Rb. Den Haag 30 september 2026, ECLI:NL:RBDHA:2026:28732
Amb-verordening; Spanje; overgangsrecht; artikel 43 Amb-verordening; ongegrond
De uitspraak op rechtspraak.nl
Tekst
RECHTBANK DEN HAAG
Zittingsplaats Arnhem
Bestuursrecht
zaaknummer: NL26.41332
uitspraak van de enkelvoudige kamer van 30 september 2026 in de zaak tussen
[eiser] , v-nummer: [x] , eiser
(gemachtigde: mr. F. Boone),
en
de minister van Asiel en Migratie,
(gemachtigde: mr. I.E. Lemmers).
Samenvatting
1 Deze uitspraak gaat over het niet in behandeling nemen van de asielaanvraag van eiser. De minister heeft deze aanvraag met het bestreden besluit van 16 juli 2026 niet in behandeling genomen omdat Spanje verantwoordelijk zou zijn voor de behandeling daarvan.
1.1 De rechtbank heeft het beroep, samen met de zaak NL26.41334, op 2 september 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiser, de gemachtigde van eiser en de gemachtigde van de minister.
Beoordeling door de rechtbank
2 De rechtbank beoordeelt het niet in behandeling nemen van de asielaanvraag van eiser. Zij doet dat aan de hand van de argumenten die eiser heeft aangevoerd, de beroepsgronden.
2.1 De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat het beroep ongegrond is. Dat betekent dat eiser ongelijk krijgt en het niet in behandeling nemen van zijn aanvraag in stand blijft. Hieronder legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.
Beoordeling door de rechtbank
Welk recht is van toepassing?
3 De Europese Unie heeft gezamenlijke regelgeving vastgesteld voor het bepalen van de lidstaat die verantwoordelijk is voor de behandeling van een verzoek om internationale bescherming. Ten tijde van het indienen van het verzoek van eiser was die regelgeving neergelegd in de Dublinverordening. Met ingang van 12 juni 2026 is de Dublinverordening ingetrokken en is de Asiel- en migratiebeheerverordening (Amb-verordening) van toepassing geworden. Uit de rechtspraak van het Hof van Justitie volgt dat nieuw recht in beginsel onmiddellijke werking heeft en in beginsel ook van toepassing is op alle lopende procedures. Dit ligt slechts anders, wanneer de nieuwe regel gepaard gaat met bijzondere overgangsbepalingen of wanneer het stadium waarin de betreffende procedure zich bevindt daartoe aanleiding geeft. In artikel 84 van de Amb-verordening zijn overgangsbepalingen opgenomen. Het tweede lid van dit artikel bepaalt dat voor verzoeken die vóór 12 juni 2026 zijn geregistreerd, de verantwoordelijke lidstaat wordt aangewezen aan de hand van de criteria van de Dublinverordening.
3.1 In dit geval is sprake van toepassing van de verantwoordelijkheidscriteria op grond van de Dublinverordening. Het verzoek om internationale bescherming van eiser is namelijk vóór 12 juni 2026 ingediend. De minister heeft op grond van artikel 12, tweede lid, van de Dublinverordening een overnameverzoek gedaan bij Spanje, omdat eiser ten tijde van zijn asielaanvraag in het bezit was van een visum voor Spanje. Spanje heeft het verzoek tot overname aanvaard.
Heeft de minister voldoende gemotiveerd waarom hij de asielaanvraag van eiser niet onverplicht in behandeling heeft genomen?
4. Eiser betwist niet dat Spanje op grond van de verantwoordelijkheidscriteria van de Dublinverordening de verantwoordelijke lidstaat is voor de behandeling van zijn asielverzoek. Hij betoogt echter dat de minister onvoldoende heeft gemotiveerd waarom hij geen gebruik heeft gemaakt van de bevoegdheid om de asielaanvraag van eiser onverplicht aan zich te trekken.
4.1 De rechtbank volgt eiser hierin niet. De overgangsbepaling zoals opgenomen in artikel 84 van de Amb-verordening ziet uitsluitend op de aanwijzing van de verantwoordelijke lidstaat aan de hand van de verantwoordelijkheidscriteria, zoals opgenomen in hoofdstuk III van de Dublinverordening. Dit betekent dat de discretionaire bevoegdheid van de minister om de aanvraag onverplicht naar zich toe trekken, zoals die was opgenomen in artikel 17 van de Dublinverordening, niet onder het overgangsrecht valt. Die bepaling was immers opgenomen in hoofdstuk IV van de Dublinverordening en kon worden toegepast nádat de verantwoordelijke lidstaat was vastgesteld. Omdat de Amb-verordening verder geen overgangsrecht kent en het besluit is genomen na de inwerkingtreding van de Amb-verordening, namelijk op 16 juli 2026, gaat de rechtbank ervan uit dat in deze procedure voor het overige de Amb-verordening van toepassing is. Dat geldt, anders dan eiser betoogt, ook voor artikel 43 van de Amb-verordening over de draagwijdte van het rechtsmiddel. De verwijzing van eiser naar de uitspraak van deze rechtbank, zittingsplaats Utrecht, van 24 juni 2026 slaagt niet. Anders dan in het geval van eiser dateert het overdrachtsbesluit in die zaak van vóór 12 juni 2026.
4.2 Artikel 43, eerste lid, van de Amb-verordening regelt de draagwijdte van het rechtsmiddel in beroep. Hieruit volgt dat de rechterlijke toetsing beperkt is tot de onderdelen die in deze bepaling worden genoemd. De toepassing van artikel 35 van de Amb-verordening valt daar niet onder. Dat betekent dat de rechtbank niet kan ingaan op hetgeen door eiser is aangevoegd over de toepassing van de discretionaire bevoegdheid. De beroepsgrond slaagt daarom niet.
Overige beroepsgronden
5. Eiser heeft op de zitting zijn overige beroepsgronden ingetrokken. Het gaat dan om de beroepsgronden over de vraag of het bestreden besluit door een bevoegde ambtenaar is genomen, of het besluit onzorgvuldig is voorbereid omdat onduidelijk is of gebruik is gemaakt van AI en/of Case Matcher en of uitgegaan kan worden van het interstatelijk vertrouwensbeginsel. Deze behoeven daarom geen verdere bespreking.
Conclusie en gevolgen
6 Het beroep is ongegrond. Dat betekent dat eiser geen gelijk krijgt en het bestreden besluit in stand blijft. Eiser krijgt ook geen vergoeding van zijn proceskosten.
Beslissing
De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. S.A. van Hoof, rechter, in aanwezigheid van mr. D.J. Deitz, griffier.
De uitspraak is uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met de uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen twee weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.