Rb. Den Haag 29 september 2026, ECLI:NL:RBDHA:2026:29508

Asiel- en Migratiebeheerverordening - overgangsrecht - interstatelijk vertrouwensbeginsel - zorgvuldigheid in samenhang met artikel 4 EU-handvest - beroep gegrond

De uitspraak op rechtspraak.nl

Tekst

RECHTBANK DEN HAAG
Bestuursrecht
zaaknummers: NL26.38837 en NL26.38838
uitspraak van de enkelvoudige kamer en de voorzieningenrechter in de zaken tussen
[eiser] , V-nummer: [V-nummer], eiser/verzoeker (hierna: eiser)
(gemachtigde: mr. M.C.M. van der Mark),
en
de minister van Asiel en Migratie (hierna: de minister)
(gemachtigde: mr. A. Sarmastzada).

Inleiding

1 In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep van eiser tegen het niet in behandeling nemen van zijn aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd. De voorzieningenrechter beoordeelt het verzoek om een voorlopige voorziening van eiser.

1.1 De rechtbank heeft het beroep van eiser op 15 september 2026 op zitting behandeld. Aan de zitting hebben deelgenomen: eiser, de gemachtigde van eiser, de heer Suleyman als tolk, en de gemachtigde van de minister.

Beoordeling door de rechtbank Waar gaat deze zaak over?

2 Eiser is geboren op [geboortedatum] 1988 en heeft de Soedanese nationaliteit. Op 21 april 2026 heeft eiser in Nederland asiel aangevraagd. De minister heeft de aanvraag met het bestreden besluit van 7 juli 2026 niet in behandeling genomen omdat Frankrijk ervoor verantwoordelijk is.

Wat vindt eiser in beroep?

3 Eiser voert aan dat hij ten onrechte geen gelegenheid heeft gekregen om zijn gemachtigde te raadplegen voordat het besluit werd genomen, terwijl hij de minister had verzocht om daarop te wachten. Ten aanzien van Frankrijk kan niet uit worden gegaan van het interstatelijk vertrouwensbeginsel. Eiser overlegt afsprakenkaarten bij de praktijkondersteuner van de GGZ en zijn medisch dossier, waaruit blijkt dat hij suïcidale gedachten heeft. Bij overdracht aan Frankrijk zal hij op straat belanden en geen behandeling voor zijn problemen krijgen.

Wat is het oordeel van de rechtbank?

4 De rechtbank geeft eiser gelijk. Hieronder legt de rechtbank uit hoe en waarom zij tot deze conclusie is gekomen.

Het toepasselijke recht

5 Op 12 juni 2026 is de Asiel- en Migratiebeheerverordening (hierna: AMbV)in werking getreden. Artikel 83, eerste volzin, van de AMbV bepaalt dat de Dublinverordening – die door de AMbV vervangen is – op 12 juni 2026 is ingetrokken. Als overgangsmaatregel is in artikel 84, tweede lid, van de AMbV bepaald dat voor asielaanvragen van vóór 12 juni 2026 de criteria uit de Dublinverordening bepalend zijn voor het vaststellen van de verantwoordelijke lidstaat. Voor het overige is de AMbV van toepassing.

6 Op grond van artikel 43 van de AMbV is de omvang van de rechterlijke toetsing beperkt tot de onderdelen die zijn genoemd in het eerste lid van dat artikel, namelijk of:

de overdracht voor de betrokken persoon een reëel risico op onmenselijke of vernederende behandeling zou inhouden in de zin van artikel 4 van het Handvest van de grondrechten;
er sprake is van omstandigheden na het overdrachtsbesluit die bepalend zijn voor de juiste toepassing van deze verordening;
inbreuk is gemaakt op de artikelen 25 tot en met 28 en artikel 34, in het geval van op grond van artikel 36, lid 1, punt a), overgenomen personen.

Het interstatelijk vertrouwensbeginsel

7 De rechtbank overweegt dat, gelet op het interstatelijk vertrouwensbeginsel, de minister er in het algemeen van mag uitgaan dat Frankrijk zijn verdragsverplichtingen nakomt. Van dit uitgangspunt wordt alleen afgeweken als eiser aannemelijk maakt dat er gegronde redenen zijn om aan te nemen dat hij bij overdracht een reëel risico zou lopen op schending van zijn grondrechten die neerkomt op onmenselijke of vernederende behandelingen in de zin van artikel 4 van het EU-Handvest.

7.1 Naar het oordeel van de rechtbank is eiser er niet in geslaagd om het voorgaande aannemelijk te maken. Uit recente rechtspraak van de hoogste bestuursrechter blijkt namelijk de minister ten aanzien van Frankrijk uit mag gaan van het interstatelijk vertrouwensbeginsel. Bij dit oordeel heeft de hoogste bestuursrechter het rapport “Country Report: France 2025 Update” van Asylum Information Database betrokken. De rechtbank ziet geen aanleiding om van dat oordeel af te wijken. Eisers betoog dat uit dat rapport volgt dat in het algemeen niet van het interstatelijk vertrouwensbeginsel mag worden uitgegaan, slaagt dus niet.
De zorgvuldigheid van de besluitvorming
8. De rechtbank is van oordeel dat de minister in het geval van eiser niet zorgvuldig heeft gehandeld in de voorbereiding van het besluit, met als gevolg dat niet deugdelijk in kaart is gebracht of artikel 4 van het EU-Handvest in de weg staat aan het opleggen van een overdrachtsbesluit. Eiser heeft namelijk in de besluitvormingsfase geen effectieve rechtsbijstand gehad.

8.1 De minister heeft erop gewezen dat artikel 42, eerste lid, van de AMbV hem verplicht om uiterlijk twee weken na de bevestiging van de kennisgeving inzake terugname, een overdrachtsbesluit te nemen. In het geval van eiser is deze bevestiging gekomen op 25 juni 2026 en moest de minister dus uiterlijk op 9 juli 2026 een besluit nemen. In zoverre volgt de rechtbank de minister in zijn betoog dat de besluitvorming niet zonder meer uitgesteld kon worden. De minister heeft echter al op 11 juni 2026 contact opgenomen met de Franse autoriteiten in het kader van de terugname. De gemachtigde van eiser is vervolgens op 24 juni 2026 aan de zaak gekoppeld en heeft op 25 juni 2026 de beschikbare stukken gekregen. Ter zitting heeft de minister niet inzichtelijk kunnen maken waarom de koppeling niet eerder plaats kon vinden. De gemachtigde van eiser heeft zich vervolgens ingespannen om alsnog in contact te komen met haar cliënt voordat het bestreden besluit werd genomen. Zij heeft naar het oordeel van de rechtbank aannemelijk gemaakt dat het praktisch niet mogelijk was haar cliënt op tijd te spreken voordat het bestreden besluit werd genomen. Omdat de minister niet inzichtelijk heeft gemaakt waarom er niet eerder een advocaat aan eiser is gekoppeld, is deze situatie naar het oordeel van de rechtbank het gevolg van onzorgvuldig handelen van de minister. De gemachtigde van eiser heeft vervolgens met het uitstelverzoek duidelijk gemaakt aan de minister dat zij niet in staat zou zijn haar cliënt te spreken voordat de minister uiteindelijk het besluit nam. De minister heeft daar pas in het bestreden besluit afwijzend op gereageerd. Omdat in het geval van eiser geen gehoor heeft plaatsgevonden, kon zijn gemachtigde ook niet op basis van het gehoorverslag alvast relevante informatie inbrengen. De rechtbank acht de houding van de minister te meer van belang nu er sprake is van een overgangssituatie van de Dublinverordening naar de AMbV. Juist in deze fase mag van de minister verwacht worden dat hij alert is op mogelijke complicaties of onduidelijkheden rondom de nieuwe procedures. Ook mag des te meer worden verwacht dat de minister zich inspant om betrokkenen voldoende gelegenheid te geven om samen met hun advocaat relevante punten naar voren te brengen. Deze samenloop van omstandigheden leidt de rechtbank tot het oordeel dat de minister niet zorgvuldig heeft gehandeld in de voorbereiding van de besluitvorming.

8.2 Het gevolg van de geconstateerde onzorgvuldigheid, is dat eiser geen effectieve rechtsbijstand heeft gehad in de besluitvormingsfase. De rechtbank ziet geen ruimte om dit gebrek te passeren of om de rechtsgevolgen van het bestreden besluit in stand te laten, omdat in de beroepsfase is gebleken dat eiser psychische problematiek heeft en suïcidale gedachten heeft geuit die verband houden met een mogelijke overdracht aan Frankrijk. Eiser heeft dit onderbouwd met een uittreksel uit zijn medisch dossier en afspraakkaarten bij de POH-GGZ. Deze omstandigheden raken mogelijk aan de beoordeling of zijn overdracht aan Frankrijk een risico in de zin van artikel 4 van het EU-Handvest oplevert. Hoewel in het medisch dossier staat dat er geen sprake is van acute suïcidaliteit, blijkt niet uit het dossier in hoeverre dit zou veranderen bij een daadwerkelijke overdracht. Naar het oordeel van de rechtbank moet de minister deze medische gegevens alsnog meenemen in de beoordeling of aan eiser een overdrachtsbesluit kan worden opgelegd.

Conclusie en gevolgen

9 Het beroep is gegrond. De rechtbank zal het bestreden besluit daarom vernietigen en de minister zal opnieuw moeten beslissen op de aanvraag van eiser.

9.1 Het verzoek om een voorlopige voorziening wordt buiten zitting afgedaan en niet-ontvankelijk verklaard, nu er uitspraak is gedaan op het beroep en er niet langer sprake is van connexiteit.

9.2 Omdat het beroep gegrond is, ziet de rechtbank aanleiding om de minister te veroordelen in de proceskosten van eiser. Deze kosten stelt de rechtbank op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vast op € 2.802,- (1 punt voor het indienen van het beroepschrift, 1 punt voor het indienen van het verzoekschrift en 1 punt voor het verschijnen ter zitting, met een waarde per punt van € 934,- en een wegingsfactor 1).

Beslissing

De rechtbank:

- verklaart het beroep gegrond;

- vernietigt het bestreden besluit van 7 juli 2026;

- draagt de minister op om met inachtneming van deze uitspraak een nieuw besluit op de aanvraag van eiser te nemen;

- veroordeelt de minister in de totale proceskosten van eiser tot een bedrag van € 2.802,-.

De voorzieningenrechter verklaart het verzoek om een voorlopige voorziening niet-ontvankelijk.

Deze uitspraak is gedaan door mr. J.J.P. Bosman, (voorzieningen)rechter, in aanwezigheid van mr. H.S. van Wessel, griffier.

De beslissing is uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:

Informatie over hoger beroep

Een partij die het niet eens is met deze uitspraak op het beroep, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen een week na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.

Tegen de uitspraak op het verzoek om een voorlopige voorziening staat geen hoger beroep of verzet open.

Aangehaalde artikelen

Aangehaalde uitspraken