Rb. Den Haag 2 oktober 2026, ECLI:NL:RBDHA:2026:29412

Bewaring, vervolgberoep, cijfers Egypte over januari t/m juni 2026, zicht op uitzetting ontbreekt niet, voldoende voortvarend

De uitspraak op rechtspraak.nl

Tekst

RECHTBANK DEN HAAG
Zittingsplaats Amsterdam
Bestuursrecht
zaaknummer: NL26.52855
proces-verbaal van de mondelinge uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen
[eiser], V-nummer: [v-nummer], eiser,
(gemachtigde: mr. S. Guman),
en
de minister van Asiel en Migratie, de minister,
(gemachtigde: mr. R.L.F. Zandbelt).

Procesverloop

Met het besluit van 9 juli 2026 heeft de minister aan eiser de maatregel van vreemdelingenbewaring opgelegd. Bij uitspraak van 28 augustus 2026 heeft de rechtbank het beroep van eiser tegen de voortduring van de bewaring ongegrond verklaard.

Eiser heeft tegen het voortduren van de maatregel beroep ingesteld. Eiser heeft ook verzocht om schadevergoeding.

De minister heeft een voortgangsrapportage overgelegd. Eiser heeft hierop gereageerd.

De rechtbank heeft het beroep op 22 september 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiser, de gemachtigde van eiser, M. Cheiboukh als tolk en de gemachtigde van de minister.

Na afloop van de zitting heeft de rechtbank onmiddellijk uitspraak gedaan.

Beslissing

De rechtbank:

- verklaart het beroep ongegrond;

- wijst het verzoek om schadevergoeding af.

Overwegingen

1 De minister heeft op de zitting de volgende toelichting gegeven over de afgifte van laissez passers door de Egyptische autoriteiten:

In het eerste halfjaar van 2026 zijn 11 aanvragen ingediend en 8 nationaliteitsbevestigingen ontvangen. Er zijn in de genoemde periode geen laissez passers afgegeven. Wel heeft er in de periode één gedwongen vertrek plaatsgevonden en één vrijwillig vertrek, beide met een door de Egyptische autoriteiten afgegeven laissez passer.

2 De hiervoor weergegeven cijfers komen in voldoende mate overeen met cijfers over eerdere periodes om te kunnen oordelen dat sprake is van een consistente lijn wat betreft de behandeling van de aanvragen tot afgifte van laissez passers door de Egyptische autoriteiten.

Weliswaar is eisers aanvraag al lang in onderzoek, maar dit doet niet af aan het feit dat

de Egyptische autoriteiten in het algemeen meewerken en laissez passers verstrekken. Verder zijn er geen aanknopingspunten voor het oordeel dat voor eiser in het bijzonder geen laissez passer zal worden afgegeven. De minister heeft bovendien pogingen ondernomen om eisers zaak ook op hoog niveau te bespreken. Gelet op het voorgaande is al geen sprake van het ontbreken van zicht op uitzetting. Bij dit oordeel is verder van belang dat niet blijkt van concrete pogingen van de zijde van eiser om het onderzoek te bespoedigen en in die zin volledig mee te werken. Het meewerken aan vertrekgesprekken is daarvoor onvoldoende.

3 Sinds de sluiting van het onderzoek in het voorgaande beroep heeft de minister op

3 september 2026 een vertrekgesprek met eiser gevoerd en is op 8 september 2026 schriftelijk gerappelleerd bij de Egyptische autoriteiten. Verder is op 24 september 2026 een gesprek over eisers zaak gepland met de Egyptische vertegenwoordiging. De minister handelt daarom voldoende voortvarend.

4 Gelet op de omstandigheid dat eiser niet zijn volledige medewerking verleent aan het onderzoek naar zijn identiteit en nationaliteit valt de belangenafweging nu nog in het voordeel van de minister uit. Dat de bewaring eiser zwaar valt is te begrijpen, maar dit op zichzelf maakt de maatregel niet disproportioneel.

Deze uitspraak is gedaan door mr. R.H.G. Odink, rechter, in aanwezigheid van

M.R. van Kerkwijk, griffier.

Uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak staat geen rechtsmiddel open.

Aangehaalde uitspraken