Rb. Den Haag 2 oktober 2026, ECLI:NL:RBDHA:2026:29421
De minister mocht de gezinsherenigingsaanvraag van een moeder een haar dochter afwijzen omdat daardoor een polygame situatie zou ontstaan. In het geval van de moeder was de minister niet gehouden eerst nog een belangenafweging te maken, omdat de Gezinsherenigingsrichtlijn hier geen ruimte voor biedt. De minister had in het geval van de dochter wel een belangenafweging moeten maken. Dat heeft de minister ten onrechte niet gedaan in het bestreden besluit, maar later heeft de minister dat alsnog gedaan. De minister heeft deze belangenafweging in het nadeel van de dochter kunnen laten uitvallen. Het beroep is daarom gegrond, maar de rechtbank laat de rechtsgevolgen van het bestreden besluit in stand.
De uitspraak op rechtspraak.nl