Rb. Den Haag 17 september 2026, ECLI:NL:RBDHA:2026:27590
Vovo tegen verleende omgevingsvergunning voor onder meer (1) het opzettelijk verstoren van en (2) het beschadigen of vernielen van de voortplantingsplaatsen of rustplaatsen van de gewone dwergvleermuis afgewezen. Het college heeft mogen aannemen dat het project slechts een beperkt effect zal hebben op de lokale populatie van de gewone dwergvleermuis. In wat eisers hebben aangevoerd heeft het college geen aanknopingspunten hoeven vinden om aan te nemen dat dit beperkte effect, zowel op zichzelf beschouwd als in combinatie met andere projecten in de omgeving van het perceel, een negatieve invloed zal hebben op de gunstige staat van instandhouding van de gewone dwergvleermuis. Het college heeft zich op het standpunt mogen stellen dat is voldaan aan artikel 8.74k, eerste lid, van het Bkl, zodat de gevraagde omgevingsvergunning kon worden verleend. Kortsluiting.
De uitspraak op rechtspraak.nl