Rb. Den Haag 5 oktober 2026, ECLI:NL:RBDHA:2026:29555

Beroep op artikel 8 EVRM (privéleven). Tegenstrijdige belangenafweging. De minister stelt enerzijds dat het in het voordeel van eiseres en de kinderen meeweegt dat de kinderen in Nederland naar school gaan, maar stelt anderzijds dat de omstandigheid dat de kinderen hier naar school gaan en hier sociale contacten zijn aangegaan inherent is aan een langdurig verblijf in Nederland en daarmee niet bijzonder is. Belangenafweging is daarnaast in strijd met de uitspraken van de Afdeling van 1 juli 2026, waaruit volgt dat de minister aanzienlijk gewicht moet toekennen aan de schoolgang, contacten en activiteiten van een minderjarige vreemdeling, bezien vanuit het belang van het kind. De minister moet de belangen van de kinderen nader onderzoeken en een nieuw besluit met een nieuwe belangenafweging maken. Bereoep gegrond, vovo afgewezen.

De uitspraak op rechtspraak.nl

Tekst

RECHTBANK DEN HAAG
Zittingsplaats Amsterdam
Bestuursrecht
Zaaknummers: NL25.13333 (beroep)
NL24.1404 (voorlopige voorziening)
V-nummer: [v-nummer 1]
[v-nummer 2]
[v-nummer 3]
uitspraak van de enkelvoudige kamer en de voorzieningenrechter in de zaken tussen
[eiseres] , geboren op [geboortedag 1] 1990, eiseres en verzoekster (hierna: eiseres),
mede namens haar minderjarige kinderen,
[minderjarige 1], geboren op [geboortedag 2] 2015,
[minderjarige 2] , geboren op [geboortedag 3] 2018,
allen van Albanese nationaliteit
(gemachtigde: mr. V. Sarkisian),
en
de minister van Asiel en Migratie, verweerder (hierna: de minister)
(gemachtigde: mr. C. van Es).

Samenvatting

1 Deze uitspraak gaat over de afwijzing van de aanvraag van eiseres voor een verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd voor haarzelf en haar kinderen. Eiseres is het niet eens met de afwijzing van de aanvraag. Zij voert daartoe een aantal beroepsgronden aan. Aan de hand van deze beroepsgronden beoordeelt de rechtbank de afwijzing van de aanvraag.

1.1 De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat het bestreden besluit niet in stand kan blijven. Eiseres krijgt dus gelijk en het beroep is dus gegrond. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.

1.2 Onder 2 staat het procesverloop in deze zaak. Onder 3 staan de omstandigheden die hebben geleid tot het bestreden besluit. Onder 4 staat een samenvatting van het kindgesprek dat de rechtbank met [minderjarige 1] heeft gevoerd over de zaak. Onder 5 staat het bestreden besluit. Onder 6 staan de gronden. Onder 7 staat een bespreking van relevante jurisprudentie. De beoordeling door de rechtbank volgt vanaf 8. Aan het eind staat de beslissing van de rechtbank en de gevolgen daarvan.

Procesverloop

2 Op 9 september 2023 heeft eiseres voor haarzelf en haar kinderen een aanvraag ingediend voor een verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd onder de beperking ‘humanitair niet-tijdelijk’ op grond van privéleven in de zin van artikel 8 van het EVRM. De minister heeft deze aanvraag met het besluit van 18 december 2023 afgewezen. Eiseres heeft hier bezwaar tegen gemaakt. Met het bestreden besluit van 20 februari 2025 op het bezwaar van eiseres is de minister bij de afwijzing van de aanvraag gebleven.

2.1 Eiseres heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit en een verzoek om een voorlopige voorziening ingediend, ertoe strekkende dat zij de uitspraak op haar beroep in Nederland mag afwachten.

2.2 Op 25 augustus 2026 heeft de rechtbank de minister verzocht om een reactie te geven op de (aanvullende) gronden van beroep. De minister heeft deze reactie op 1 september 2026 gegeven.

2.3 Eiseres is wegens betalingsonmacht vrijgesteld van de verplichting om griffierecht te betalen.

2.4 De rechtbank/voorzieningenrechter heeft het beroep en het verzoek om een voorlopige voorziening op 3 september 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiseres, de gemachtigde van eiseres, L. Visser als tolk in de taal Albanees en de gemachtigde van de minister.

2.5 De rechtbank heeft de dochter van eiseres, [minderjarige 1], in de gelegenheid gesteld haar mening te geven over de voorliggende zaak. [minderjarige 1] heeft de ochtend van 3 september 2026, voorafgaand aan de zitting, van deze gelegenheid gebruik gemaakt door middel van een kindgesprek met de behandelend rechter en griffier. Een samenvatting van dit kindgesprek is opgenomen onder 4. Als bijlage bij deze uitspraak is een uitleg van deze uitspraak voor [minderjarige 1] opgenomen.

Beoordeling door de rechtbank

Achtergrond

3 Eiseres is in 2017 naar Nederland gekomen met haar toenmalige echtgenoot, tevens de vader van haar kinderen. Haar dochter [minderjarige 1] was op dat moment zeventien maanden oud. In 2018 is haar zoon [minderjarige 2] in Nederland geboren. In 2019 is eiseres gescheiden. Haar voormalig echtgenoot is teruggekeerd naar Albanië. Eiseres en haar kinderen zijn in Nederland gebleven. De kinderen zijn hier opgegroeid en gaan hier naar school. Eiseres en haar kinderen hebben nooit rechtmatig verblijf gehad in Nederland.

Samenvatting kindgesprek

4 [minderjarige 1] heeft verteld dat zij met haar moeder en broertje [minderjarige 2] woont. [minderjarige 1] spreekt maar een paar woorden Albanees. Als ze een gesprek moet voeren in het Albanees moet ze veel Nederlandse en Engelse woorden gebruiken. Met haar moeder spreekt ze Nederlands of Engels, het liefst Nederlands omdat haar moeder de taal graag beter wil leren spreken. Haar broertje [minderjarige 2] spreekt geen Albanees, met hem spreekt ze Nederlands. Als ze belt met haar familieleden in Albanië spreekt ze Engels met hen. Haar vader spreekt ze af en toe, ongeveer eens in de twee weken per telefoon. Eens in de twee of drie maanden komt hij een dagje op bezoek vanuit Albanië. Haar opa in Albanië spreekt ze ongeveer twee keer per week, ook per telefoon. Ze vindt het belangrijk om te weten hoe het met hem gaat. [minderjarige 1] heeft vriendinnen met wie ze graag afspreekt. Ze zit nu in groep acht van de basisschool en wil straks graag naar het [school].

4.1 [minderjarige 1] heeft thuis nooit echt gesproken over de verblijfsstatus van het gezin. Ze vindt het een raar idee om terug te gaan naar Albanië, ze kan zich dit niet voorstellen. Er is volgens haar niets om naartoe terug te keren. Ze heeft geen herinneringen aan Albanië. Toen ze drie of vier was is ze een keer bij haar opa in Albanië geweest, maar ook van dat bezoek kan ze zich weinig herinneren. [minderjarige 1] maakt zich zorgen over hoe het zou gaan op school in Albanië, omdat ze de taal niet spreekt. Ook heeft het gezin geen huis in Albanië. [minderjarige 1] heeft een tijd gesprekken gehad met iemand van het Ouder- en Kindteam Amsterdam over deze zorgen. Deze gesprekken zijn gestopt. [minderjarige 1] dacht dat het niet meer nodig was omdat het beter met haar ging.

4.2 [minderjarige 1] heeft een aantal invallen van de vreemdelingenpolitie meegemaakt. Daar is ze erg van geschrokken. Na zo’n inval kon ze vaak een week of twee niet goed slapen, waardoor ze op school erg moe was en zich slecht kon concentreren.
Bestreden besluit
5. Met het bestreden besluit heeft de minister het bezwaar van eiseres tegen de afwijzing van haar aanvraag ongegrond verklaard. Volgens de minister is de aanvraag terecht afgewezen, omdat eiseres en haar kinderen geen machtiging tot voorlopig verblijf (mvv) hebben. Zij komen ook niet in aanmerking voor vrijstelling van het mvv-vereiste. Zij komen ten eerste niet in aanmerking voor vrijstelling op medische gronden. Hoewel er wel is aangevoerd dat [minderjarige 1] medische problemen heeft, is er geen volledig medisch dossier van haar overgelegd. Er is enkel een verklaring van de ouder-kind-adviseur overgelegd van 28 januari 2025 en een ongedateerde verklaring van de orthopedagoog-generalist. Er kon daarom niet worden beoordeeld of [minderjarige 1] in aanmerking komt voor vrijstelling van het mvv-vereiste op medische gronden. Ten tweede komen eiseres en haar kinderen niet in aanmerking voor vrijstelling op grond van familie- of gezinsleven in de zin van artikel 8 van het EVRM, omdat zij bij uitzetting niet van elkaar worden gescheiden. Er wordt daarom geen inbreuk gemaakt op artikel 8 van het EVRM met de afwijzing. Ten derde komen eiseres en haar kinderen ook niet in aanmerking voor vrijstelling op grond van privéleven in de zin van artikel 8 van het EVRM. Zij hebben weliswaar privéleven in Nederland, maar de belangenafweging is in hun nadeel uitgevallen. Hoewel [minderjarige 1] langer in Nederland verblijft dan in Albanië en [minderjarige 2] hier is geboren, is niet gebleken dat hun sociale en maatschappelijke banden met Nederland zo sterk zijn dat een verblijf in Albanië niet mogelijk zou zijn.
Gronden van beroep
6. Eiseres voert aan dat de minister de belangen van de kinderen onvoldoende heeft onderzocht en hier onvoldoende gewicht aan heeft toegekend in de belangenafweging. De kinderen zijn hier opgegroeid en hebben hier een belangrijk deel van hun identiteitsontwikkeling doorgemaakt. Hun sociale netwerk is hier en zij gaan ook hier naar school. Bovendien heeft [minderjarige 1] in Nederland begeleiding gehad voor haar medische en psychische klachten, wat haar band met Nederland nog verder versterkt. Eiseres verwijst ook naar de uitspraak van de Afdeling van 1 juli 2026.
De uitspraken van de Afdeling van 1 juli 2026 en het standpunt van de minister
7. De Afdeling heeft op 1 juli 2026 drie uitspraken gedaan, waaronder de uitspraak waar eiseres in haar gronden van beroep naar verwijst. In deze uitspraken heeft de Afdeling als volgt overwogen (onderstreping door de rechtbank):
“4. Uit vaste rechtspraak van het EHRM volgt dat de minister een ‘fair balance’ moet vinden tussen het belang van een vreemdeling bij voortzetting van privéleven in Nederland en het belang van Nederland bij een beperkt toelatingsbeleid (arrest van 31 januari 2006, Rodrigues Da Silva en Hoogkamer tegen Nederland, ECLI:CE:ECHR:2006:0131JUD005043599, paragraaf 39). De minister moet alle voor de belangenafweging relevante feiten en omstandigheden kenbaar in zijn beoordeling betrekken. Daarbij is een belangrijke overweging of een vreemdeling zijn privéleven in Nederland opbouwt, terwijl die vreemdeling zich ervan bewust is dat zijn verblijfsstatus maakt dat de voortzetting van zijn privéleven vanaf het begin onzeker is (arrest van 28 juli 2020, Pormes tegen Nederland, ECLI:CE:ECHR:2020:0728JUD002540214, paragrafen 57, 58 en 60). Als dat het geval is, dan leidt afwijzing van een aanvraag van die vreemdeling om aan hem verblijf toe te staan alleen in uitzonderlijke omstandigheden tot een schending van artikel 8 van het EVRM.

4.1 Verder heeft het EHRM aangenomen dat zwaarwegende redenen van migratiebeleid er in beginsel voor pleiten om het gedrag van ouders aan hun kinderen toe te rekenen, want anders bestaat een risico dat ouders de situatie van hun kinderen gebruiken (‘exploit’) om een verblijfsrecht voor zichzelf en hun kinderen te verzekeren (arrest van 4 december 2012, Butt tegen Noorwegen, ECLI:CE:ECHR:2012:1204JUD004701709, paragraaf 79, en het arrest Pormes, paragraaf 57). Het feit dat een ouder zich ervan bewust was dat voortzetting van zijn privéleven in Nederland vanaf het begin van dat privéleven onzeker was, kan er dus door toerekening voor zorgen dat de afwijzing van de aanvraag van zijn kinderen alleen in uitzonderlijke omstandigheden tot een schending van artikel 8 van het EVRM leidt, ook al waren die kinderen zich niet bewust van die situatie.

4.2 Voor de beoordeling of zulke uitzonderlijke omstandigheden bestaan, acht het EHRM niet automatisch doorslaggevend dat een verdragsstaat het gedrag van een ouder mag toerekenen aan een kind (zie het arrest Butt, paragraaf 80). Ondanks die toerekening, kunnen individuele omstandigheden er namelijk voor pleiten om kinderen niet de nadelige gevolgen van het gedrag van hun ouders te laten ondervinden en om daarom aan te nemen dat zich uitzonderlijke omstandigheden voordoen (zie het arrest Butt, paragrafen 86 en 90). Daarbij kan gelet op het arrest Butt bijvoorbeeld van belang zijn dat niet langer een risico bestaat dat een ouder de situatie van zijn kind gebruikt voor een beoogd verblijfsrecht (zie het arrest Butt, paragraaf 80), welke banden kinderen hebben opgebouwd in een verdragsstaat en of zij daarbij wisten van hun onrechtmatig verblijf, in welke mate de autoriteiten van de verdragsstaat hebben gewerkt aan het vertrek van betrokkenen uit die verdragsstaat, wat de banden van de kinderen zijn met het land waarnaar zij volgens de verdragsstaat moeten terugkeren en wat de duur is van het verblijf in de verdragsstaat.

4.3 Voor de beoordeling of uitzonderlijke omstandigheden bestaan, vindt het EHRM verder het belang van het kind relevant. Zoals volgt uit vaste rechtspraak van het EHRM, moet de minister in alle besluiten over kinderen aanzienlijk gewicht toekennen aan hun belangen, hoewel die belangen op zichzelf niet doorslaggevend zijn (arresten van 28 juni 2011, Nunez tegen Noorwegen, ECLI:CE:ECHR:2011:0628JUD005559709, paragraaf 78, 24 juli 2014, Kaplan e.a. tegen Noorwegen, ECLI:CE:ECHR:2014:0724JUD003250411, paragrafen 88 en 98, en 3 oktober 2014, Jeunesse tegen Nederland, ECLI:CE:ECHR:2014:1003JUD001273810, paragraaf 109).

4.4 Gelet op de specifieke omstandigheden van de verzoekers in het arrest Butt, volgt uit dat arrest op zichzelf niet in welke individuele gevallen de minister verplicht is om uitzonderlijke omstandigheden aan te nemen. Uit dat arrest volgt wel dat de minister voor een ‘fair balance’ van de belangenafweging zorgvuldig moet onderzoeken en deugdelijk moet motiveren of zich uitzonderlijke omstandigheden voordoen aan de hand van de door betrokkenen aangevoerde omstandigheden. De Afdeling toetst het oordeel van de rechtbank over de vraag of de minister zijn beoordeling op die wijze heeft gemaakt, aan de hand van de grieven van partijen in hoger beroep. De Afdeling ziet er bij die toets uitdrukkelijk op toe dat de minister heeft laten zien dat hij aanzienlijk gewicht heeft toegekend aan het belang van het kind door rekening te houden met omstandigheden die ervoor kunnen pleiten om kinderen niet de nadelige gevolgen van het gedrag van ouders te laten ondervinden. Het belang van het kind kan onder meer volgen uit de banden van een kind met Nederland. Gelet daarop volgt de Afdeling de minister niet langer in zijn standpunt dat door vreemdelingen aangevoerde omstandigheden over de banden van kinderen met Nederland weliswaar in hun voordeel wegen, maar deze omstandigheden toch niet doorslaggevend kunnen zijn voor de uitkomst van de belangenafweging om de enkele reden dat die kinderen deze banden hebben opgebouwd tijdens langdurig onrechtmatig verblijf.”

7.1 In de uitspraak van ECLI-nummer ECLI:NL:RVS:2026:3816 heeft de Afdeling daarnaast overwogen (onderstreping rechtbank):
“7.1. De minister heeft in zijn weging van omstandigheden minder gewicht toegekend aan omstandigheden die informatie geven over het belang van het kind, alleen al omdat die omstandigheden inherent zijn aan langdurig onrechtmatig verblijf. Daarmee kent de minister in de belangenafweging, ongeacht de individuele omstandigheden, teveel gewicht toe aan dat onrechtmatig verblijf en te weinig aan het belang van de kinderen. Dat doet geen recht aan de rechtspraak van het EHRM zoals hiervoor uiteengezet onder 6 tot en met 6.4. Zoals de Afdeling eerder heeft overwogen, moet de minister aanzienlijk gewicht toekennen aan de schoolgang, contacten en activiteiten van een minderjarige vreemdeling, bezien vanuit het belang van het kind (uitspraak van de Afdeling van 7 april 2022, ECLI:NL:RVS:2022:1030, onder 3.1).”

7.2 De rechtbank heeft de minister om een reactie gevraagd op de uitspraken van 1 juli 2026. In een verweerschrift van 1 september 2026 en tijdens de zitting heeft de minister zich primair op het standpunt gesteld dat de uitspraken van de Afdeling van 1 juli 2026 in strijd zijn met rechtspraak van het EHRM. In het arrest Arvelo Aponte t. Nederland van 3 november 2011 heeft het EHRM namelijk geoordeeld dat bij het wegen van de duur van het verblijf in het kader van artikel 8 van het EVRM, onderscheid gemaakt moet worden tussen rechtmatig verblijf dat niet louter procedureel is en niet-rechtmatig of louter procedureel rechtmatig verblijf. Uit rechtspraak van het EHRM kan niet worden afgeleid dat dit uitgangspunt niet zou gelden in het geval van kinderen. Subsidiair heeft de minister zich op het standpunt gesteld dat de uitspraken van 1 juli 2026 ruimte laten om nader te motiveren waarom aan het belang van het kind geen doorslaggevend gewicht toekomt. In dat kader heeft de minister gewezen op het belang dat de Nederlandse Staat heeft bij het voeren van een restrictief toelatingsbeleid en het recht op een gelijke behandeling van andere kinderen en vreemdelingen die zich wel aan de regels van het Nederlandse migratiebeleid houden.
Oordeel van de rechtbank
8. De rechtbank is van oordeel dat het bestreden besluit niet in stand kan blijven omdat de belangenafweging op grond van artikel 8 van het EVRM onvoldoende zorgvuldig tot stand is gekomen en gebrekkig is gemotiveerd. De minister zal een nieuw besluit moeten nemen. De rechtbank legt dit oordeel hierna uit.
Tegenstrijdigheid
9. Ten eerste bevat de gemaakte belangenafweging een tegenstrijdigheid. De minister begint de belangenafweging namelijk met de vaststelling dat het in het voordeel van eiseres en de kinderen meeweegt dat de kinderen in Nederland naar school gaan. Verderop in de belangenafweging stelt de minister zich echter op het standpunt dat de omstandigheid dat de kinderen hier naar school gaan en hier sociale contacten zijn aangegaan inherent is aan een langdurig verblijf in Nederland en daarmee niet bijzonder is. Verderop in de belangenafweging herhaalt de minister dat dit geen bijzondere omstandigheid betreft.

9.1 Tijdens de zitting heeft de gemachtigde van de minister desgevraagd toegelicht dat dit niet tegenstrijdig is. Volgens de gemachtigde van de minister moet de belangenafweging zo begrepen worden, dat de omstandigheid dat de kinderen hier naar school gaan in het voordeel wordt meegewogen, maar dat de sociale en maatschappelijke banden die zij hier hebben opgedaan in het nadeel worden meegewogen omdat deze zijn opgebouwd tijdens illegaal verblijf. De rechtbank ziet niet in hoe de schoolgang van de kinderen los gezien kan worden van de sociale en maatschappelijke banden die zij hier hebben opgebouwd. Nu het leven van de kinderen zich voor een groot deel op school afspeelt, vormt de schoolgang juist een belangrijk onderdeel van die banden. De rechtbank volgt de toelichting van de gemachtigde van de minister daarom niet. Nu (de gemachtigde van) de minister de tegenstrijdigheid in de belangenafweging ook niet op een andere wijze middels toelichting heeft weggenomen, is het bestreden besluit alleen daarom al gebrekkig gemotiveerd.
Strijd met de uitspraken van de Afdeling
10. Ten tweede is de gemaakte belangenafweging in strijd met de uitspraken van de Afdeling van 1 juli 2026. Uit deze uitspraken volgt immers dat de minister aanzienlijk gewicht moet toekennen aan de schoolgang, contacten en activiteiten van een minderjarige vreemdeling, bezien vanuit het belang van het kind. De minister heeft zich echter – zoals hiervoor al besproken – in de belangenafweging op het standpunt gesteld dat de maatschappelijke banden die de kinderen hebben opgebouwd doordat zij hier zijn opgegroeid, hier naar school gaan en hier sociale contacten hebben, niet bijzonder zijn omdat dit inherent is aan hun langdurige verblijf in Nederland. Daarnaast heeft de minister zich op het standpunt gesteld dat de maatschappelijke banden van de kinderen zijn opgebouwd tijdens illegaal verblijf, waardoor dit “voor eigen rekening en risico” komt. De minister heeft daarmee te veel gewicht toegekend aan het onrechtmatige verblijf en te weinig aan de belangen van [minderjarige 1] en [minderjarige 2]. De minister heeft hun belangen onvoldoende zorgvuldig onderzocht en betrokken in de belangenafweging. Ook om deze reden is het bestreden besluit onzorgvuldig voorbereid en gebrekkig gemotiveerd.

10.1 De rechtbank volgt de minister niet in zijn in het verweerschrift ingenomen (primaire) standpunt dat de uitspraken van de Afdeling van 1 juli 2026 in strijd zijn met het arrest in de zaak Arvelo Aponte t. Nederland van het EHRM, omdat daarin onderscheid wordt gemaakt tussen rechtmatig en niet-rechtmatig verblijf en dit onderscheid ook bij kinderen gemaakt mag worden. Het EHRM heeft na de zaak Arvelo Arponte t. Nederland in meerdere arresten geoordeeld dat er aanzienlijk gewicht toekomt aan de belangen van het kind en dat illegaal verblijf van de ouder niet altijd en zonder meer toegerekend kan worden aan het kind. In de uitspraken van de Afdeling van 1 juli 2026 wordt ook naar deze arresten verwezen. Daar komt nog bij dat de feiten in de zaak Arvelo Aponte t. Nederland wezenlijk verschillen van die in de onderhavige zaak. Die zaak draaide om de afwijzing van een verblijfsaanvraag en de ongewenstverklaring van een vreemdeling wegens een eerdere (verzwegen) veroordeling wegens cocaïnesmokkel. Hangende het bezwaar van de vreemdeling hiertegen kreeg zij een kind. Toen het kind vier maanden oud was werd het beroep van de vreemdeling tegen de ongegrondverklaring van het bezwaar ook ongegrond verklaard. Toen het kind tien maanden oud was werd het hoger beroep van de vreemdeling ook ongegrond verklaard. In die zaak speelden dus openbare-orde-perikelen en was het betrokken kind nog zeer jong. In de onderhavige zaak spelen geen openbare-orde-perikelen, zijn de betrokken kinderen veel ouder en hebben zij een wezenlijk deel van hun identiteitsvorming in Nederland doorlopen.

10.2 De rechtbank volgt de minister ook niet in de (subsidiaire) aanvulling van de belangenafweging die in het verweerschrift van 1 september 2026 is gegeven. In deze aanvulling heeft de minister enkel gewezen op het belang dat de Nederlandse Staat heeft bij het voeren van een restrictief toelatingsbeleid en het recht dat andere kinderen en vreemdelingen die zich wel aan de regels van het Nederlandse migratiebeleid houden hebben op een gelijke behandeling. Met deze aanvulling is de minister nog steeds niet gemotiveerd ingegaan op de belangen van [minderjarige 1] en [minderjarige 2] en heeft de minister ook niet gemotiveerd waarom aan deze belangen geen aanzienlijk gewicht toekomt.
Stress- en traumaklachten [minderjarige 1]
11. Wat betreft de belangen van de kinderen, specifiek die van [minderjarige 1], overweegt de rechtbank nog het volgende. [minderjarige 1] heeft vanaf 2021 tot en met 2024 af-en-aan begeleiding en gespreksbehandeling gekregen via het Ouder- en Kindteam Amsterdam vanwege stressgerelateerde klachten als gevolg van de onzekere situatie waarin zij verkeerde en nog steeds verkeert. Specifiek is daarbij aandacht besteed aan een trauma dat [minderjarige 1] heeft opgelopen als gevolg van de politie-invallen die zij heeft meegemaakt. [minderjarige 1] heeft zelf verklaard dat deze gesprekken op gegeven moment zijn gestopt omdat het beter met haar ging en zij dacht dat het niet meer nodig was. Op de zitting hebben eiseres en haar gemachtigde hierover echter verklaard dat deze gesprekken gestopt zijn omdat de benodigde stabiliteit voor verdere behandeling ontbrak. Dit volgt ook uit de in bezwaar overgelegde verklaringen van de adviseur en orthopedagoog-generalist van het Ouder- en Kindteam Amsterdam. De gemachtigde van eiseres heeft daarnaast toegelicht dat het nu ook rustiger is voor [minderjarige 1] omdat hij aan haar heeft uitgelegd dat ze in ieder geval de uitspraak van de rechtbank op het beroep mag afwachten en tot die tijd dus niet hoeft te verhuizen, maar dat het trauma van [minderjarige 1] daarmee niet weg is. Gelet op dit alles geeft de rechtbank aan de minister mee dat bij het nieuw te nemen besluit de stress- en traumagerelateerde klachten die [minderjarige 1] heeft (gehad) ook betrokken zullen moeten worden in de belangenafweging.

Conclusie en gevolgen

12 Het beroep is gegrond omdat het bestreden besluit in strijd is met het zorgvuldigheidsbeginsel en het motiveringsbeginsel. De rechtbank vernietigt daarom het bestreden besluit. De rechtbank ziet geen reden om de rechtsgevolgen van het besluit in stand te laten. De rechtbank ziet ook geen aanleiding om zelf een beslissing over de aanvraag van eiseres en haar kinderen te nemen. Ook draagt de rechtbank niet aan de minister op om het gebrek te herstellen met een betere motivering of een ander besluit (een zogenoemde bestuurlijke lus). Dit omdat de minister eerst nader onderzoek moet doen naar de belangen van [minderjarige 1] en [minderjarige 2], met in achtneming van hetgeen de rechtbank onder 11 heeft overwogen.

12.1 De rechtbank bepaalt met toepassing van artikel 8:72, vierde lid, van de Algemene wet bestuursrecht dat de minister een nieuw besluit moet nemen met inachtneming van deze uitspraak. De rechtbank geeft de minister hiervoor acht weken.

12.2 Nu met deze uitspraak op het beroep is beslist, bestaat er geen aanleiding meer voor het treffen van de gevraagde voorlopige voorziening. De voorzieningenrechter wijst het verzoek hiertoe daarom af. Omdat het verzoek wel terecht is ingediend, wordt dit meegenomen bij de berekening van de proceskostenvergoeding.

12.3 Omdat eiseres geen griffierecht heeft betaald, hoeft de minister geen griffierecht aan haar te vergoeden. Omdat het beroep gegrond is krijgt eiseres een vergoeding van haar proceskosten. De minister moet deze vergoeding betalen. De rechtbank/voorzieningenrechter stelt deze proceskostenvergoeding aan de hand van het Besluit proceskosten bestuursrecht vast op € 2.802,- (1 punt voor het indienen van het beroepschrift, 1 punt voor het indienen van het verzoekschrift en 1 punt voor het bijwonen van de zitting, met een waarde per punt van € 934,- en een wegingsfactor 1).

Beslissing

De rechtbank, in de zaak NL25.13333:

- verklaart het beroep gegrond;

- vernietigt het besluit van 20 februari 2025;

- draagt de minister op binnen acht weken na de dag van verzending van deze uitspraak een nieuw besluit te nemen op het bezwaar met inachtneming van deze uitspraak;

De voorzieningenrechter, in de zaak NL24.1404:

- wijst het verzoek om een voorlopige voorziening af;

De rechtbank, in beide zaken:

- bepaalt dat de minister de proceskosten van eiseres moet vergoeden tot een bedrag van € 2.802,-.

Deze uitspraak is gedaan door mr. H.J.M. Baldinger, (voorzieningen)rechter, in aanwezigheid van mr. M.A. Hollander, griffier

Uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:

Informatie over hoger beroep

Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen vier weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen. Tegen de uitspraak op het verzoek om een voorlopige voorziening staat geen rechtsmiddel open.

Aangehaalde artikelen

Aangehaalde uitspraken