu niet is komen vast te staan dat zoon het beheer over de gemeenschap heeft gevoerd.

2 De procedure

2.1 Het procesdossier bestaat uit de volgende processtukken:
de dagvaarding van 13 mei 2025;
de akte overlegging producties aan de zijde van vader, met producties 2 tot en met 8,
de conclusie van antwoord in conventie tevens (voorwaardelijke) eis in reconventie, met producties 1 tot en met 3 E,
het tussenvonnis van 5 november 2025 waarin een datum voor de mondelinge behandeling is bepaald;
de conclusie van antwoord in reconventie tevens antwoord in het incident, met producties 9 tot en met 19.

2.2 Op 14 november 2025 heeft een digitale regiezitting plaatsgevonden waarbij de rechtbank met de advocaten van partijen overleg heeft gehad over het verdere verloop van de procedure.

2.3 Op 7 januari 2026 heeft de mondelinge behandeling van de zaak plaatsgevonden. Tijdens de mondelinge behandeling hebben partijen hun standpunten toegelicht en vragen van de rechtbank beantwoord. De griffier heeft aantekeningen gemaakt, die zijn toegevoegd aan het griffiedossier.

2.4 Ten slotte is de datum voor vonnis bepaald op vandaag.

3 De feiten

3.1 Vader heeft zich in het verleden bezig gehouden met de veehandel.

3.2 Vader en [moeder] (hierna: moeder) zijn in 1974 met elkaar gehuwd op huwelijkse voorwaarden. [moeder] is op [datum] 2025 overleden. In de huwelijkse voorwaarden is – voor zover van belang – het volgende bepaald:
“Artikel 1
Tussen partijen zal gemeenschap van winst en verlies bestaan. Deze gemeenschap omvat, wat haar baten betreft, alle goederen van de echtgenoten, met uitzondering van die welke een echtgenoot, hetzij bij de aanvang van de gemeenschap bezat, hetzij door erfopvolging, making of gift heeft verkregen, hetzij uit anderen hoofde heeft verkregen tegen een contraprestatie die te gelegenheid van de verkrijging geheel uit eigen goederen is voldaan.
(…)
Artikel 8
Alle zaken, welke deel uitmaken van het door de man als veehandelaar uitgeoefend bedrijf, worden bij de ontbinding van het huwelijk of bij scheiding van tafel en bed geacht zijn eigendom te zijn, voor zover de vrouw niet het tegendeel bewijst. Dit bewijs kan met alle middelen worden geleverd.”

3.3 Uit het huwelijk van vader en moeder zijn, naast zoon, nog twee dochters geboren.

De vastgoedportefeuille

3.4 Vader en zoon zijn, ieder voor de onverdeelde helft, eigenaar van de navolgende onroerende zaken:
- [onroerende zaak 1] ;
- [onroerende zaak 2] ;
- [onroerende zaak 3] ;
- [onroerende zaak 4] ;
- [onroerende zaak 5] ;
- [onroerende zaak 6] ;
- [onroerende zaak 7] ;
- [onroerende zaak 8] ,

3.5 In 2003 heeft zoon een uitzendbureau mede-opgericht. Het uitzendbureau heet thans [uitzendbureau] (hierna: het uitzendbureau). De aandelen werden gehouden door [bedrijfsnaam] B.V. (hierna: de holding). Tot 2009 is vader bij het uitzendbureau betrokken. Partijen hadden ieder 50% van de aandelen in de holding. In 2009 heeft zoon vader verzocht mee te werken om zijn aandelen in de holding aan zoon over te dragen. Vader heeft hier zijn medewerking aan verleend.

3.6 Het uitzendbureau huurt van de gemeenschap voor een vaste huurprijs de panden aan de [adres 1] , [adres 2] en [adres 3] . De kamers in deze panden worden door het uitzendbureau verhuurd aan uitzendkrachten.

De administratie met betrekking tot de gemeenschap

3.7 Moeder heeft vanaf 1992 tot eind 2021/begin 2022 de administratie met betrekking tot de gemeenschappelijke onroerende zaken gevoerd. De fysieke administratie (ordners e.d.) was aanwezig op het woonadres van moeder. Vader en moeder zijn op enig moment gescheiden van elkaar gaan leven. Vader was nog wel regelmatig aanwezig in de woning van moeder.

3.8 Partijen hebben ten behoeve van de administratie van de gemeenschappelijke onroerende zaken al jaren een gezamenlijke bankrekening bij de ING bank met nummer [bankrekening] . Zowel vader als zoon heeft toegang tot deze rekening. Vader beschikt over de toegangscodes om digitaal in te loggen.

3.9 Moeder betaalde de facturen en verdeelde na aftrek van de kosten met betrekking tot de gemeenschappelijke onroerende zaken (onderhoud, hypotheek, belastingen) de huuropbrengst volgens de volgende verdeelsleutel: moeder ontving 25%, vader 25% en zoon 50% van de huuropbrengst.

3.10 Sinds eind 2021/begin 2022 voert zoon de administratie met betrekking tot de gemeenschappelijke onroerende zaken. Na het overlijden van moeder heeft zoon de verdeelsleutel aangepast. Vader en zoon ontvangen ieder 50% van de huuropbrengst van de onroerende zaken na aftrek van de kosten.

3.11 Bij brief van 21 juli 2022 heeft de advocaat van vader zoon gesommeerd rekening en verantwoording af te leggen ter zake van de administratie die zoon samen met moeder heeft gevoerd.

3.12 Bij brief van 9 september 2024 heeft de advocaat van vader zoon gesommeerd rekening en verantwoording af te leggen en de helft van de inkomsten uit de gemeenschappelijke onroerende zaken aan vader af te dragen.

Het testament van moeder

3.13 Op 8 juni 2017 heeft moeder een testament laten opmaken. In dit testament is – voor zover van belang – het volgende bepaald:
“(…) benoem ik tot mijn enige erfgenamen, mijn drie kinderen, te weten:
- de heer [zoon] (…)
- mevrouw [dochter 1] (…)
- mevrouw [dochter 2] (…)
tezamen en voor gelijk delen (…)
Uitdrukkelijk sluit ik mijn echtgenoot uit als erfgenaam van mijn nalatenschap.
V. EXECUTEUR
Ik benoem tot executeurs, mijn genoemde kinderen, de heer [zoon] , mevrouw [dochter 1] en mevrouw [dochter 2] (….) voor welke benoeming de volgende bepalingen gelden:
Bevoegdheid executeurs
Mijn kinderen zijn in hun hoedanigheid van executeur in beginsel slechts met zijn tweeën of tezamen bevoegd. (…)”

4 Het geschil

in conventie

4.1 Vader vordert – samengevat – bij vonnis, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad, dat de rechtbank:
I. bepaalt dat de gemeenschap tussen partijen moet worden verdeeld;
II. de verdeling van de tussen bestaande gemeenschap vaststelt zoals weergegeven in randnummer 4.10 van de dagvaarding, althans de verdeling vaststelt op een wijze die de rechtbank redelijk acht;
III. zoon gebiedt om binnen drie weken na dit vonnis de administratie, die hij heeft gevoerd voor de gemeenschap en onder zich heeft aan vader te verstrekken, waaronder financiële overzichten, financiële afschriften, een overzicht van bij- en afschrijvingen en betalingsopdrachten van de gezamenlijke rekeningen bij ING, een overzicht van alle huurinkomsten per verhuurde onroerende zaak en kopieën van huurovereenkomsten en documentatie over eventuele huurverhogingen of -verlagingen en informatie over het beheer van de gemeenschappelijke onroerende zaken vanaf januari 2018 tot en met maart 2025, op straffe van verbeurte van een dwangsom;
IV. zoon veroordeelt in de proceskosten.

4.2 Vader legt aan de vorderingen onder I en II ten grondslag dat tussen partijen een gemeenschap bestaat en dat vader belang heeft om deze te verdelen volgens de door hem voorgestelde wijze en die waarborgt dat beide deelgenoten een gelijkwaardig aandeel in de waarde van de gemeenschap krijgen. Zoon is gehouden mee te werken aan een onafhankelijke taxatie van de tot de gemeenschap behorende onroerende zaken.

4.3 Aan de vordering onder III legt vader ten grondslag dat zoon weigert rekening en verantwoording af te leggen over de periode van zoon het beheer over de gemeenschap heeft gevoerd, nu vader het vermoeden heeft dat hij structureel als deelgenoot van de gemeenschap door zoon is benadeeld. Vader heeft voldoende belang bij inzage in en afgifte van de administratie vanaf januari 2018 tot en met maart 2025.

4.4 Zoon voert verweer dat strekt tot afwijzing van de vorderingen en met veroordeling van vader in de proceskosten, vermeerderd met de wettelijke rente.

4.5 Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover nodig, nader ingegaan.

in voorwaardelijke reconventie

4.6 Zoon vordert – samengevat – dat de rechtbank bij vonnis, uitvoerbaar bij voorraad:
I. vader verbiedt om gedurende een periode van 18 maanden na dit vonnis een vordering bij de rechtbank in te stellen gericht op verdeling van de gemeenschap die is opgebouwd tussen vader en zoon en van de gemeenschap die is opgebouwd door vader en moeder;
II. vader veroordeelt om het sinds 2 juli 2025 door hem onverschuldigd ontvangen deel van moeder aan hem over te maken naar de bankrekening met nummer [bankrekening] op naam van [vader] en [zoon] ;
III. voor recht verklaart dat vader gehouden is om met ingang van 2 juli 2025 de erfgenamen van moeder 50% van de opbrengsten van de exploitatie dan wel verkoop van het onroerend goed dat is opgebouwd door vader en moeder uit te keren, nader op te maken bij staat;
IV. vader veroordeelt om met ingang van 2 juli 2005 aan de erfgenamen van moeder maandelijks als voorschot 50% van de opbrengsten van de exploitatie dan wel verkoop van het onroerende goed dat deel uitmaakt van de gemeenschap tussen vader en moeder uit te keren, een en ander onderbouwd met verificatoire bescheiden;
V. vader veroordeelt in de proceskosten, te vermeerderen met de wettelijke rente.

4.7 Aan deze vorderingen legt zoon – samengevat – het volgende ten grondslag.
Indien de rechtbank de vorderingen in conventie afwijst, verzoekt zoon de rechtbank een ‘standstill periode’ van 18 maanden in acht te nemen, zodat duidelijk wordt op welke manier het aandeel van moeder betrokken kan worden in de waardebepaling van de gemeenschap tussen vader en zoon enerzijds en vader en moeder anderzijds. Zoon heeft na het overlijden van moeder bij de verdeling van de huurinkomsten aan vader en aan hemzelf een percentage van 50% uitgekeerd. Dit is onjuist, omdat het aandeel van moeder aan haar erfgenamen had moeten worden uitgekeerd. Het deel dat door zoon aan vader onverschuldigd is betaald, moet worden terugbetaald op de gezamenlijke bankrekening. De erfgenamen van moeder maken vanaf 2 mei 2025 aanspraak op verdeling van de opbrengsten van de onroerende zaken die in de huwelijksgemeenschap tussen vader en moeder vielen.

4.8 vader voert verweer dat strekt tot afwijzing van de vorderingen en met veroordeling van zoon in de proceskosten, vermeerderd met de wettelijke rente.

4.9 Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover nodig, nader ingegaan.

5 De beoordeling

in conventie

5.1 Het gaat in deze zaak om de verdeling van de gemeenschap tussen vader en zoon Het meest vergaande verweer van zoon is dat vader niet-ontvankelijk in zijn vorderingen moet worden verklaard omdat sprake is van een ondeelbare rechtsverhouding en niet alle belanghebbenden in de procedure zijn opgeroepen (de exceptio plurium litis consortium). Volgens zoon valt het onverdeelde aandeel van vader in de gemeenschap in de huwelijkse gemeenschap tussen vader en moeder. Moeder heeft in haar testament haar drie kinderen tot enig erfgenaam benoemd. In die hoedanigheid maken de kinderen aanspraak op het onverdeelde aandeel van moeder in de huwelijkse gemeenschap. De dochters hadden volgens zoon in deze procedure moeten worden opgeroepen, omdat de beslissing over de verdeling van deze gemeenschap ook van invloed is op de afwikkeling van de nalatenschap.

Onverdeelde aandeel in huwelijksgemeenschap

5.2 De eerste vraag die de rechtbank dient te beantwoorden is of het onverdeelde aandeel van vader met betrekking tot de gemeenschappelijke onroerende zaken in de huwelijksgemeenschap tussen vader en moeder valt. Volgens vader heeft hij alle onroerende zaken aangekocht met de opbrengsten uit het door hem als veehandelaar uitgeoefende bedrijf. De onroerende zaken behoren op grond van artikel 8 van de huwelijkse voorwaarden daarom tot zijn privévermogen en niet tot de huwelijkse gemeenschap. Zoon heeft gemotiveerd weersproken dat het onroerend goed met de opbrengsten van de veehandel is gefinancierd. Volgens zoon is het onroerend goed gefinancierd door middel van (hypothecaire) leningen en zijn die leningen met de inkomsten uit verhuur terugbetaald. Ook al zou het onroerend goed met opbrengsten uit de veehandel zijn gefinancierd, dan vallen deze op grond van artikel 1 van de huwelijkse voorwaarden binnen de gemeenschap, omdat het niet gaat om zaken die deel uitmaken van het door vader uitgeoefende bedrijf van veehandelaar, aldus nog steeds zoon.

5.3 Het kan in het midden blijven op welke wijze de onroerende zaken zijn gefinancierd. Ook al zou het onroerend goed zijn gefinancierd met opbrengsten uit de veehandel, dan valt dit niet buiten het huwelijkse vermogen. De door vader voorgestane uitleg van de huwelijkse voorwaarden kan om de navolgende redenen geen stand houden.

5.4 Het is vaste rechtspraak van de Hoge Raad dat huwelijkse voorwaarden moeten worden uitgelegd aan de hand van de Haviltex-maatstaf. Bij de toepassing van deze maatstaf zijn niet alleen de bewoordingen van de huwelijkse voorwaarden van belang, maar komt het ook aan op de bedoeling die partijen over en weer redelijkerwijs aan de bepalingen mochten toekennen en hetgeen zij redelijkerwijs van elkaar mochten verwachten.

5.5 Uit artikel 1 van de huwelijkse voorwaarden volgt dat tussen vader en moeder sprake is van een gemeenschap van winst en verlies die alle goederen van de echtgenoten omvatte, met uitzondering van de zaken welke de echtgenoot bij de aanvang van de gemeenschap bezat. Uit de huwelijkse voorwaarden blijkt dat moeder niet beroepsmatig werkte en dat vader veehandelaar was. De rechtbank is van oordeel dat het niet voor de hand ligt dat partijen met artikel 1 en 8 hebben beoogd dat alle inkomsten die vader met zijn activiteiten als veehandelaar heeft ontvangen buiten de huwelijksgemeenschap zouden vallen. Artikel 1 zou anders feitelijk een betekenisloze bepaling zijn. De rechtbank gaat er daarom vanuit dat artikel 8 zo moet worden uitgelegd dat het alleen ziet op zaken die behoren tot het door vader uitgeoefende bedrijf van veehandelaar, zoals een transportmiddel, en niet op zaken die uit de opbrengst met de veehandel zijn verkregen, zoals onroerend goed. Vader en moeder hebben overigens ook altijd geleefd alsof het aandeel van vader in de gemeenschap binnen de huwelijkse gemeenschap viel. Moeder heeft jarenlang, tot eind 2021/begin 2022, de administratie gevoerd en heeft – nadat zij en vader apart zijn gaan wonen – 25% van de huurinkomsten uit de panden aan haarzelf uitgekeerd, 25% aan vader en 50% aan zoon. vader stelt dat hij tegen deze verdeelsleutel heeft geprotesteerd, maar hij heeft daarvan geen stukken overgelegd. De rechtbank gaat daarom aan deze stelling voorbij.

5.6 Het voorgaande betekent dat het onverdeelde aandeel van vader in de gemeenschappelijke onroerende zaken in de ontbonden huwelijksgemeenschap valt. In deze zin zou de in deze procedure genomen beslissing mogelijk feitelijk gevolgen kunnen hebben voor de verdeling van de nalatenschap van moeder. Van een processueel ondeelbare rechtsverhouding is echter om de navolgende redenen geen sprake.

5.7 De Hoge Raad heeft in 2017 beslist dat in geval van een vordering die een rechtsverhouding betreft waarbij het rechtens noodzakelijk is dat een beslissing daarover in dezelfde zin luidt als ten aanzien van alle bij die rechtsverhouding betrokkenen, de rechter de beslissing over de vordering slechts kan geven in een procedure waarin allen die bij die rechtsverhouding zijn betrokken, partij zijn, zodat de rechterlijke beslissing hen allen bindt.
Een rechtsverhouding is ondeelbaar wanneer het rechtens noodzakelijk is dat de beslissing ten aanzien van alle betrokkenen in dezelfde zin luidt. Deze zaak betreft een verdeling van de gemeenschap van de onroerende zaken tussen vader en zoon. De dochters zijn niet bij die rechtsverhouding betrokken. De nalatenschap van moeder betreft een aparte gemeenschap die nog moet worden vastgesteld en verdeeld. De verdelingsbeslissing in deze zaak zal de erfgenamen van moeder dan ook niet binden.

Verdeling van de gemeenschappelijke onroerende zaken

5.8 Volgens vader dient de nalatenschap te worden verdeeld. Vader stelt dat hij niet langer kan worden gedwongen tegen zijn wil deelgenoot te blijven van de gemeenschap, nu de relatie tussen partijen ernstig verstoord is geraakt.

5.9 Zoon voert aan dat geen sprake is van een noodzaak om op dit moment tot verdeling van de vastgoedportefeuille over te gaan. Volgens zoon is het praktischer om de verdeling van deze gemeenschap te combineren met de verdeling van de nalatenschap van moeder, nu het aandeel van vader in de vastgoedportefeuille (op indirecte wijze) ook gedeeltelijk in de nalatenschap van moeder valt.

5.10 Op grond van het bepaalde in artikel 3:178 lid 1 BW kan iedere deelgenoot in een gemeenschap te allen tijde verdeling vorderen. Een deelgenoot in een gemeenschap hoeft in beginsel niet tegen zijn wil in onverdeeldheid te blijven. vader is dus gerechtigd om in deze procedure verdeling van de onroerende zaken te vorderen. Dat zoon er de voorkeur aan geeft om de vastgoedportefeuille en de nalatenschap gezamenlijk af te wikkelen, is een onvoldoende zwaarwegend belang om de verdeling voor een bepaalde periode uit te sluiten. Bovendien is tijdens de mondelinge behandeling gebleken dat de omvang van de nalatenschap nog niet is vastgesteld, zodat het vooralsnog onduidelijk is op welke termijn de nalatenschap kan worden afgewikkeld. Vader hoeft dit niet af te wachten.

5.11 Gelet op het bepaalde in artikel 3:185 BW kan de rechter de verdeling vaststellen of de wijze van verdeling gelasten. vader vordert dat de rechtbank de verdeling vaststelt, althans de wijze van verdeling gelast, op de door hem in de dagvaarding voorgestelde wijze van verdeling, namelijk door toedeling van de volgende twee panden aan zoon:
[onroerende zaak 2]
[onroerende zaak 8]
en de volgende zes panden aan vader:
[onroerende zaak 3]
[onroerende zaak 1]
[onroerende zaak 4]
[onroerende zaak 5]
[onroerende zaak 6]
[onroerende zaak 7]

5.12 Vader stelt zich op het standpunt dat het redelijk is om zes panden aan hem en twee panden aan zoon toe te delen. Vader wil een aantal horecapanden hebben. Hij stelt dat bij de door hem in de dagvaarding voorgestelde verdeling ‘de waarde in stenen’ van de panden gelijk is. Zoon stelt daartegenover dat met de verdeling van de gemeenschap de zakelijke banden met vader moeten worden doorgesneden. Zoon stelt dat hij een aantal panden voor zijn uitzendbureau gebruikt. Hij heeft tijdens de mondelinge behandeling naar voren gebracht dat hij volgende panden zou willen hebben:
[onroerende zaak 5]
[onroerende zaak 2]
[onroerende zaak 8]
[onroerende zaak 4]
[onroerende zaak 3]
[onroerende zaak 6]

5.13 Bij het vaststellen van de verdeling dient de rechter naar billijkheid rekening houden met zowel de belangen van vader als de belangen van zoon. De rechtbank dient dus een belangenafweging te maken. Tegen die achtergrond overweegt de rechtbank als volgt.

5.14 Het belang van vader om de zakelijke relatie met zoon te beëindigen weegt zwaarder dan het belang van zoon, nu gebleken is dat de persoonlijke en zakelijke verhouding tussen partijen ernstig verstoord is. Als vader mede de panden krijgt toebedeeld die door het uitzendbureau worden gehuurd, blijven vader en zoon zakelijk tot elkaar veroordeeld, en kunnen er weer nieuwe conflicten ontstaan. De rechtbank acht het daarom redelijk dat de panden die zoon voor zijn uitzendbureau gebruikt aan hem worden toebedeeld. Vader wordt door deze wijze van verdeling ook niet benadeeld. Zoon heeft tijdens de mondelinge behandeling weliswaar erkend dat de panden die hij graag toebedeeld wil krijgen naar verwachting meer dan de helft van de waarde van de vastgoedportefeuille zullen vertegenwoordigen, maar daar staat tegenover dat vader een vordering uit hoofde van onderbedeling verkrijgt. De rechtbank is daarom voornemens om aan zoon toe te bedelen de panden die hij tijdens de mondelinge behandeling heeft genoemd (zie onder rov. 5.12). Aan vader zullen de panden aan de [onroerende zaak 1] , de [onroerende zaak 4] en [onroerende zaak 7] worden toebedeeld.

5.15 De rechtbank zal als wijze van verdeling bepalen dat partijen opdracht dienen te geven voor een taxatie van alle panden met als peildatum de datum van het vonnis. Vader heeft tijdens de mondelinge behandeling als taxateur Dupree Makelaars te Reeuwijk voorgesteld. Zoon heeft tegen de door vader voorgestelde taxateur geen bezwaar gemaakt. Partijen zal daarom worden bevolen om gezamenlijk een opdracht te verstrekken aan Dupree Makelaars tot een gezamenlijke taxatie van de panden, waarbij partijen gezamenlijk de kosten van de taxatie, ieder voor de helft, moeten dragen. Tijdens de mondelinge behandeling hebben partijen aangegeven dat zij zich nog willen uitlaten over de taxatierapporten. De rechtbank zal partijen daarom in de gelegenheid stellen om zich bij akte over de taxatierapporten uit te laten. De rechtbank kan een definitieve onder- of overbedeling van één van partijen dus pas beoordelen in een eindvonnis. De zaak zal daarom worden aangehouden.

5.16 Ten slotte vraagt de rechtbank de aandacht van partijen voor het volgende. Vader vordert verdeling van de onroerende zaken die vermeld zijn in randnummer 4.10. van de dagvaarding. In de conclusie van antwoord in reconventie is onder randnummer 2.2. vermeld dat tevens tot de vastgoedportefeuille behoort de [onroerende zaak 2] en de [onroerende zaak 8] . Het is de rechtbank niet duidelijk of in de conclusie van antwoord in reconventie sprake is van een verschrijving, of dat partijen beogen dat de rechtbank zich ook uitspreekt over de verdeling van deze twee gemeenschappelijke onroerende zaken. Indien dit laatste de bedoeling is, dient ook ten aanzien van de [onroerende zaak 2] en de [onroerende zaak 8] de waarde overeenkomstig het bepaalde in rov. 5.15 te worden vastgesteld. De rechtbank verwacht van partijen dat zij in de nadere akte tevens zullen verduidelijken wat van de rechtbank op dit punt wordt verlangd.

Rekening en verantwoording gevoerde beheer – inzage en openlegging administratie

5.17 Op grond van artikel 3:173 BW kan ieder der deelgenoten van degene onder hen die voor de overigen beheer heeft gevoerd jaarlijks en in ieder geval bij het einde van het beheer rekening en verantwoording vorderen.

5.18 Tussen partijen is in discussie of zoon het beheer namens de gemeenschap heeft gevoerd.

5.19 Volgens vader heeft zoon geen periodieke rekening en verantwoording afgelegd van het door hem gevoerde beheer van de in mede-eigendom gehouden onroerende zaken. Zoon betwist dat hij het beheer namens de gemeenschap heeft gevoerd.

5.20 Tussen partijen is niet in geschil dat zoon vanaf eind 2021/begin 2022 de rol van moeder heeft overgenomen. Zoon heeft tijdens de mondelinge behandeling onweersproken toegelicht dat hij de maandelijks de facturen betaalt die binnenkomen op het gemeenschappelijke e-mailadres en dat vader facturen betaalt met betrekking tot de gemeentelijke belastingen en van Oase voor waterverbruik. Vader heeft erkend dat hij toegang tot de gemeenschappelijke bankrekening heeft. Tijdens de mondelinge behandeling is gebleken dat één van de dochters vader ondersteunt bij zijn administratie en dat zij kan inloggen op de app van de bank om inzage te verkrijgen in de gemeenschappelijke bankrekening. Vader heeft de contacten met de huurders onderhouden. Onvoldoende weersproken is dat vader toegang heeft tot de gemeenschappelijke e-mail. Op grond van deze feiten en omstandigheden kan niet worden gezegd dat zoon (met uitsluiting van vader) het beheer van de gemeenschap heeft gevoerd. De rechtbank ziet dan ook geen aanleiding om van zoon te verlangen dat hij rekening en verantwoording aan vader aflegt.

5.21 Voor zover zoon gehouden zou zijn inzage te verstrekken in de administratie die hij onder zich heeft, heeft zoon dat gedaan door het in het geding brengen van de inhoud van de ordners die hij onder zich heeft vanaf 2022 tot juni 2025 als producties 2 en 3 bij de conclusie van antwoord in conventie.

5.22 De rechtbank is daarom voornemens om bij eindvonnis vordering III af te wijzen.

5.23 Iedere verdere beslissing wordt aangehouden.

in reconventie

5.24 Gelet op hetgeen hiervoor onder 5.10. is overwogen, zal het door zoon gevorderde verbod om verdeling van de gemeenschap te vorderen onder 4.8. sub I worden afgewezen.

5.25 Zoon heeft de vordering onder 4.8. sub II ingetrokken.

Afdracht inkomsten onroerend goed aan erfgenamen

5.26 Met betrekking tot de vorderingen onder 4.8. sub III en sub IV overweegt de rechtbank dat zoon deze vorderingen als erfgenaam heeft ingesteld. Zoon is niet bevoegd om deze vorderingen als erfgenaam in te stellen, omdat de executeur van de nalatenschap van moeder privatief bevoegd is om de nalatenschap te vertegenwoordigen. Voor zover zoon zich op het standpunt stelt dat hij deze vorderingen als executeur heeft ingesteld geldt dat hij niet in die hoedanigheid is gedagvaard en hij dus ook niet in die hoedanigheid een vordering in reconventie kan instellen. Bovendien geldt op grond van het testament van moeder dat zoon niet alleen als executeur de nalatenschap mag vertegenwoordigen, maar uitsluitend samen met één van de dochters. Zoon zal daarom bij eindvonnis in dit gedeelte van de vordering niet-ontvankelijk worden verklaard.

5.27 Iedere verdere beslissing wordt aangehouden.

6 De beslissing

De rechtbank

in conventie

6.1 bepaalt dat partijen binnen twee weken na heden de opdracht geven aan [makelaar] om alle gemeenschappelijke onroerende zaken te taxeren en de waarde te bepalen met als peildatum de datum van dit vonnis, waarbij partijen gehouden zijn hun volledige medewerking aan de taxaties te verlenen,

6.2 bepaalt dat als één van de partijen niet na daartoe schriftelijk te zijn aangemaand meewerkt aan de hierboven onder rechtsoverweging 6.1 omschreven opdrachtverstrekking, de andere partij als vertegenwoordiger in de zin van artikel 3:300 lid 1 BW bevoegd is om namens beide partijen de opdracht aan de makelaar te geven,

6.3 bepaalt dat de kosten voor de taxaties door partijen ieder voor de helft worden gedragen,

6.4 bepaalt dat de zaak weer op de rol zal komen van woensdag 29 april 2026 voor het nemen van een akte door beide partijen over wat is vermeld onder rechtsoverweging 5.15. en 5.16,

6.5 houdt iedere verdere beslissing aan,

in reconventie

6.6 houdt iedere verdere beslissing aan.
Dit vonnis is gewezen door mr. J.J. Kuipers en in het openbaar uitgesproken op 18 februari 2026.

Aangehaalde artikelen

Aangehaalde uitspraken