Rb. Den Haag 6 oktober 2026, ECLI:NL:RBDHA:2026:29429
Huur woonruimte. Huurachterstand. Opschorting en huurprijsvermindering als verweer, niet gevorderd. Volledige huurbetaling naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar. Betaling huurachterstand gedeeltelijk toegewezen. Ontbinding en ontruiming toegewezen. Artikelen 6:265 BW en 7:207 lid 1 BW.
De uitspraak op rechtspraak.nl
Tekst
RECHTBANK DEN HAAG
Civiel recht
Kantonrechter
JMM/ B/C
Zittingsplaats Den Haag
Zaaknummer: 12201712 \ RL EXPL 26-8907
Vonnis van 6 oktober 2026
in de zaak van
STICHTING [eisende partij],
te [plaats] ,
eisende partij,
gemachtigde: BoitenLuhrs Incasso Gerechtsdeurwaarders,
tegen
[gedaagde partij] ,
te [woonplaats] ,
gedaagde partij,
procederend in persoon.
De zaak in het kort
[gedaagde partij] huurt een woning van [eisende partij] . [eisende partij] eist betaling van een huurachterstand en ontbinding en ontruiming. [gedaagde partij] is het daarmee niet eens omdat hij lekkage had in de woning. De kantonrechter geeft [eisende partij] deels gelijk. [gedaagde partij] heeft meer dan een jaar zonder werkende douche in de woning verbleven en hoewel [gedaagde partij] geen huurprijsvermindering heeft gevorderd, acht de kantonrechter het naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar dat [gedaagde partij] de hele huur betaalt. [gedaagde partij] moet over de periode van de lekkage 80% van de huur betalen. Daarna resteert nog steeds een forse huurachterstand. De gevorderde ontbinding en ontruiming wijst de kantonrechter daarom toe. Dit betekent onder meer dat [gedaagde partij] de woning moet ontruimen en € 6.603,97 moet betalen, plus rente en kosten.
1 De procedure
1.1 Het verloop van de procedure blijkt uit:
- de dagvaarding van 20 april 2026 - de op de rolzitting mondeling genomen conclusie van antwoord - de brief waarin is meegedeeld dat een mondelinge behandeling is bepaald
- het bericht van 25 augustus 2026 van [eisende partij] , met bijlagen - de mondelinge behandeling van 8 september 2026, waarvan door de griffier aantekeningen zijn gemaakt.
1.2 Bij de mondelinge behandeling op 8 september 2026 waren namens [eisende partij] aanwezig mr. C.P. Doelman en mr. R. Remmerswaal. Ook [gedaagde partij] was aanwezig. Aan het einde van de zitting heeft de kantonrechter bepaald dat uitspraak wordt gedaan.
2 De feiten
2.1 [eisende partij] verhuurt met ingang van 1 januari 2021 aan [gedaagde partij] de woning aan het adres [adres] (hierna: het gehuurde). De kale aanvangshuurprijs was € 950 per maand en de huidige kale huurprijs is € 1.167,41 per maand. Daarnaast zijn servicekosten en een voorschot voor stookkosten verschuldigd. De huur moet vooruit worden betaald. Op de huurovereenkomst zijn de ROZ Algemene Bepalingen Huurovereenkomst Woonruimte van 20 maart 2017 van toepassing.
2.2 In de huurovereenkomst staat onder meer:
“ Huurprijswijziging
5.2 Indien het gehuurde zelfstandige woonruimte met een geliberaliseerde huurprijs betreft, is het onder 5.1 gestelde niet van toepassing. In dat geval wordt de huurprijs voor het eerste per 1 juli 2021 en vervolgens jaarlijks aangepast overeenkomstig het gestelde in artikel 16 van de algemene bepalingen. Bovenop en gelijktijdig met de jaarlijkse aanpassing overeenkomstig artikel 16 van de algemene bepalingen, heeft verhuurder het recht om de huurprijs jaarlijks te verhogen met maximaal 5%.”
2.3 In artikel 16 van de algemene bepalingen staat onder meer:
“ Huurprijswijziging
16. Indien het gehuurde zelfstandige woonruimte met een geliberaliseerde huurprijs betreft:
- vindt de jaarlijkse huurprijswijziging plaats op basis van de wijziging van het maandprijsindexcijfer volgens de consumentenprijsindex (CPI), reeks alle huishoudens (2015=100), gepubliceerd door het Centraal Bureau voor de Statistiek (CBS);”
2.4 In artikel 25.2 van de algemene bepalingen staat:
“25.2 In alle gevallen waarin (ver)huurder een sommatie, een ingebrekestelling of een exploot aan (ver)huurder doet uitbrengen, of in geval van procedures tegen (ver)huurder om deze tot nakoming van de huurovereenkomst of huurder tot ontruiming te dwingen, is (ver)huurder verplicht alle daarvoor gemaakte kosten, zowel in als buiten rechte – met uitzondering van de ingevolge een definitieve rechterlijke beslissing door (ver)huurder te betalen proceskosten – aan (ver)huurder te voldoen, voor zover op de vergoeding van die kosten de Wet normering buitengerechtelijke incassokosten en het Besluit incassokosten niet van toepassing is.”
2.5 [gedaagde partij] heeft de huur niet steeds op tijd betaald. Vanaf januari 2025 is een achterstand ontstaan. [eisende partij] heeft [gedaagde partij] op 23 mei 2025 aangemaand om aan zijn betalingsverplichtingen te voldoen.
2.6 Op 18 juni 2025 heeft [gedaagde partij] in een e-mail aan [eisende partij] geschreven dat de achterstand tot dan toe was gekomen doordat hij zzp’er was en weinig werk had en heeft hij aan [eisende partij] een betalingsregeling voorgesteld.
2.7 Tussen 18 juni 2025 en 20 oktober 2025 heeft [gedaagde partij] in totaal € 5.500 aan [eisende partij] betaald.
2.8 Op 2 april 2025 heeft [gedaagde partij] bij [eisende partij] een lekkage in de badkamer gemeld. Ook op 14 april 2025, 21 juli 2025 en 23 juli 2025 zijn meldingen van [gedaagde partij] bij [eisende partij] geregistreerd.
2.9 Op 18 augustus 2025 heeft een aannemer een factuur aan [eisende partij] gestuurd voor een noodvoorziening aan het adres van [gedaagde partij] .
2.10 Op 4 maart 2026 en 10 maart 2026 zijn meldingen van [gedaagde partij] over problemen in de badkamer in het systeem van [eisende partij] geregistreerd.
2.11 Op 10 maart 2026 heeft een nieuwe aannemer werkzaamheden aan de badkamer uitgevoerd. Deze aannemer heeft [eisende partij] daarna in een e-mail geadviseerd om de badkamer te renoveren omdat er beweging in de ondervloer zit.
2.12 Op 7 april 2026 heeft de technisch manager van de namens [eisende partij] optredende vastgoedmanager per e-mail opdracht gegeven de vloer opnieuw te voegen en kitten. Op 8 april 2026 heeft de aannemer opnieuw gewezen op zijn advies de badkamer te renoveren. Daarop heeft de vastgoedmanager gevraagd om een offerte van het vervangen van de vloer. Hierna hebben de vastgoedmanager en aannemer verder met elkaar gecorrespondeerd over de te verrichten werkzaamheden en op welk adres dit moest gebeuren.
2.13 Een inspecteur van de Pandbrigade van de Gemeente Den Haag heeft de door [eisende partij] uitgevoerde herstelwerkzaamheden afgekeurd. Op 9 april 2026 heeft de inspecteur in een e-mail aan [eisende partij] geschreven dat een eerste last onder dwangsom was verbeurd en de gemeente het voornemen had om een tweede last onder dwangsom op te leggen.
2.14 Op 21 april 2026 heeft de aannemer in een e-mail aan de vastgoedmanager onder meer geschreven dat zonder nieuw wandtegelwerk geen waterdichte badkamer kon worden gerealiseerd en dat [eisende partij] niet zou ontkomen aan een hele badkamerrenovatie.
2.15 Op 12 mei 2026 en 13 mei 2026 zijn meldingen van [gedaagde partij] over de badkamer in het systeem van [eisende partij] geregistreerd.
2.16 De aannemer heeft de vastgoedmanager van [eisende partij] bericht dat de douchehoek op
4 juni 2026 is vernieuwd.
3 Het geschil
3.1 [eisende partij] vordert – samengevat – ontbinding van de huurovereenkomst en ontruiming van het gehuurde en betaling van € 15.820,05 aan huurachterstand met nevenvorderingen.
3.2 [eisende partij] legt aan de vordering het volgende ten grondslag. [gedaagde partij] is in zijn verplichtingen als huurder tekortgeschoten door de huur niet op tijd te betalen. De hoogte van de huurachterstand rechtvaardigt volgens [eisende partij] de ontbinding van de huurovereenkomst en de ontruiming van het gehuurde.
3.3 [gedaagde partij] voert verweer. [gedaagde partij] erkent de huurachterstand maar voert aan dat er lekkage in de badkamer van het gehuurde was waardoor hij niet kon douchen. Omdat er geen oplossing kwam, is [gedaagde partij] gestopt met huur betalen.
4 De beoordeling
De huurachterstand
4.1 [gedaagde partij] erkent dat de in de dagvaarding genoemde huurachterstand tot en met 30 april 2026 van € 15.820,05 klopt. Of [gedaagde partij] dat hele bedrag moet betalen komt hierna aan de orde.
Beroep op opschorting en huurprijsvermindering
4.2 [gedaagde partij] betoogt dat hij de huur tijdelijk niet hoefde te betalen totdat de lekkage in de badkamer verholpen was. [eisende partij] betoogt dat [gedaagde partij] daarmee te laat is.
De kantonrechter begrijpt het betoog van [gedaagde partij] als een beroep op opschorting en op gedeeltelijke ontbinding van de huurovereenkomst (huurprijsvermindering). De kale aanvangshuurprijs in 2021 was € 950. Omdat deze huurprijs boven de toenmalige liberalisatiegrens ligt, kwalificeert het gehuurde wettelijk als een hoogsegment woning. Daarop zijn de volgende regels van toepassing.
4.3 Een huurder kan onder bepaalde omstandigheden zijn verplichting om de huur te betalen opschorten totdat de verhuurder gebreken aan het gehuurde verhelpt. Volledige opschorting van de huurprijs is niet snel aan de orde, want dan moet sprake zijn van een situatie waarin de gebreken zo ernstig zijn dat de huurder helemaal geen huurgenot meer heeft. Daarnaast bevrijdt een beroep op opschorting de huurder niet permanent van zijn verplichting de opgeschorte huurbetalingen te doen: nadat de gebreken zijn verholpen moet de huurder alsnog betalen. Artikel 7:207 lid 1 BW bepaalt dat de huurder zich (gedeeltelijk) kan bevrijden van zijn betalingsverplichting door huurprijsvermindering te vorderen. Uit de wetsgeschiedenis volgt dat de wetgever hiermee heeft willen voorkomen dat de huurder lichtvoetig zelf overgaat tot aanpassing van zijn betalingsverplichting, bijvoorbeeld als dekmantel voor betalingsonwil. In de jurisprudentie wordt de eis van het vorderen van huurprijsvermindering strikt uitgelegd, wat betekent dat de huurder huurprijsvermindering in beginsel in een zelfstandige procedure moet vragen of huurprijsvermindering als vordering in reconventie moet instellen.
4.4 Tussen partijen staat vast dat de lekkage inmiddels is hersteld. Omdat nu geen sprake meer is van een gebrek, heeft [gedaagde partij] geen recht meer om op te schorten en herleeft in beginsel de verplichting om de achterstallige huur te betalen.
4.5 [gedaagde partij] voert huurprijsvermindering als verweer, maar is geen procedure gestart om huurprijsvermindering aan de rechter te vragen en heeft in deze zaak geen tegenvordering ingesteld. Omdat huurprijsvermindering moet worden gevorderd, heeft [gedaagde partij] in beginsel geen recht op huurprijsvermindering.
Volledige huurbetaling naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar
4.6 Niettemin acht de kantonrechter het in dit geval naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar dat [eisende partij] aanspraak maakt op de volledige huurpenningen in de periode van de lekkage. Weliswaar is de huurachterstand van januari 2025 tot april 2025 nog te herleiden tot betalingsonwil- of onmacht, maar daarna kan dat volgens de kantonrechter niet worden gezegd. [gedaagde partij] brengt onweersproken naar voren dat hij van april 2025 tot juni 2026 geen normaal gebruik heeft kunnen maken van zijn douche. Als [gedaagde partij] in het gehuurde douchte, kwam het water bij de onderburen naar beneden en kwamen de buren vervolgens bij hem verhaal halen. Daardoor douchte [gedaagde partij] bij anderen thuis. Ondanks de diverse klachten van [gedaagde partij] heeft het [eisende partij] meer dan een jaar gekost om de lekkage adequaat te verhelpen. Nadat haar aannemer haar meermaals had geadviseerd dat de badkamer geheel gerenoveerd moest worden en de Haagse pandbrigade aan [eisende partij] een last onder dwangsom had opgelegd, duurde het nog twee maanden totdat [eisende partij] een adequate reparatie had uitgevoerd. Ter zitting heeft [eisende partij] erkend dat zij onvoldoende actie heeft genomen, maar ook aangevoerd dat vooral de onderburen de schade van het lekkende douchewater hebben en dat [gedaagde partij] heeft meegewerkt aan het beperken van die schade door niet in het gehuurde te douchen. Volgens de kantonrechter onderstreept het gegeven dat [gedaagde partij] op deze manier rekening moest gehouden met de gevolgen van zijn lekkende badkamer voor de buren, juist dat sprake was van een ernstige aantasting van het woongenot van [gedaagde partij] .
4.7 Volledige huurbetaling is naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar. De beperkende werking van de redelijkheid en billijkheid brengt mee dat [eisende partij] vanaf de eerste melding in april 2025 tot de reparatie in juni 2026 slechts aanspraak kan maken op 80% van de huurpenningen.
4.8 Volgens de door [eisende partij] bijgevoegde overzichten was over de maanden april tot en met juni 2025 € 1.078,42 per maand aan kale huur verschuldigd en over de maanden juli 2025 tot en met juni 2026 € 1.118,21 per maand. De vermindering tot 80% leidt ertoe dat van de hoofdsom een bedrag van € 3.330,76 niet toewijsbaar is (20% × 3 maanden × € 1.078,42) + (20% × 12 maanden × € 1.118,21).
Het beroep op vernietiging van het opslagbeding in de algemene voorwaarden slaagt
4.9 In de huurovereenkomst is een indexatiebeding (artikel 16 van de algemene bepalingen) en een opslagbeding overeengekomen (artikel 5.2 van de huurovereenkomst). [gedaagde partij] betoogt dat deze bedingen oneerlijk zijn en beroept zich op vernietiging van de bedingen en verrekening van de te veel betaalde huur. [eisende partij] is het hiermee niet eens.
4.10 Als een beding voor de consument onredelijk bezwarend is, kan het beding worden vernietigd op grond van artikel 6:233 onder a BW en de Richtlijn oneerlijke bedingen.
4.11 Het betreft hier een huurwoning in het wettelijk hoogsegment. In het hoogsegment is het huurprijswijzigingsbeding de enige basis waarop een reguliere periodieke huurverhoging mogelijk is. De Hoge Raad heeft in haar arrest van 29 november 2024 overwogen dat een contractuele huurverhogingsbepaling in een overeenkomst met een consument kan worden gesplitst in twee afzonderlijke bedingen: een indexatiebeding en een opslagbeding. Volgens de Hoge Raad moet bij de beoordeling van het oneerlijk karakter van een beding worden nagegaan wat het cumulatieve effect is van alle bedingen van de betrokken overeenkomst. De Hoge Raad acht dat gerechtvaardigd aangezien die bedingen in hun geheel moeten worden beoordeeld, ongeacht of de schuldeiser daadwerkelijk de volledige nakoming ervan nastreeft.
4.12 Artikel 16 algemene bepalingen geeft de verhuurder het recht de huur jaarlijks te verhogen met maximaal de inflatie volgens de Consumentenprijsindex (CPI). Dit beding acht de kantonrechter niet oneerlijk. Het indexatiebeding heeft slechts als doel de inflatie te compenseren en is op zichzelf niet een oneerlijk beding in de zin van de Richtlijn oneerlijke bedingen. Het beroep op vernietiging slaagt dus niet voor zover dat gaat over het indexatiebeding.
4.13 Artikel 5.2 van de huurovereenkomst geeft de verhuurder het recht om bovenop die inflatiecorrectie de huurprijs met nog maximaal 5% te verhogen. Dit beding acht de kantonrechter wél oneerlijk. Weliswaar is bovenop indexatie voor inflatie voor de verhuurder nog ruimte om een opslagbeding af te spreken: in het hierboven genoemde arrest achtte de Hoge Raad een opslag van 3% bovenop de CPI-indexatie eerlijk. Naar het oordeel van de kantonrechter heeft een opslag van 5% bovenop de inflatie echter wél een oneerlijk karakter in de zin van de Richtlijn. [eisende partij] licht niet toe waarom in dit specifieke geval een hogere opslag dan de 3% die de Hoge Raad in beginsel als eerlijk beding tot uitgangspunt neemt, nodig is ter compensatie van kostenstijgingen boven de inflatie of het tred houden met de waardeontwikkeling van de woning. Evenmin voert [eisende partij] ander omstandigheden aan die zich hebben voorgedaan ten tijde van het sluiten van de overeenkomst die een opslag van 5% bovenop de CPI-indexatie rechtvaardigen.
4.14 Dat [eisende partij] in de praktijk niet de volgens de overeenkomst maximaal mogelijke huurverhogingen heeft doorgevoerd, maakt het beding niet eerlijk. Het gaat namelijk om de verstoring van het contractuele evenwicht in het nadeel van de consument vanaf de datum van het sluiten van de overeenkomst, ook al zou deze verstoring zich alleen onder bepaalde omstandigheden kunnen voordoen of zou dat beding in andere omstandigheden zelfs ten goede kunnen komen aan de consument.
4.15 Het beroep van [gedaagde partij] op vernietiging van het opslagbeding en verrekening met de huur slaagt. Het opslagbeding in art. 5.2 van de huurovereenkomst wordt geacht niet te hebben bestaan. Dit betekent dat [gedaagde partij] het deel van de huur dat in rekening is gebracht op grond van een verhoging die hoger is dan de CPI-indexatie, niet hoeft te betalen. [eisende partij] stelt onweersproken dat dit een bedrag is van € 385,32 en de kantonrechter gaat daarom van dit bedrag uit. Op de huurachterstand komt een bedrag van € 385,32 in mindering.
De resterende betalingsverplichting
4.16 Na aftrek van de hierboven genoemde bedragen, is de huurachterstand een bedrag van € 12.103,97 (€ 15.820,05 - € 3.330,76 - € 385,32). Partijen zijn het erover eens dat [gedaagde partij] daarvan € 5.500 al heeft betaald. Er resteert dus een achterstand van € 6.603,97 (€ 12.103,97 – € 5.500).
Wettelijke rente
4.17 [gedaagde partij] is te laat met het betalen van de verschillende huurtermijnen en dus zal de gevorderde wettelijke rente over de huurachterstand worden toegewezen. De rente wordt toegewezen over het openstaande saldo, te berekenen vanaf de vervaldata van de betreffende huurtermijn, nadat op die termijn de onder 4.8 en 4.15 genoemde bedragen in mindering zijn gebracht, steeds tot aan de volgende deelbetaling van [gedaagde partij] , tot de dag van volledige betaling.
Buitengerechtelijke incassokosten
4.18 [eisende partij] vordert vergoeding van buitengerechtelijke incassokosten. Het hierboven genoemde artikel 25.2 van haar algemene bepalingen wijkt echter in het nadeel van de consument af van de wettelijke regeling of wekt die indruk. De bepaling geeft [eisende partij] recht op een hogere vergoeding dan waarop zij op grond van de wet recht heeft. In de bepaling wordt wel verwezen naar de wet, maar de bepaling benoemt expliciet dat alle gemaakte kosten betaald moeten worden. De bepaling is daarom oneerlijk. Dit betekent dat de vergoeding voor incassokosten en rente daarover wordt afgewezen.
Gemeentelijke schuldhulp
4.19 De kantonrechter heeft vastgesteld dat [eisende partij] heeft voldaan aan de informatieplicht en de meldplicht als bedoeld in artikel 2 van Besluit Gemeentelijke Schuldhulpverlening.
De ontbinding en ontruiming wordt toegewezen
4.20 Over de vorderingen tot ontbinding van de huurovereenkomst en ontruiming van het gehuurde overweegt de kantonrechter als volgt. [gedaagde partij] is verplicht om de huur op tijd en volledig te betalen. Iedere tekortkoming van een partij in de nakoming van een van haar verbintenissen geeft aan de wederpartij de bevoegdheid om de overeenkomst geheel of gedeeltelijk te ontbinden, tenzij de tekortkoming, gezien haar bijzondere aard of geringe betekenis, deze ontbinding met haar gevolgen niet rechtvaardigt. De kantonrechter wijst een vordering tot ontbinding van de huurovereenkomst alleen toe als de huurachterstand ernstig genoeg is om de huurovereenkomst te beëindigen. Vaak zal een achterstand van meer dan drie maanden genoeg zijn, maar de kantonrechter moet alle omstandigheden afwegen. Van belang is bijvoorbeeld ook of de huur weer wordt betaald en of de achterstand (deels) is ingelopen.
4.21 Op het moment van dagvaarden bedroeg de huurachterstand na aftrek van de hierboven genoemde bedragen die [gedaagde partij] niet hoeft te betalen, € 6.603,97. Afgezet tegen de huidige kale huurprijs is – ook na aftrek van de oneerlijke opslag – een achterstand van meer dan vijf maanden. Deze huurachterstand is ernstig genoeg om de huurovereenkomst te ontbinden. De achterstand is nog niet ingelopen. [gedaagde partij] heeft ter zitting verklaard dat hij de achterstand met spaargeld kan betalen en dat hij de maand september weer heeft betaald, maar dat [gedaagde partij] kan betalen en weer is gaan betalen heeft hij niet onderbouwd. Dit betoog maakt daarom niet dat de belangenafweging in het voordeel van [gedaagde partij] uitvalt.
4.22 De gevorderde ontbinding van de huurovereenkomst wijst de kantonrechter toe. [gedaagde partij] zal worden veroordeeld het gehuurde te ontruimen op een termijn van veertien dagen na betekening van het vonnis. De kantonrechter is van oordeel dat dit een redelijke termijn is om aan de veroordeling te voldoen.
4.23 [eisende partij] heeft ter zitting verklaard niet tot ontruiming over te gaan als het partijen lukt samen afspraken te maken over het betalen van de achterstand, kosten en lopende huur.
[gedaagde partij] moet na ontbinding een gebruiksvergoeding betalen
4.24 [eisende partij] eist dat [gedaagde partij] wordt veroordeeld tot het betalen van een maandelijkse gebruiksvergoeding van € 1.318,21, te rekenen vanaf 30 april 2026 tot het moment dat [gedaagde partij] het gehuurde ontruimt. Dit baseert [eisende partij] op de huurprijs over 2025, plus servicekosten en stookkosten.
4.25 De kantonrechter zal de gebruiksvergoeding toewijzen voor de tijd dat [gedaagde partij] na ontbinding in het gehuurde verblijft. Omdat [eisende partij] de vergoeding baseert op de stand van zaken in 2025 zal de kantonrechter dat ook doen. Daarbij houdt de kantonrechter er rekening mee dat het beroep op vernietiging van het opslagbeding slaagt. De huurprijs zonder de vernietigde verhogingen was in 2025 € 1.112,79. Met de servicekosten (€ 35) en stookkosten (€ 165) is een totale gebruiksvergoeding van € 1.312,79 verschuldigd (€ 1.112,79 + € 35 + € 165).
[gedaagde partij] moet de proceskosten betalen
4.26 [gedaagde partij] is grotendeels in het ongelijk gesteld en moet daarom de proceskosten (inclusief nakosten) betalen. De proceskosten van [eisende partij] worden begroot op:
- kosten van de dagvaarding € 153,02
- griffierecht € 559,00
- salaris gemachtigde € 864,00 (2 punten × € 432,00)
- nakosten € 144,00 (plus de kosten van betekening zoals vermeld in de beslissing)
Totaal € 1.720,02
[eisende partij] mag dit vonnis direct uitvoeren
4.27 [eisende partij] vordert dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad te verklaren. [gedaagde partij] voert hiertegen geen verweer. De kantonrechter wijst de gevorderde uitvoerbaarheid bij voorraad toe. Dat betekent dat [eisende partij] dit vonnis mag uitvoeren, ook als één van de partijen een hogere rechter vraagt de zaak opnieuw te beoordelen.
5 De beslissing
De kantonrechter
5.1 ontbindt de tussen partijen bestaande huurovereenkomst met betrekking tot het gehuurde aan het adres [adres] ,
5.2 veroordeelt [gedaagde partij] om binnen veertien dagen na betekening van dit vonnis het gehuurde te ontruimen met alle daarin aanwezige personen en zaken, tenzij deze zaken van [eisende partij] zijn, en de sleutels af te geven aan [eisende partij] ,
5.3 veroordeelt [gedaagde partij] om te betalen aan [eisende partij] :
- € 6.603,97 € 6.603,97 aan achterstallige huur tot en met 30 april 2026, te vermeerderen met de wettelijke rente over het openstaande saldo van de huurachterstand, gebaseerd op de gecorrigeerde huurprijs (zie r.o. 4.8 en 4.15), steeds tot aan de volgende deelbetaling van [gedaagde partij] , tot de dag van volledige betaling,
- € 1.312,79 € 1.312,79 per maand vanaf 1 mei 2026 tot en met het eind van de maand waarin de daadwerkelijke ontruiming heeft plaatsgevonden,
5.4 veroordeelt [gedaagde partij] in de proceskosten van € 1.720,02, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe, te vermeerderen met de kosten van betekening als [gedaagde partij] niet tijdig aan de veroordelingen voldoet en het vonnis daarna wordt betekend,
5.5 verklaart de veroordelingen in dit vonnis tot zover uitvoerbaar bij voorraad,
5.6 wijst het meer of anders gevorderde af.
Dit vonnis is gewezen door mr. J.M. Meester en in het openbaar uitgesproken op 6 oktober 2026.
Aangehaalde artikelen
Aangehaalde uitspraken
- HR 29 november 2024, ECLI:NL:HR:2024:1780
- Hof Amsterdam 11 oktober 2022, ECLI:NL:GHAMS:2022:2817
- HvJ EU 27 januari 2021, C-229/19, ECLI:EU:C:2021:68
- Hof Den Haag 28 april 2020, ECLI:NL:GHDHA:2020:859
- HR 28 september 2018, ECLI:NL:HR:2018:1810
- Hof 's-Hertogenbosch 3 januari 2017, ECLI:NL:GHSHE:2017:3
- Hof Arnhem-Leeuwarden 20 december 2016, ECLI:NL:GHARL:2016:10352