Rb. Den Haag 25 september 2026, ECLI:NL:RBDHA:2026:28017
Asiel Irak; deze uitspraak bouwt voort op de tussenuitspraak van 9 mei 2025; nieuw asielmotief, bij terugkeer vrees voor de militie Al Asa’eb vanwege lange verblijf in het Westen, interesse in het Christendom, roken van marihuana, landeninformatie, vrees niet aannemelijk gemaakt; beroep tegen niet tijdig nemen van een besluit op een aanvraag niet-ontvankelijk; beroep tegen het bestreden en aanvullend besluit ongegrond; toekenning PKV en schadevergoeding vanwege overschrijding redelijke termijn.
De uitspraak op rechtspraak.nl
Tekst
RECHTBANK DEN HAAG
Zittingsplaats Arnhem
Bestuursrecht
zaaknummer: NL24.19142
uitspraak van de enkelvoudige kamer van 25 september 2026 in de zaak tussen
[eiser] , v-nummer: [x] , eiser
(gemachtigde: mr. A.M. van Eik),
en
de minister van Asiel en Migratie,
(gemachtigde: mr. A. Hadfy-Kovacs).
Als derde-partij neemt aan de zaak deel: de Staat der Nederlanden (de minister van Justitie en Veiligheid)
Samenvatting
1 Deze uitspraak bouwt voort op de tussenuitspraak van 9 mei 2025 en het aanvullend besluit dat is genomen naar aanleiding van een nieuw asielmotief dat in beroep door eiser naar voren is gebracht. Eiser is het hier niet mee eens. Hij voert daartoe een aantal beroepsgronden aan. Aan de hand van deze beroepsgronden beoordeelt de rechtbank de afwijzing van de asielaanvraag.
1.1 De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat de afwijzing van de asielaanvraag in stand kan blijven. Eiser heeft niet aannemelijk gemaakt dat hij te vrezen heeft voor de militie Al Asa’eb vanwege zijn lange verblijf in het Westen. Wel heeft eiser recht op een schadevergoeding vanwege overschrijding van de redelijke termijn. Hieronder legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.
1.2 Onder 2 staat het procesverloop. Vanaf 3 volgt de beoordeling door de rechtbank, met eerst kort de omvang van het geschil en een uiteenzetting van de tussenuitspraak van 9 mei 2025 onder 4. De redenen waarom eiser een asielaanvraag heeft ingediend staan onder 5. Onder 6 volgt een samenvatting van het aanvullend besluit. De beoordeling door de rechtbank volgt vanaf 7. Aan het eind, onder 9, staat de beslissing van de rechtbank en de gevolgen daarvan.
Procesverloop
2 Eiser heeft op 2 december 2020 een aanvraag om verlening van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd ingediend. De minister heeft met het eerdere bestreden besluit van 14 juni 2024 deze aanvraag afgewezen als ongegrond.
2.1 Deze rechtbank, zittingsplaats Arnhem, heeft het beroep op 25 februari 2025 op zitting behandeld en op 9 mei 2025 een tussenuitspraak gedaan.
2.2 De minister heeft op 19 september 2025 een aanvullend besluit genomen. Eiser heeft hier op 3 oktober 2025 en 21 augustus 2026 schriftelijk op gereageerd. Vervolgens heeft de minister een verweerschrift ingediend.
2.3 De rechtbank heeft het beroep op 1 september 2026 wederom op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiser, de gemachtigde van eiser en de gemachtigde van de minister.
Beoordeling door de rechtbank
Omvang van het geschil
3 Deze uitspraak bouwt voort op de tussenuitspraak. De rechtbank blijft bij alles wat zij in de tussenuitspraak heeft overwogen en beslist. De rechtbank kan behalve in zeer uitzonderlijke gevallen namelijk niet terugkomen van het in de tussenuitspraak gegeven oordeel. Van zo’n zeer uitzonderlijk geval is hier geen sprake.
De tussenuitspraak
4 In de tussenuitspraak van 9 mei 2025 heeft deze rechtbank en zittingsplaats geoordeeld dat de eerder door eiser aangevoerde beroepsgronden over de gestelde problemen met de Iraakse inlichtingendienst en met de militie Al Asa’eb, alsmede over de zwaarwegendheid van het asielrelaas en het beroep op artikel 15, aanhef en onder c, van de Kwalificatierichtlijn, niet slagen. De rechtbank heeft daarbij geoordeeld dat de minister de gestelde problemen van eiser met de inlichtingendienst en Al Asa’eb niet ten onrechte ongeloofwaardig heeft geacht en dat de geloofwaardig geachte elementen onvoldoende zwaarwegend zijn om tot vergunningverlening te leiden.
4.1 In de tussenuitspraak heeft de rechtbank daarnaast geoordeeld dat eiser in beroep een nieuw asielmotief naar voren heeft gebracht, namelijk dat hij vanwege zijn lange verblijf in het Westen bij terugkeer naar Irak vreest voor de militie Al Asa’eb. De rechtbank heeft de minister opgedragen om dit nieuwe asielmotief alsnog bij de besluitvorming te betrekken en daarover een aanvullend besluit te nemen.
4.2 De minister heeft vervolgens op 19 september 2025 een aanvullend besluit genomen. De rechtbank beoordeelt daarom in deze uitspraak uitsluitend de beroepsgronden die betrekking hebben op het nieuwe asielmotief en het aanvullend besluit. De rechtbank merkt daarbij op dat het aanvullend besluit een besluit in de zin van artikel 6:19 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) betreft zodat het beroep van rechtswege mede betrekking heeft op dit besluit.
Het nieuwe asielmotief
5. Eiser legt aan zijn asielaanvraag ten grondslag dat hij bij terugkeer naar Irak vreest voor de militie Al Asa’eb vanwege zijn lange verblijf in het Westen. Volgens eiser is Al Asa’eb antiwesters en door de Verenigde Staten als terroristische organisatie aangemerkt. Al Asa’eb heeft veel macht, onder andere op het vliegveld in Bagdad. Omdat eiser al tien jaar in Europa verblijft en alleen kan terugkeren met een door de Iraakse autoriteiten verleend laissez-passer, vreest hij bij terugkeer via het vliegveld van Bagdad gevaar te lopen van de zijde van Al Asa’eb.
Het aanvullend besluit
6. De minister acht de vrees voor de militie Al Asa’eb vanwege eisers lange verblijf in het Westen niet aannemelijk. De minister heeft daarbij betrokken dat het geweld van Al Asa’eb zich voornamelijk richt op Amerikaanse doelen en lokale politieke tegenstanders en dat niet aannemelijk is gemaakt dat eiser enkel vanwege zijn verblijf in Europa een gegronde vrees voor vervolging heeft of een reëel risico loopt op ernstige schade. De minister heeft daarbij verwezen naar verschillende bronnen over de situatie in Irak. Verder blijkt uit landeninformatie niet dat Irakezen die in het buitenland asiel hebben aangevraagd en vervolgens terugkeren hierdoor (stelselmatig) problemen ondervinden bij terugkeer. Ook blijkt uit deze landeninformatie dat het inreizen met een laissez-passer niet ongewoon is en terugkeerders daarover niet worden bevraagd bij terugkeer. Tot slot wijst de minister erop dat er nog broers en zussen van eiser in Bagdad wonen zodat bij terugkeer sprake is van een sociaal vangnet. De afwijzing van de asielaanvraag blijft daarom in stand.
Heeft eiser te vrezen voor de militie Al Asa’eb bij terugkeer naar Irak?
7. Op zitting is duidelijk geworden dat eiser niet langer overtuigd is van de religie van de Jehova’s getuigen. Wel is eiser geïnteresseerd in het Christendom. Van bekering is echter nog geen sprake. Dit is door de minister niet betwist. De rechtbank zal deze feiten dan ook als uitgangspunt nemen voor haar beoordeling. De gronden die zien op de gevolgen van de eerdere aansluiting bij de Jehova’s getuigen, alsmede de gestelde onzorgvuldigheden in het gehoor op dit punt laat de rechtbank dan ook onbesproken.
7.1 Eiser betoogt allereerst dat de minister er ten onrechte van uitgaat dat Al Asa’eb zich voornamelijk richt op Amerikaanse doelen en politieke tegenstanders. Volgens eiser volgt uit verschillende bronnen dat Al Asa’eb zich ook richt op westerse invloeden en on-islamitische activiteiten. Dit betreft onder andere de LHBTIQ+ gemeenschap en christenen.. Hieruit blijkt dat Al Asa’eb zijn pijlen heeft gericht op alle westerse invloeden en daarmee ook op eiser die langdurig in het Westen heeft verbleven. De door de minister gemaakte afbakening van de doelwitten van Al Asa’eb is te beperkt. Bovendien wordt eiser hierdoor beperkt om zijn interesse in het Christendom in Irak verder te onderzoeken en te ontwikkelen. Ook heeft de minister onvoldoende onderzocht of zijn verwesterde levensstijl een risico oplevert bij terugkeer. Eiser rookt marihuana.
7.2 Het betoog van eiser slaagt niet. De minister stelt zich terecht op het standpunt dat Al Asa’eb inderdaad een antiwesterse houding heeft, maar dat het geweld van de militie zich vooral richt op Amerikaanse doelen en lokale politieke tegenstanders. De minister heeft deze stelling nader onderbouwd met informatie van het Washington Institute en de non-profitorganisatie Armed Conflict Location & Event Data (ACLED). Hieruit volgt dat aan Iran gelieerde milities, waaronder Al Asa’eb, zich in de periode juni 2019 tot december 2024 voornamelijk richtten op konvooien met materieel voor Amerikaanse troepen en troepen van de Global Coalition Against Daesh, Turkse basissen en vermeende on-islamitische activiteiten, bestaande uit aanvallen op drankwinkels. Uit de door eiser aangehaalde landeninformatie blijkt niet dat deze informatie niet langer actueel is. Eiser heeft in beroep gewezen op verschillende rapporten waaruit blijkt dat Al Asa’eb negatief staat tegenover de LHBTIQ+ gemeenschap. De minister wijst er echter terecht op dat dit niet alleen geldt voor Al Asa’eb, maar voor alle geledingen van de Iraakse samenleving. De minister wijst erop dat personen die behoren tot de LHBTIQ+-gemeenschap in Irak als groep worden aangemerkt die systematisch wordt blootgesteld aan vervolging in de zin van artikel 1A van het Vluchtelingenverdrag. Eiser behoort echter niet tot deze groep. Hetzelfde geldt voor de informatie die eiser in beroep heeft aangehaald over geweld en discriminatie van christenen door Al Asa’eb. Immers eiser heeft enkel interesse in het Christendom en is (nog) niet bekeerd. Dat dit effect kan hebben op de mogelijkheid van eiser om deze interesse bij terugkeer naar zijn land van herkomst verder te ontwikkelen maakt het voorgaande niet anders. Daarbij acht de rechtbank allereerst van belang dat het niet duidelijk is of eiser deze interesse verder zal ontwikkelen. Daarnaast heeft de minister gewezen op het Algemeen Ambtsbericht van november 2023 waaruit volgt dat het niet-praktiseren van de islam in het dagelijks leven doorgaans geen problemen oplevert en dat het in verschillende gebieden, waaronder Bagdad waar eiser vandaan komt, mogelijk is het christelijk geloof in vrijheid te belijden.
Voor wat betreft het roken van marihuana stelt de minister op zitting terecht dat van eiser, gelet op zijn achtergrond en leeftijd, verwacht mag worden dat hij zich in zekere mate aanpast aan de Iraakse samenleving en zich kan conformeren aan de normen en waarden zoals die gelden in Irak. Aan het betoog dat eiser over zijn verwesterde levensstijl tijdens het aanvullend gehoor nader bevraagd had moeten worden, gaat de rechtbank dan ook voorbij. Dit kan immers, gelet op het voorgaande, inhoudelijk niet tot een ander oordeel leiden.
7.3 Verder heeft de minister zich in het aanvullend besluit, onder verwijzing naar landeninformatie, terecht op het standpunt gesteld dat uit landeninformatie niet blijkt dat terugkerende Irakezen die in het buitenland asiel hebben aangevraagd enkel hierdoor problemen krijgen in hun land van herkomst. Het inreizen met een laissez-passer levert evenmin een dergelijk probleem op. In het aanvullend besluit heeft de minister verwezen naar het ambtsbericht van de Duitse autoriteiten van 2025, waarin staat dat tot op heden geen informatie bekend is dat Irakezen die uit Duitsland (gedwongen) terugkeren te maken hebben met systematische discriminatie. Eiser heeft in beroep terecht aangevoerd dat dit rapport niet openbaar toegankelijk is. Vervolgens heeft de minister een kopie van dit rapport overgelegd. De inhoud hiervan is door eiser in beroep niet weersproken.
7.4 Dat is anders als het gaat om de overwegingen in het aanvullend besluit over het bestaan van een sociaal netwerk. Eiser betoogt dat de minister ten onrechte ervan uitgaat dat hij bij terugkeer naar Bagdad over een sociaal netwerk beschikt. Volgens eiser heeft de minister in het aanvullend gehoor wel gevraagd naar familieleden die nog in Irak wonen, maar niet onderzocht of deze familieleden daadwerkelijk een sociaal vangnet voor hem kunnen vormen. Eiser heeft toegelicht dat zijn familieleden eigen gezinnen hebben en maar net rondkomen. Ook betwist hij dat zijn broer zijn scheiding heeft geregeld, omdat zijn broer volgens eiser zonder overleg met hem voor de scheiding heeft getekend. Verder voert eiser aan dat de minister had moeten beoordelen of zijn familieleden bereid zouden zijn hem vanwege zijn verwestering weer op te nemen en of zij daarbij zelf een risico zouden lopen. Ter onderbouwing verwijst eiser daarnaast naar de uitspraak van deze rechtbank en zittingsplaats van 20 december 2023, waarin onder verwijzing naar de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State van 22 juni 2022 is gewezen op het belang van verschillende factoren bij de beoordeling van verwestering en het risico bij terugkeer naar Irak.
7.5 De rechtbank merkt allereerst op dat de vraag of sprake is van een sociaal netwerk pas relevant kan worden als dit van invloed is op het gestelde risico dat eiser bij terugkeer loopt. Immers, tussen partijen is niet in geschil dat het ontbreken van een sociaal netwerk op zichzelf geen risico op ernstige schade of vervolging oplevert. Eiser heeft op zitting gesteld dat hij door het ontbreken van een sociaal netwerk makkelijker het slachtoffer wordt van de militie Al Asa’eb. Deze stelling heeft eiser echter niet nader onderbouwd. De minister heeft op zitting aangegeven dat de passages in het aanvullend besluit zo begrepen moeten worden dat dit invloed kan hebben op de (on)mogelijkheid van eiser om zich weer aan te passen aan de normen en waarden zoals die gelden in Irak. De rechtbank heeft hierboven al geoordeeld dat van eiser (ongeacht zijn sociale netwerk) verwacht mag worden dat hij zich in zekere mate aanpast aan de normen en waarden zoals deze gelden in de Irakese samenleving. Bovendien staat vast dat eiser over familie beschikt in Bagdad en dat hij nog contact heeft met deze familie, zodat sprake is van een sociaal netwerk. Dat de minister had moeten beoordelen of zijn familie, gelet op zijn verwestering, bereid is om op te nemen of daarbij zelf risico lopen volgt de rechtbank niet. Eiser heeft immers niet gemaakt dat hij vanwege zijn lange verblijf in het westen een reëel risico op ernstige schade loopt. De verwijzing naar de uitspraak van deze rechtbank en zittingsplaats van 20 december 2023 leidt niet tot een ander oordeel. In die uitspraak ging het over het gestelde risico dat de vreemdeling zou lopen bij terugkeer naar zijn land van herkomst als gevolg van zijn afvalligheid en de rol die het sociale netwerk daarin speelt. Daarvan is in deze zaak geen sprake.
7.6 De rechtbank komt dan ook tot de conclusie dat de minister zich terecht op het standpunt stelt dat eiser niet aannemelijk heeft gemaakt dat hij een reëel risico loopt op ernstige schade bij terugkeer naar Irak vanwege zijn lange verblijf in het Westen. De afwijzing van de asielaanvraag blijft daarmee in stand.
Heeft eiser recht op een schadevergoeding vanwege de overschrijding van de redelijke termijn?
8. Op zitting heeft eiser verzocht om schadevergoeding vanwege overschrijding van de redelijke termijn.
8.1 De rechtbank overweegt dat als uitgangspunt in een zaak als deze geldt dat de behandeling van het beroep ten hoogste twee jaar mag duren. De redelijke termijn begint in asielzaken met het instellen van beroep. Als de redelijke termijn is overschreden, bedraagt de schadevergoeding in principe € 500,- per half jaar waarmee de termijn is overschreden, waarbij het totaal van de overschrijding naar boven wordt afgerond.
8.2 Eiser heeft op 20 september 2022 beroep ingesteld tegen het niet tijdig nemen van een beslissing op zijn aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd. Vervolgens heeft de minister op 21 februari 2023 de aanvraag van eiser in de algemene procedure afgewezen als ongegrond. De termijn begint met het instellen van het beroep, maar wanneer tijdens de behandeling van een beroep tegen het niet tijdig nemen van een besluit op een aanvraag alsnog een reëel besluit wordt genomen waartegen een beroep van rechtswege ontstaat, gaat de rechtbank ervan uit dat de termijn aanvangt op de dag waarop het beroep van rechtswege is ontstaan. Die laatste situatie is in dit geval aan de orde, met het besluit van 21 februari 2023. Tot aan de uitspraak van de rechtbank van vandaag heeft de procedure 3 jaar en 8 maanden geduurd (naar boven afgerond). Dat betreft een overschrijding van 1 jaar en 8 maanden. 8.3. Als een zaak na een eerdere vernietiging opnieuw aan de rechter wordt voorgelegd, wordt de overschrijding van de redelijke termijn in beginsel volledig toegerekend aan het bestuursorgaan. De redelijke behandelingsduur in beroep is niet overschreden als deze niet langer dan twee jaar vanaf het instellen van het beroep heeft geduurd. Bij meer rechterlijke procedures geldt die termijn voor iedere aparte procedure. 8.4. De behandeling in het eerste beroep heeft niet langer dan twee jaar geduurd. In het tweede beroep heeft de rechtbank een tussenuitspraak gedaan. In geval van een bestuurlijke lus geldt dat de redelijke termijn niet is overschreden als de rechtbank binnen anderhalf jaar na het instellen van het beroep tussenuitspraak heeft gedaan, en binnen één jaar na de mededeling van het bestuursorgaan over de wijze waarop het gebrek is hersteld einduitspraak heeft gedaan. De rechtbank heeft wel binnen anderhalf jaar na het instellen van het beroep een tussenuitspraak gedaan, maar niet binnen een jaar na het aanvullend besluit een einduitspraak. Deze termijn heeft de rechtbank met 1 maand overschreden. Dit betekent dat de termijnoverschrijding voor 1/20 voor rekening van de rechtbank komt. Voor het overige is de overschrijding van de redelijke termijn toe te rekenen aan de minister.
8.5 Uitgaande van een forfaitair bedrag van € 500,00 per half jaar dat de redelijke termijn is overschreden, waarbij het totaal van de overschrijding naar boven wordt afgerond, bedraagt de aan eiser toe te kennen schadevergoeding € 2.000,00. Omdat de overschrijding aan de minister en de rechtbank is toe te rekenen, wordt de vergoeding van de schade naar evenredigheid uitgesproken ten laste van de minister en de Staat. De minister wordt veroordeeld tot betaling van € 1900,- en de Staat tot betaling van € 100,- als vergoeding voor de door haar geleden immateriële schade.
Conclusie en gevolgen
9 De rechtbank verklaart het beroep tegen het niet tijdig nemen van een besluit op een aanvraag niet-ontvankelijk. Omdat de afwijzing van de asielaanvraag in stand blijft, is het beroep gericht tegen het bestreden besluit en het aanvullend besluit ongegrond.
9.1 Omdat de minister niet binnen de wettelijke termijn heeft beslist en eiser dus terecht een beroep niet tijdig heeft ingesteld, wordt de minister veroordeeld in de kosten die eiser in zoverre heeft moeten maken. De proceskosten voor het beroep tegen het niet tijdig beslissen stelt de rechtbank op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht vast op
€ 467 (1 punt voor het indienen van het beroepschrift met een waarde van € 934,- en een wegingsfactor 0,5).
9.2 Verder heeft eiser recht op proceskosten vanwege de toekenning van het verzoek om schadevergoeding voor overschrijding van de redelijke termijn tot een bedrag van € 467 (1 punt voor het indienen van het verzoek met een waarde van € 934,- en een wegingsfactor 0,5). Omdat deze termijnoverschrijding zowel de minister als de rechtbank is aan te rekenen zal deze, om redenen van uitvoerbaarheid, voor de helft aan de minister worden toegerekend en voor de helft aan de Staat der Nederlanden.
Beslissing
De rechtbank:
verklaart het beroep tegen het niet tijdig nemen van een besluit op een aanvraag niet-ontvankelijk;
verklaart het beroep tegen het bestreden en aanvullend besluit ongegrond;
veroordeelt de minister tot betaling van € 700,50 aan proceskosten aan eiser;
veroordeelt de Staat der Nederlanden tot betaling van € 233,50 aan proceskosten aan eiser;
veroordeelt de minister tot betaling aan eiser van vergoeding van de schade wegens overschrijding van de redelijke termijn tot een bedrag van € 1900,-;
veroordeelt de Staat der Nederlanden tot betaling aan eiser van vergoeding van de schade wegens overschrijding van de redelijke termijn tot een bedrag van € 100,-.
Deze uitspraak is gedaan door mr. A.S. Gaastra, rechter, in aanwezigheid van mr. N. Habibi, griffier.
Uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met de uitspraak en de tussenuitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen vier weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.
Aangehaalde artikelen
Aangehaalde uitspraken
- ABRvS 10 maart 2026, ECLI:NL:RVS:2026:1312
- Rb. Den Haag 11 november 2025, ECLI:NL:RBDHA:2025:27928
- Rb. Den Haag 9 mei 2025, ECLI:NL:RBDHA:2025:8126
- ABRvS 23 december 2024, ECLI:NL:RVS:2024:5315
- ABRvS 31 oktober 2024, ECLI:NL:RVS:2024:4407
- ABRvS 5 juni 2024, ECLI:NL:RVS:2024:2334
- Rb. Den Haag 20 december 2023, ECLI:NL:RBDHA:2023:20796
- ABRvS 5 april 2023, ECLI:NL:RVS:2023:1331
- HR 19 februari 2016, ECLI:NL:HR:2016:252