Rb. Den Haag 16 september 2026, ECLI:NL:RBDHA:2026:27101

Ondernemingsrecht. Tussenvonnis. Hoofdzaak en incidenten, waaronder een voorlopige voorziening. Beëindiging jarenlange samenwerking voormalig zakenpartners. Partijen hebben een overeenkomst gesloten en een bindend adviesprocedure gevolgd voor de verdeling en ontvlechting van hun gezamenlijke ondernemingen. De vorderingen zien op nakoming van de overeenkomst en de geldigheid van het bindend advies.

De uitspraak op rechtspraak.nl

Tekst

vonnis
RECHTBANK DEN HAAG
Team handel
Vonnis in de hoofdzaak en in de incidenten van 16 september 2026
In de zaak met zaak- / rolnummer: C/09/691239 / HA ZA 25-778 van:
[eiser] te [woonplaats 1] , Roemenië,
eiser in conventie,
gedaagde in reconventie,
eiser in de incidenten op de voet van artikel 11 Rv, artikel 110 Rv en artikel 223 Rv,
verweerder in de incidenten o.g.v. artikel 195 Rv en artikel 223 Rv,
hierna te noemen: [eiser] ,
advocaten mrs. F. Eikelboom en S.E. Harenberg te Amsterdam,
tegen
[gedaagde] te [woonplaats 2] , Zwitserland,
gedaagde in conventie,
eiser in reconventie,
eiser in de incidenten op de voet van artikel 195 Rv en artikel 223 Rv,
verweerder in de incidenten o.g.v. artikel 11 Rv, artikel 110 Rv en artikel 223 Rv,
hierna te noemen: [gedaagde] ,
advocaten mrs. H.P. Plas en K. Noorman te Utrecht.

1 Inleiding

1.1 Partijen zijn voormalig zakenpartners van elkaar. Na jarenlange samenwerking hebben partijen een overeenkomst gesloten (de ‘HoA’) en een bindend adviesprocedure gevolgd voor de verdeling en ontvlechting van hun gezamenlijke ondernemingen. De vorderingen van partijen zien kort gezegd op nakoming van de HoA en de geldigheid van het bindend advies.

1.2 De rechtbank kan in dit stadium van de procedure nog niet alle vorderingen beoordelen, omdat zij over enkele onderwerpen niet over voldoende informatie beschikt. Daarom wijst zij in de hoofdzaak een tussenvonnis. Wel oordeelt de rechtbank dat zij [eiser] zal bevrijden uit de verplichting van de artikelen 16 en 18 HoA om geschillen voor te leggen aan een bindend adviseur.

1.3 Op enkele incidentele vorderingen beslist de rechtbank ook al in dit vonnis.
De incidentele vordering van [eiser] om een voorlopige voorziening wijst de rechtbank toe. Zij veroordeelt [gedaagde] mee te werken aan levering aan [eiser] van het door hem gehouden aandelenbelang van 1% in het kapitaal van Tempting Brands International Srl.
De provisionele vorderingen van [gedaagde] ziend op de uitleg van de HoA en de vernietiging van het bindend advies wijst de rechtbank af.

1.4 De incidentele inzagevordering van [gedaagde] verwijst de rechtbank naar de rechter bij deze rechtbank die het voor deze zaak relevante verzoekschrift voorlopige bewijsverrichtingen van [gedaagde] behandelt.

2 De procedure

2.1 Het procesdossier bestaat uit de volgende stukken:
- de dagvaarding van 5 maart 2025 tegen de eerste roldatum van 10 september 2025;
- de betekeningsstukken;
- de akte overlegging producties 1 tot en met 40 van [eiser] , met producties 1 tot en met 40;
- het e-mailbericht van 11 september 2025 van de rechtbank aan partijen;
- de rolbeslissing van 30 september 2025;
- de rolbeslissing van 7 oktober 2025;
- de incidentele conclusie tot oproeping in vrijwaring, tevens incidentele conclusie tot provisionele vordering tot inzage, afschrift of uittreksel van gegevens van [gedaagde] , met producties 1 tot en met 21;
- de conclusie van antwoord in de incidenten, tevens houdende incidentele conclusie tot voeging (tevens houdende conclusie tot relatieve onbevoegdheid) van [eiser] , met producties 41 t/m 58;
- de rolbeslissing van 19 november 2025;
- de akte uitlating van 24 december 2025 van [gedaagde] , in reactie op randnummer 2.23 van de rolbeslissing;
- de akte uitlating van 24 december 2025 van [eiser] , in reactie op randnummer 2.23 van de rolbeslissing;
- de conclusie van antwoord in de incidenten, tevens houdende incidentele conclusie tot voeging op grond van artikel 222 Rv (tevens houdende conclusie tot (relatieve) onbevoegdheid) van [gedaagde] , met producties 22 tot en met 44;
- de rolbeslissing van 17 december 2025;
- de akte uitlating van [gedaagde]
- het vonnis in incident van 14 januari 2026, waarin [gedaagde] is toegestaan om [naam 1] en Van Benthem & Keulen (VBK) in vrijwaring te doen dagvaarden;
- de conclusie van antwoord reconventie alsmede in het incident op de voet van artikel 223 Rv tevens houdende exceptie van (internationale en relatieve) onbevoegdheid tevens houdende akte overlegging producties tevens houdende voorwaardelijke conclusie van eis in een incident op de voet van artikel 223 Rv van [eiser] , met producties 59 tot en met 84;
- de conclusie van antwoord in incident houdende exceptie van (internationale en relatieve) onbevoegdheid en in incident houdende voorwaardelijke provisionele vordering op de voet van artikel 223 Rv van [gedaagde] , met productie 45;
- de akte overlegging producties van 12 juni 2026 van [eiser] , met producties 85 tot en met 91; en
- de brief van 11 juni 2026, met producties 46, 47 en 48, van [gedaagde] .

2.2 Op 22 juni 2026 heeft de mondelinge behandeling van de zaak plaatsgevonden.
Het verzoekschrift voorlopige bewijsverrichtingen ex artikel 196 Rv (zaak- / rekestnummer C/09/691307 / HA RK 25-479) en de vrijwaringszaak (zaak- / rolnummer C/09/699726 / HA ZA 26-180) zijn gelijktijdig behandeld.
Mrs. Eikelboom en Plas hebben spreekaantekeningen voorgedragen en partijen hebben vragen van de rechtbank beantwoord en op elkaar kunnen reageren. De griffier heeft aantekeningen gemaakt van wat er tijdens de zitting is besproken.

3 De feiten

3.1 Partijen zijn (voormalig) zakenpartners van elkaar. Zij hebben van 1993 tot november 2023 samengewerkt als ondernemers in verschillende rechtspersonen. De ondernemingen van partijen hielden zich bezig met activiteiten op het gebied van vastgoed, software en het exploiteren van merkenrechten. Om fiscale redenen zijn de ondernemingen gevestigd in verschillende landen en sluit de feitelijke gerechtigdheid van partijen tot de ondernemingen niet aan bij de formele juridische eigendom en verdeling van aandelen in de verschillende vennootschappen.

3.2 Zowel [eiser] als [gedaagde] hebben in de loop van de jaren geld opgenomen uit de gezamenlijke ondernemingen. Ook vonden stortingen plaats en zijn dividenduitkeringen in de rekeningen-courant verwerkt. Op 16 juli 2019 hebben partijen donatie- en leningsovereenkomsten met elkaar gesloten (de ‘donatie- en leningsovereenkomsten’) om administratieve verschillen te corrigeren tussen de door hen berekende rekening-courantstanden en de rekening-courantstanden volgens de administratie.

3.2.1 Partijen zijn in artikel 11 lid 2 van de overeenkomst met titel: “Subordinated Loan Agreement 190716/2” van 16 juli 2019 overeengekomen dat geschillen in verband met deze overeenkomst of daaruit voortvloeiende overeenkomsten exclusief zullen worden voorgelegd aan de bevoegde rechter te Vaduz, Liechtenstein. In de overige overeenkomsten van 16 juli 2019 is een soortgelijke bepaling opgenomen.

3.2.2 In de “Donation Agreement 190716/1” van 16 juli 2019 staat onder meer:
“[gedaagde] [= [gedaagde] , rechtbank] has been given a full and complete opportunity to conduct its own investigation as to any matter, fact or issue that might influence [gedaagde] ’s decision to accept the Property form Donor. Accordingly, [gedaagde] is willing to accept the Property from Donor without any representations or warranties whatsoever regarding the Property and on an “as is, where is” and ‘with all faults’ basis.”

3.3 Partijen zijn in 2021 een mediationtraject aangegaan onder leiding van [naam 1] als mediator, om kort gezegd inzicht te krijgen in de eigendomsverhoudingen van hun ondernemingen en de financiële administratie om financieel te kunnen afrekenen alsof partijen in een gelijke verhouding aandeelhouder waren. [naam 1] was sinds 2001 vertrouwenspersoon van partijen.

3.4 Op 4 mei 2021 hebben partijen een overeenkomst met elkaar gesloten die betrekking had op het verschil in rekeningen-courantstanden. Hierin is onder meer opgenomen dat [gedaagde] per saldo € 3.137.027 meer heeft opgenomen dan [eiser] (‘overeenkomst van 4 mei 2021’). Verder hebben partijen afstand gedaan van het recht om de overeenkomst in zijn geheel of gedeeltelijk te (doen) ontbinden, vernietigen of anderszins te beëindigen (artikel 10). Partijen kwamen overeen dat geschillen over de uitvoering of interpretatie van de overeenkomst waarvan het niet mogelijk is om deze op te lossen met behulp van mediation en alle overige geschillen die mochten ontstaan naar aanleiding van de overeenkomst zullen worden voorgelegd aan de rechtbank Midden-Nederland, locatie Utrecht (artikel 12).

3.5 Op 22 december 2021 hebben partijen een aandeelhoudersovereenkomst gesloten met betrekking tot Tempting Brands AG (‘TBAG’), waarin zij ieder 50% van de aandelen houden. In de aandeelhoudersovereenkomst is een forumkeuze voor de rechter in Zwitserland opgenomen.

3.6 In mei 2023 is bij [gedaagde] een ziekte gediagnosticeerd.

3.7 Op 8 november 2023 hebben partijen een overeenkomst met elkaar gesloten, de Heads of Agreement (‘HoA’). De HoA is onder begeleiding van [naam 1] tot stand gekomen en is bedoeld om de belangen van [eiser] en [gedaagde] in hun gezamenlijke ondernemingen te ontvlechten en gelijkelijk te verdelen. Partijen spraken af dat [naam 1] de in de HoA gemaakte afspraken nader zou uitwerken in een aandeelhoudersovereenkomst. Partijen zijn de HoA zowel voor zichzelf aangegaan, als voor de rechtspersonen waarin zij direct of indirect als aandeelhouder of bestuurder zeggenschap hebben. Deze rechtspersonen zijn genoemd in voetnoot 1 van de HoA. Voor zover nu van belang gaat het om de volgende vennootschappen:
 TBAG;
 EURIMO AG (‘Eurimo’);
 Tempting Brands International SRL (‘TBIS’);
 [bedrijf 1] B.V. (‘ [bedrijf 1] ’);
 SC General Magic Technology SRL (‘GMT’).

3.8 Partijen zijn in de HoA het volgende overeengekomen:
“verklaren en komen overeen als volgt:
Na een behoorlijke procedure (schriftelijke toelichting en hoor en wederhoor) wordt het bedrag van het rekening courant verschil waar [eiser] [= [eiser] , rechtbank] of [gedaagde] [= [gedaagde] , rechtbank] per 31 oktober 2023 per saldo recht op heeft, door [naam 1] (hierna: “ [naam 1] ”) bindend vastgesteld (“S”). [gedaagde] en [eiser] zullen onverwijld aan de hier bedoelde procedure hun medewerking verlenen.
De aandelen die [gedaagde] houdt in het kapitaal van [bedrijf 1] gaan direct na ondertekening van deze Heads of Agreement over naar [eiser] .
Er geldt geen upside deling ten aanzien van [bedrijf 1] en TB of enige andere in voetnoot 1
genoemde vennootschap.
4. [eiser] krijgt de rechten op het o/g., waarbij wordt uitgegaan van een waardering van 7.450.733 euro. Het (uiteindelijke) bedrag van S wordt van die waarde afgetrokken en het restant (“R”) wordt geteld bij de 10.650.000 euro voor TB. Dat totaal (“T”) is te verdelen. Het [gedaagde] toekomende deel van R (“ [gedaagde] ”) verblijft aan [eiser] (die immers alle rechten op het o/g verkrijgt) en wordt in mindering gebracht op de helft van 10.650.000 (het aandeel van [eiser] in de waarde van TB).
5. Uitgaande van een waardering van 10.650.000 voor TB, wordt 10.650.000 gedeeld door het aantal aandelen. [gedaagde] verkrijgt van [eiser] zoveel TB gehouden aandelen als corresponderend met [gedaagde] gedeeld door de prijs per aandeel. De overige door [eiser] in het kapitaal van TB gehouden aandelen worden voorwerp van een put/call optie tegen de initiële prijs (de prijs per aandeel als volgend uit dit onderdeel 5) plus inflatie.
6. Het aantal aandelen in het kapitaal van TB dat door [eiser] aan [gedaagde] zal worden overgedragen, wordt door [eiser] geleverd zodra S is vastgesteld.
7. Het IP van software wordt verkocht door Tempting Brands AG (TBAG) aan [bedrijf 1] BV( [bedrijf 1] ) voor de waarde van de tax ruling (CHF 700K) plus de waarde van de IP facturen uit Q1 2023 die General Magic Srl (GMSrl) gestuurd heeft aan TBAG ter grootte van EUR 408’744,-. De daardoor ontstane vordering van TBAG op [bedrijf 1] wordt verrekend met het rekening courant dat [eiser] bij TBAG heeft.
8. GMTSRL [Is dit SC General Magic Technology SRL?] wordt voor een minimale waarde verkocht door [eiser] en [gedaagde] aan Magic Lane Holding BV.
9. TB International SRL verandert haar naam in een naam die niet refereert aan of associeert met TB.
10. De aan TB behorende internet domeinen worden overgedragen aan TB.
11. Er zullen over en weer geen andere vrijwaringen of garanties gelden dan uitdrukkelijk blijkend uit deze Heads of Agreement of de aandeelhoudersovereenkomst.
12. [gedaagde] en [eiser] verklaren dat zij geen informatie onvermeld hebben gelaten, waarvan zij (behoren te) weten, dat die van belang was voor de ander om te besluiten akkoord te gaan met deze Heads of Agreement.
13. Er komt een aandeelhoudersovereenkomst met betrekking tot TB, waarvan de strekking is dat de aandeelhouderswaarde zo veel mogelijk wordt behouden, onder meer – maar daartoe niet beperkt - door de afspraak dat boven de solvabiliteitsnorm van 20% wordt alle winst wordt uitgekeerd en anders dan at arm’s length geen bedrijfsonderdelen zullen worden vervreemd.
14. De hiervoor bedoelde aandeelhoudersovereenkomst met betrekking tot TB zal worden opgesteld door [naam 1] , die zich desgewenst kan voorzien van de hulp van een kantoorgenoot;
15. Met betrekking tot het verval/ verrekening van schulden/vorderingen tussen de verschillende betrokken (groeps)maatschappijen en personen, geldt het volgende: Anders dan de door [naam 1] vast te stellen rekening courant per 31 oktober 2023 bestaan er na uitvoering van de aandeelhoudersovereenkomst geen schulden meer tussen partijen in privé en tussen de ondernemingen van partijen over en weer. Verrekening vindt plaats volgens een aan de Heads of Agreement te hechten bijlage.
16. Voor zover er bij de uitwerking van deze Heads of Agreement of anderszins tussen aandeelhouders een verschil van mening overblijft of ontstaat, zal over dat onderwerp door de hierna te noemen dispute board een bindend advies worden gegeven, tot de naleving waarvan de ondergetekenden zich nu voor alsdan verplichten.
17. [gedaagde] en [eiser] verbinden zich tot onvoorwaardelijke en onverwijlde medewerking aan al hetgeen gewenst en nodig is voor de nakoming van de verbintenissen als genoemd in deze Heads of Agreement en in de als uitvloeisel daarvan op te stellen aandeelhoudersovereenkomst zowel pro se als in hun hoedanigheid van aandeelhouder en/ of bestuurder van de in voetnoot 1 van deze Heads of Agreement genoemde rechtspersonen.
18. Er komt een dispute board in de persoon van [naam 1] . Mocht [naam 1] niet (langer) bereid of in staat zijn deze rol op zich te nemen, dan zal hij een derde aanwijzen om die rol op zich te nemen, welke derde dan de dispute board zal belichamen.
19. De ondergetekenden doen afstand van het recht om deze Heads of Agreement te ontbinden of te vernietigen of daar van de ontbinding of vernietiging te vorderen.
20. Op deze Heads of Agreement is het Nederlands recht van toepassing en in een geval van een geschil over een ingevolge deze overeenkomst uit te brengen bindend advies of een buiten het bereik van deze Heads of Agreement vallend geschil, is bij uitsluiting de Nederlandse rechter bevoegd.”

3.9 Ter uitvoering van artikel 1 HoA hebben partijen op 11 november 2023 een bindend-advies-overeenkomst gesloten, waarin zij het volgende zijn overeengekomen:
“Opdracht: Bindende vaststelling van het bedrag van het rekening courant verschil waar [eiser] of [gedaagde] per 31 oktober 2023 per saldo recht op heeft.
Procedure :
(1) [gedaagde] en [eiser] krijgen ieder tot 3 december 2023 de gelegenheid hun visie op de verschillende rekening courant standen digitaal aan [naam 1] te sturen. Die zal de desbetreffende stukken uitwisselen. De stukken dienen te zijn voorzien van de aan de in de stukken ingenomen standpunten ten grondslag liggende bewijsstukken (zoals uit de administratie).
(2) De door [gedaagde] en [eiser] in te zenden stukken zullen in Word (fond Calibri 11) worden aangeleverd en de bijlagen in reproduceerbare vorm en tevens in hard copy per koerier worden verzonden aan [naam 1] , (…).
(3) Na uitwisseling van de hier voor bedoelde stukken, krijgt ieder de gelegenheid tot 11 december 2023 om schriftelijk te reageren op de van de ander ontvangen stukken. De reactie op de stukken van de ander zullen weer op dezelfde wijze als onder 1) genoemd worden toegezonden aan [naam 1] , die weer voor toezending aan beiden zal zorgen van de reactie van de ander.
(4) Op 20 december 2023 om 10.00 uur zal een virtuele bijeenkomst plaatsvinden, waarbij [gedaagde] en [eiser] de gelegenheid hebben de door hen ingestuurde stukken toe te lichten en elkaar te bevragen. In deze bijeenkomst zal worden onderzocht of er nog behoefte bestaat aan een nadere uitwisseling van stukken, dan wel of [naam 1] nog nadere informatie wil ontvangen.
[naam 1] verneemt graag welke dagen in de week van 18 december [gedaagde] en [eiser] voor een virtuele bijeenkomst beschikbaar kunnen zijn.
Het bindend advies van [naam 1] geldt tussen [gedaagde] en [eiser] als vaststellingsovereenkomst tussen hen beiden.”

3.10 [naam 1] heeft de opdracht tot het geven van een bindend advies aanvaard.

3.11 Bij e-mailbericht van 9 december 2023 heeft [naam 1] partijen gevraagd om ermee in te stemmen dat hij zou oordelen als goede man naar billijkheid. Hierop heeft [gedaagde] bij e-mailbericht van diezelfde dag geantwoord: “Uiteraard akkoord.”

3.12 [naam 1] heeft op 24 maart 2024 een bindend advies uitgebracht (het bindend advies), ter uitvoering van de HoA en de bindend-advies-opdracht. [naam 1] heeft als uitgangspunt genomen dat de overeenkomsten van 16 juli 2019 en 4 mei 2021 rechtsgevolgen hebben en moeten worden nagekomen. [naam 1] heeft in het bindend advies het rekening-courant saldo zoals vermeld in de overeenkomst van 4 mei 2021 tot uitgangspunt genomen. [naam 1] heeft, als goede man naar billijkheid, bepaald dat het rekening-courant verschil tussen [eiser] en [gedaagde] op 31 oktober 2023 € 2.500.000 is.

3.13 In een e-mailbericht van 12 april 2024 heeft [gedaagde] aan [naam 1] het volgende meegedeeld:
“Ik wil hierbij laten weten dat ik mij niet kan vinden in de (bijzonder teleurstellende) uitkomst van het bindend advies. Op dit moment laat ik mij adviseren door een gespecialiseerde advocaat over mogelijk verder te nemen stappen. Om deze reden wil ik wachten met de verdere uitvoering van het bindend advies en de heads of agreement. Ik verwacht hier komende maand op terug te komen, hetgeen dan wellicht ongeveer zal samenvallen met het moment waarop je terug bent.”

3.14 Bij brief van 29 april 2024 heeft de voormalige advocaat van [gedaagde] gereageerd op sommaties van [eiser] van 20 april 2024 om de HoA na te komen. Hierin schrijft hij onder meer dat [gedaagde] bereid is zijn 1% aandelenbelang in TBIS aan [eiser] over te dragen, onder bepaalde in de brief genoemde voorwaarden. Verder schrijft hij dat [gedaagde] het bedrag van € 3.478.033 dat [eiser] gevorderd heeft van TBIS en GMT, wil verifiëren aan de hand van administraties van de betreffende Roemeense vennootschappen die [eiser] hem moet verstrekken. Hierover staat verder in de brief:
“Zonder inzage in die administraties, is het voor [gedaagde] niet mogelijk het bedrag van EUR 3.478.033 te verifiëren en vast te stellen wat de rekening-courant stand van [eiser] en [gedaagde] is in die vennootschappen. De betreffende cijfers dienen bovendien nog te worden goedgekeurd. Daarnaast dienen de cijfers van de overige vennootschappen (waaronder Tempting Brands) nog te worden vastgesteld en goedgekeurd, waarna verrekening over en weer kan plaatsvinden conform artikel 15 HoA.”

3.15 Op 4 juni 2024 heeft [naam 1] overeenkomstig het bepaalde in de artikelen 13 en 14 HoA een concept-aandeelhoudersovereenkomst met betrekking tot TBAG aan de advocaten van partijen gezonden. In de concept-aandeelhoudersovereenkomst is de in artikel 5 HoA genoemde calloptie uitgewerkt en is geen putoptie genoemd of uitgewerkt. Partijen waren beiden niet akkoord met de inhoud van de concept-aandeelhoudersovereenkomst en zij zijn vervolgens niet tot een definitieve aandeelhoudersovereenkomst gekomen.

3.16 Op 19 september 2024 heeft [eiser] de putoptie ingeroepen, waarbij hij zich beriep op artikel 5 HoA.

3.17 Bij brief van 6 november 2024 heeft (de advocaat van) [gedaagde] aan [naam 1] onder meer meegedeeld dat [gedaagde] betwist dat de putoptie kan worden uitgeoefend. Verder heeft hij [naam 1] geïnformeerd dat [gedaagde] geen vertrouwen meer heeft in zijn functioneren als (bindend) adviseur en dat hij hem verzoekt terug te treden en een derde als bindend adviseur aan te wijzen.

3.18 Bij e-mailbericht van 18 november 2024 heeft (de advocaat van) [gedaagde] aan [naam 1] meegedeeld:
“[gedaagde] kan ermee instemmen dat onder leiding van een opvolgend bindend adviseur een gesprek zal plaatsvinden zoals bedoeld in jouw e-mail.
Het voorgaande betekent ook dat de sommaties in mijn brief van 6 november 2024 onverkort van kracht blijven.
Aan de in die brief genomen sommaties, is geen gehoor gegeven. Dat betekent dat rechtsmaatregelen zullen worden getroffen.
Tot deze rechtsmaatregelen behoort onder meer een kort geding waarin wordt gevorderd dat je zult worden veroordeeld tot:
terugtreden als bindend adviseur; en
aanwijzen van een opvolgend bindend adviseur door middel van een objectieve procedure.
Mocht je alsnog vrijwillig hieraan gehoor willen geven, dan verneem ik dat graag uiterlijk 20 november aanstaande.”

3.19 Op 19 november 2024 heeft [eiser] een verzoek gedaan aan [naam 1] om een aanvullend bindend advies. Daarin verzocht [eiser] dat zou worden vastgesteld dat [gedaagde] verschillende verbintenissen uit de HoA moest nakomen, zoals de koopovereenkomst. [naam 1] weigerde om een bindend advies te geven.

3.20 Omdat partijen niet tot een oplossing kwamen heeft [naam 1] de deken van de Orde van Advocaten in het arrondissement Midden-Nederland op 24 november 2024 tevergeefs verzocht om te bemiddelen tussen hem en mr. Plas.

3.21 Bij e-mailbericht van 9 december 2024 aan (de advocaten van) partijen heeft [naam 1] meegedeeld dat hij zijn functie als dispute board neerlegt en dat hij geen vervanger zal aanwijzen.

3.22 Op 23 december 2024 heeft [naam 2] in opdracht van [gedaagde] een rapport uitgebracht met betrekking tot het bindend advies.

3.23 Bij e-mailbericht van 13 januari 2025 heeft (de advocaat van) [eiser] aan (de advocaat van) [gedaagde] een termijn van drie weken gesteld om te kiezen tussen enerzijds bevestiging van het bindend advies en anderzijds het entameren van een procedure tot vernietiging van het bindend advies. In dit bericht heeft hij onder meer geschreven:
“Hieruit kan niet worden afgeleid dat [eiser] het eens is met de stellingen van [gedaagde] omtrent de vernietigbaarheid van het bindend advies. Deze termijnstelling wordt louter gedaan omdat [eiser] het zat is dat het afwikkelen van de rechtsrelaties tussen hem en [gedaagde] wordt opgehouden doordat [gedaagde] zich verschuilt achter de beweerdelijke vernietigbaarheid van het bindend advies.”

3.24 Bij brief van 3 februari 2025 heeft [gedaagde] [eiser] geschreven dat de termijnstelling gelet op de vernietiging van de HoA niet langer aan de orde is en dat hij het bindend advies buitengerechtelijk vernietigt.

3.25 Op 5 maart 2025 heeft [eiser] de dagvaarding uitgebracht.

3.26 [gedaagde] heeft een aantal facturen die door [eiser] zijn opgesteld laten beoordelen door de accountant BDO in Zwitserland (BDO). Op 3 juli 2025 heeft BDO hierover een rapport uitgebracht.

3.27 [eiser] heeft contra-expertises laten uitvoeren door [naam 3] op het rapport van [naam 2] en op het rapport van BDO.

3.28 In oktober 2025 hebben [eiser] , [gedaagde] en [naam 1] via e-mail gecorrespondeerd over het aanwijzen van een vervanger. Dat heeft niet geleid tot aanwijzing van een vervanger.

3.29 Bij e-mailbericht van 17 december 2025 heeft [gedaagde] [naam 1] een conceptkort-geding-dagvaarding gezonden, om [naam 1] te gelasten een opvolgend bindend adviseur te benoemen op straffe van een dwangsom. Hierop heeft [naam 1] op 18 december 2025 gereageerd en de advocaten van partijen uitgenodigd om begin januari 2026 overleg te plegen over de kwestie van de (opvolgend) bindend adviseur. Hierna hebben de advocaten van [gedaagde] , [eiser] en [naam 1] nader gecorrespondeerd, maar zij zijn niet tot een compromis gekomen.

3.30 Vervolgens heeft [naam 1] op 24 december 2025 de heer [naam 4] als dispute board aangewezen, uitsluitend voor zover [naam 1] hier rechtens toe gehouden zou zijn. [naam 4] verbond hier voorwaarden aan en heeft de functie van bindend adviseur (nog) niet aanvaard.

3.31 Ook in Roemenië lopen diverse gerechtelijke procedures tussen (vennootschappen van) partijen.

4 Het geschil

in conventie en voorlopige voorziening

4.1 [eiser] vordert bij vonnis, na wijziging van eis, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad:
1. [eiser] op grond van artikel 6:60 BW te bevrijden van zijn verbintenissen onder de artikelen 16, 18 en 20 HoA voor zover daaruit een verplichting zou voortvloeien om geschillen met [gedaagde] te beslechten via bindend advies;
2. [gedaagde] te veroordelen om binnen zeven dagen na betekening van het vonnis over te gaan tot overdracht aan [eiser] van het door [gedaagde] gehouden aandelenbelang van 1% in het kapitaal van TBIS, vrij van enig beperkt recht en/of ander recht, en [gedaagde] te veroordelen mee te werken aan de voor overdracht vereiste handelingen;
3. te bepalen dat voor zover [gedaagde] niet voldoet aan het gevorderde onder 1, hij een dwangsom verbeurt van € 100.000, te vermeerderen met € 10.000 voor iedere dag dat de niet-nakoming langer voortduurt met een maximum van € 500.000, althans een door de rechtbank in goede justitie te bepalen bedrag;
4. [gedaagde] te veroordelen tot betaling aan [eiser] van een bedrag van € 2.933.922,19, te vermeerderen met de wettelijke handelsrente vanaf 18 oktober 2024, althans een door de rechtbank in goede justitie te bepalen dag, tot aan de dag der algehele voldoening;
5. [gedaagde] te veroordelen om binnen zeven dagen na betekening van het vonnis over te gaan tot overdracht aan [eiser] van de vordering van [gedaagde] op TBIS van € 3.478.033, vrij van enig beperkt recht en/of ander recht, en [gedaagde] te veroordelen mee te werken aan de voor overdracht vereiste handelingen;
6. te bepalen dat voor zover [gedaagde] niet voldoet aan het gevorderde onder 4, hij een dwangsom verbeurt van € 100.000, te vermeerderen met € 10.000 voor iedere dag dat de niet-nakoming langer voortduurt met een maximum van € 500.000, althans een door de rechtbank in goede justitie te bepalen bedrag;
7. te verklaren voor recht dat de rechtbank geen rechtsmacht heeft ten aanzien van de vorderingen met betrekking tot de overeenkomsten van 16 juli 2019;
8. [gedaagde] te veroordelen tot betaling van de kosten van het geding te vermeerderen met wettelijke rente vanaf de dag van dagvaarding, althans een door de rechtbank in goede justitie te bepalen dag, tot aan de dag der algehele voldoening.

4.2 Daarnaast vordert [eiser] bij wijze van voorlopige voorziening op de voet van artikel 223 Rv, onder de voorwaarde dat na de mondelinge behandeling geen eindvonnis wordt gewezen met betrekking tot dit onderdeel, veroordeling van [gedaagde] tot levering aan [eiser] van het door hem gehouden aandelenbelang van 1% in het kapitaal van TBIS, vrij van enig beperkt recht en/of ander recht en veroordeling van [gedaagde] mee te werken aan de voor overdracht vereiste handelingen.

4.3 [gedaagde] voert verweer.

4.4 Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover nodig, nader ingegaan.

in incident (artikel 195 Rv)

4.5 [gedaagde] vordert bij vonnis, zoveel mogelijk uitvoerbaar bij voorraad, [eiser] te gelasten tot het verstrekken van de onder 4.3 van de incidentele conclusie tot provisionele vordering tot inzage, afgifte of uittreksel van gegevens genoemde afschriften, althans inzage, althans uittreksels, ten aanzien van de aldaar genoemde gegevens, binnen twee weken na de vonnisdatum, althans een andere door de rechtbank in goede justitie te bepalen datum, op straffe van verbeurte van een dwangsom van € 15.000 voor iedere dag of dagdeel waarop [eiser] in gebreke is gehoor te geven aan deze veroordeling, met een maximum van € 300.000.

4.6 Het gaat om de volgende stukken:
uitgewisseld tussen [eiser] en [naam 1] in de periode van 1 september 2023 tot en met 8 november 2023;
met betrekking tot de investering van € 3.000.000 vanuit [bedrijf 1] ;
met betrekking tot de totstandkoming van de koopovereenkomst met [naam 12] , inclusief alle correspondentie van en naar [naam 12] aangaande het onroerend goed Grivitei 1+2;
met betrekking tot de totstandkoming van de koopovereenkomst met [naam 13] , inclusief alle correspondentie van en naar [naam 13] aangaande het onroerend goed Grivitei 3-5; en
met betrekking tot de totstandkoming en bepaling van de waarde van één aandeel in TBIS ter hoogte van € 99.000.

4.7 [eiser] voert verweer.

4.8 Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover nodig, nader ingegaan.

in reconventie en in incident - provisionele vordering

4.9 [gedaagde] vordert bij vonnis, zoveel mogelijk uitvoerbaar bij voorraad:

1 Artikel 1 HoA:

a. ten aanzien van de tekst en de uitleg van artikel 1 HoA te verklaren voor recht dat:

i. primair: de overeenkomsten van 16 juli 2019 en van 4 mei 2021 geen beperkende werking dienen te hebben op het bindend advies en buiten beschouwing dienen te blijven; althans

ii. subsidiair: geen sprake is van wilsovereenstemming, en, op grond van artikel 6:248 lid 1 BW althans anderszins, tussen partijen heeft te gelden dat de overeenkomsten van 16 juli 2019 en van 4 mei 2021 geen beperkende werking hebben op het bindend advies en buiten beschouwing dienen te blijven;

iii. meer subsidiair: sprake is van dwaling en ter opheffing van het nadeel als gevolg van deze dwaling het artikel wijzigen op zodanige wijze dat de overeenkomsten van 16 juli 2019 en van 4 mei 2021 geen beperkende werking hebben op het bindend advies en buiten beschouwing dienen te blijven;

ten aanzien van het bindend advies:

i. het bindend advies (gedeeltelijk) te vernietigen omdat:

 primair: is uitgegaan van een onjuiste toepassing van artikel 1 HoA;

 subsidiair: daarin ten onrechte is geoordeeld dat de overeenkomsten van 16 juli 2019 en van 4 mei 2021 vaststellingsovereenkomsten zouden betreffen door middel waarvan het onderlinge saldo van de rekeningen-courantverhoudingen bindend tussen partijen zou worden vastgesteld;

ii. uitsluitend indien en voor zover één of meerdere van de hiervoor onder 1.a. onder i t/m iii en/of onder 1.b onder i opgenomen vorderingen wordt toegewezen, de afspraak dat mag worden geoordeeld als goede man naar billijkheid te vernietigen wegens dwaling en ook vanwege deze reden het bindend advies (gedeeltelijk) te vernietigen;

iii. ook overigens het bindend advies (gedeeltelijk) te vernietigen vanwege enige in deze procedure daartoe door [gedaagde] aangevoerde reden;

iv. een voor het bindend advies vervangende beslissing te geven, waaraan voorafgaand partijen in de gelegenheid worden gesteld hun standpunten nader toe te lichten, en daarbij tevens te betrekken:

 de uit de administratie nog herleidbare rekening-courantmutaties van vóór 1 januari 2021 te betrekken;

 een correctie van de zes reken- en denkfouten van [naam 1] in diens bindend advies;

 indien en voor zover de waarde zoals hierna bedoeld ten aanzien van artikel 2 HoA had behoren te worden meegenomen in het bindend advies, deze waarde;

 indien en voor zover de waarde zoals hierna bedoeld ten aanzien van artikel 4 HoA had behoren te worden meegenomen in het bindend advies, deze waarde;

2 Artikel 2 HoA:

primair: te verklaren voor recht dat sprake is van dwaling ten aanzien van artikel 2 HoA en ter opheffing van het nadeel als gevolg van deze dwaling het artikel te wijzigen op zodanige wijze dat [eiser] gehouden is voor de verkrijging van de overdracht van de onderhavige aandelen een door de rechtbank in goede justitie te bepalen waarde van die aandelen aan [gedaagde] te vergoeden;
subsidiair:

i. te verklaren voor recht dat [eiser] is tekortgeschoten in zijn informatieverplichting uit hoofde van artikel 12 HoA, althans ook overigens, ten aanzien van de waarde van de in artikel 2 HoA bedoelde aandelen; en

ii. [eiser] te veroordelen de schade die daarvan het gevolg is ten bedrage van een in goede justitie door de rechtbank te bepalen bedrag, aan [gedaagde] te voldoen binnen veertien dagen na de vonnisdatum;

3 Artikel 4 HoA:

a. te verklaren voor recht dat ten aanzien van artikel 4 HoA sprake is van:

i. primair: dwaling en ter opheffing van het nadeel als gevolg van deze dwaling het artikel wijzigen op zodanige wijze dat de daarin opgenomen waarde van “het o/g.” van € 7.450.733 wordt verhoogd met een bedrag van € 1.243.839,41, althans een ander in goede justitie door de rechtbank te bepalen bedrag;

ii. subsidiair: tekortkoming door [eiser] in zijn informatieverplichting uit hoofde van artikel 12 HoA, althans ook overigens, ten aanzien van de waarde van het “het o/g.” en [eiser] te veroordelen de schade die daarvan het gevolg is ten bedrage van € 1.243.839,41, althans een ander in goede justitie door de rechtbank te bepalen bedrag, aan [gedaagde] te voldoen;

ten aanzien van het onroerend goed te Brasov aan de Str Casteluliu:

i. primair: te bepalen dat ter opheffing van het nadeel als gevolg van dwaling artikel 4 HoA zodanig dient te worden gelezen dat ook het onroerend goed te Brasov aan de Str Casteluliu daaronder valt en de waardering van het onroerend goed te verhogen met € 327.762, althans een ander door de rechtbank in goede justitie te bepalen bedrag;

ii. subsidiair: te verklaren voor recht dat het onroerend goed te Brasov aan de Str Casteluliu 106 niet valt onder “het o/g.” in de zin van artikel 4 HoA en, op grond van artikel 6:248 lid 1 BW dan wel anderszins, te bepalen dat dit onroerend goed aan [eiser] toekomt tegen een door de rechtbank in goede justitie te bepalen door [eiser] aan [gedaagde] te betalen vergoeding;

iii. eveneens subsidiair: [eiser] te veroordelen de hiervoor onder 3 sub b onder ii genoemde vergoeding aan [gedaagde] te voldoen binnen veertien dagen na de vonnisdatum;

iv. meer subsidiair:

 te verklaren voor recht dat sprake is van tekortkoming door [eiser] in zijn informatieverplichting uit hoofde van artikel 12 HoA, althans ook overigens, ten aanzien van de waarde van het onroerend goed te Brasov aan de Str Casteluliu; en

 [eiser] te veroordelen door de rechtbank in goede justitie te bepalen schade die daarvan het gevolg is aan [gedaagde] te voldoen binnen veertien dagen na de vonnisdatum;

4 Artikel 5 HoA:

te verklaren voor recht dat:

voor wat betreft de “put/call optie” in de zin van artikel 5 HoA partijen een onherroepelijk aanbod van [eiser] tot verkoop van de door hem gehouden aandelen in TBAG zijn overeengekomen en niet tevens een onherroepelijk aanbod van [gedaagde] tot koop van de door [eiser] gehouden aandelen in TBAG;
aan de laatste zin van artikel 5 HoA geen zelfstandige rechten kunnen worden ontleend anders dan dat deze bepaling in de aandeelhoudersovereenkomst dient te worden opgenomen en partijen daaraan wel (overige) zelfstandige rechten kunnen ontlenen;
de in artikel 5 HoA bedoelde inflatie dient te worden berekend door middel van de Landesindex der Konsumentenpreise (LIK);

5 Artikel 6 HoA:

bij wijze van incidentele provisionele vordering, voor de duur van het geding, [eiser] te gelasten 70 aandelen in TBAG over te dragen aan [gedaagde] , waarbij ten aanzien van 0,27 aandeel geldt dat de overdracht daarvan dient plaats te vinden tegen betaling van een vergoeding van € 9.585, binnen veertien dagen na de vonnisdatum;
[eiser] te gelasten tot overdracht van een door de rechtbank in goede justitie conform artikel 6 HoA te bepalen aantal aandelen in TBAG binnen veertien dagen na de vonnisdatum;
het voorgaande onder sub a en b, ieder op straffe van verbeurte van een dwangsom van € 50.000 voor iedere dag of dagdeel waarop [eiser] in gebreke is hieraan te voldoen, met een maximum van € 2.500.000;

6 Artikel 7 HoA:

te verklaren voor recht dat op grond van artikel 7 HoA een bedrag van € 1.162.506,80, althans een ander door de rechtbank in goede justitie te bepalen bedrag, dient te worden verrekend in de rekening-courantverhouding tussen TBAG;
[eiser] te veroordelen tot betaling van het bedrag van € 1.162.506,80, althans een ander door de rechtbank in goede justitie te bepalen bedrag, aan TBAG binnen veertien dagen na de vonnisdatum;

7 Artikel 9 HoA:

[eiser] te gelasten ervoor te zorgen dat TBIS haar naam wijzigt zodat die naam niet langer refereert aan of associeert met TBAG, binnen veertien dagen na de vonnisdatum;
op straffe van verbeurte van een dwangsom van € 10.000 voor iedere dag of dagdeel waarop [eiser] in gebreke is hieraan te voldoen, met een maximum van € 500.000;

8 Artikel 10 HoA:

[eiser] te gelasten ervoor te zorgen dat de navolgende aan TBAG toebehorende domeinnamen worden overgedragen aan TBAG: [domeinnaam 1] , [domeinnaam 2] , [domeinnaam 3] , [domeinnaam 4] , [domeinnaam 5] , [domeinnaam 6] , [domeinnaam 7] , [domeinnaam 8] , [domeinnaam 9] , [domeinnaam 10] , [domeinnaam 11] , [domeinnaam 12] , [domeinnaam 13] , [domeinnaam 14] , [domeinnaam 15] en [domeinnaam 16] , binnen veertien dagen na de vonnisdatum;
op straffe van verbeurte van een dwangsom van € 25.000 voor iedere dag of dagdeel waarop [eiser] in gebreke is hieraan te voldoen, met een maximum van € 1.250.000;

9 Artikel 12 HoA:

te verklaren voor recht dat [eiser] is tekortgeschoten in zijn informatieverplichting uit hoofde van artikel 12 HoA ten aanzien van:

de waarde van de in artikel 2 HoA bedoelde aandelen;
de waarde van het in artikel 4 HoA bedoelde “o/g.”;

10 Artikel 13 en 14 HoA:

a. te verklaren voor recht dat:

i. in de overwegingen, derde gedachtestreepje, een door de rechtbank in goede justitie te bepalen percentage dient te worden opgenomen van door [eiser] eventueel nog te houden aandelen in TBAG;

ii. voor “ [naam 1] ” in de plaats de opvolgend bindend adviseur dient te worden opgenomen; en

iii. indien en voor zover de hiervoor onder 4 sub a onder i opgenomen vordering niet wordt toegewezen: in de aandeelhoudersovereenkomst dient te worden opgenomen dat het onherroepelijk aanbod van [gedaagde] tot koop van de door [eiser] gehouden aandelen in TBAG niet door [eiser] kan worden aanvaard gedurende de periode waarin [gedaagde] op de door hem gehouden aandelen in TBAG nog geen dividend uitgekeerd heeft gekregen ter hoogte van de voor die aandelen te betalen koopprijs, althans een andere door de rechtbank in goede justitie te bepalen periode;

[eiser] te gelasten de door [naam 1] opgestelde aandeelhoudersovereenkomst, aangevuld althans gewijzigd conform de hiervoor opgenomen verklaringen voor recht, te ondertekenen en aan [gedaagde] te retourneren binnen veertien dagen na het ten deze te wijzen vonnis, op straffe van verbeurte van een dwangsom van € 10.000 voor iedere dag of dagdeel waarop [eiser] in gebreke is hieraan te voldoen, met een maximum van € 500.000;

11 Artikel 15 HoA:

te verklaren voor recht dat de verrekening volgens de aan de HoA aangehechte bijlage plaats dient te vinden op zodanige wijze dat [eiser] en [gedaagde] beiden in gelijke mate profiteren van de daarmee gepaard gaande fiscale optimalisatie en een eventueel saldo in verband met deze fiscale optimalisatie tussen [eiser] en [gedaagde] dient te worden afgerekend;
[eiser] te gelasten te goeder trouw mee te werken aan de verrekening volgens de aan de HoA aangehechte bijlage en de daarmee gepaard gaande fiscale optimalisatie, op straffe van verbeurte van een dwangsom van € 10.000 voor iedere dag of dagdeel waarop [eiser] in gebreke is hieraan te voldoen, met een maximum van € 500.000;

12 Artikel 16 HoA:

a. de in dit petitum opgenomen vorderingen in reconventie, met uitzondering van de vorderingen onder 1, 5 sub a, 10 en 13, zodanig te verstaan dat:

i. primair: voor zoveel deze vallen onder de reikwijdte van artikel 16 HoA en [gedaagde] en [eiser] niet op de voet van artikel 6:60 BW en/of artikel 7:904 lid 2 BW dan wel anderszins uit de verbintenissen uit artikel 16 HoA worden bevrijd, niet de rechtbank maar de dispute board daarover een bindend advies dient te geven;

ii. subsidiair: voor zoveel deze niet vallen onder de reikwijdte van artikel 16 HoA dan wel [gedaagde] en [eiser] op de voet van artikel 6:60 BW en/of artikel 7:904 lid 2 BW dan wel anderszins uit de verbintenissen uit artikel 16 HoA worden bevrijd, de rechtbank daarover dient te oordelen;

te verklaren voor recht dat geen grondslag bestaat voor de navolgende facturen:

i. factuur van 31 oktober 2023 ten bedrage van € 96.000 die door [eiser] vanuit GMT is verzonden aan General Magic B.V.;

ii. factuur van 31 oktober 2023 ten bedrage van € 172.000 die door [eiser] vanuit GMT is verzonden aan General Magic B.V.;

iii. factuur van 31 oktober 2023 ten bedrage van € 307.622,80 die door [eiser] vanuit GMT is verzonden aan TBAG;

iv. factuur van 1 december 2023 ten bedrage van € 1.450.888,56 die door [eiser] vanuit TBAG is verzonden aan [bedrijf 1] ;

[eiser] te gelasten ervoor te zorgen dat de hiervoor onder 12 sub b onder i t/m iv genoemde facturen worden gecrediteerd binnen veertien dagen na het in dezen te wijzen vonnis en niet worden verwerkt in de betreffende jaarrekeningen, op straffe van verbeurte van een dwangsom van € 10.000 voor iedere dag of dagdeel waarop [eiser] in gebreke is hieraan te voldoen, met een maximum van € 500.000;

te verklaren voor recht dat geen reden bestaat voor het afboeken tot nihil van de vordering van CHF 137.500 van TBAG op haar 100% dochtermaatschappij General Magic B.V.;

[eiser] te gelasten ervoor te zorgen dat een zodanige jaarrekening van 2023 van TBAG wordt opgesteld en vastgesteld binnen veertien dagen na het ten deze te wijzen vonnis dat daarin de hiervoor onder 12 sub d genoemde vordering van CHF 137.500 van TBAG op haar 100% dochtermaatschappij General Magic B.V. niet is afgeboekt, op straffe van verbeurte van een dwangsom van € 10.000 voor iedere dag of dagdeel waarop [eiser] in gebreke is hieraan te voldoen, met een maximum van € 500.000;

[eiser] te gelasten mee te werken aan het houden van een bestuursvergadering van TBAG binnen veertien dagen na het in dezen te wijzen vonnis en binnen die bestuursvergadering van TBAG te stemmen vóór de navolgende besluiten:

i. goedkeuring van de verkoop van ROUTE 66 handelsmerkrechten in Nice-klassen 18 en 25 voor Vietnam en Singapore (met automatische uitbreiding naar Maleisië, Indonesië, Filipijnen en Thailand) voor een vaste koopprijs van USD 750.000;

ii. correctie van betwiste transacties;

iii. benoeming van [naam 5] en [naam 6] als nieuwe domiciliehouder van de vennootschap, onder voorbehoud van instemming van [naam 5] en [naam 6] met deze opdracht. Bespreking en goedkeuring van een alternatief voor [naam 5] en [naam 6] indien vereist;

iv. benoeming van [naam 5] en [naam 6] als externe accountant van de vennootschap vanaf het boekjaar 2024 en het aanbrengen van wijzigingen in de conceptcijfers van 2023 indien nodig, onder voorbehoud van instemming van [naam 5] en [naam 6] met deze opdracht. Bespreking en goedkeuring van een alternatief voor [naam 5] en [naam 6] indien vereist;

v. benoeming van een statutaire auditor van de vennootschap om een gewone audit uit te voeren voor het boekjaar 2023;

vi. oproeping van een gewone aandeelhoudersvergadering van de vennootschap met betrekking tot het boekjaar 2023, te houden langs elektronische weg. Op deze aandeelhoudersvergadering zullen onder meer de volgende agendapunten worden opgenomen: bespreking en goedkeuring van de jaarrekening 2023 van de vennootschap; decharge aan de bestuursleden van de vennootschap;

vii. overdracht aan TBAG / [gedaagde] van de domeinnamen en websites als bedoeld in artikel 10 HoA;

op straffe van verbeurte van een dwangsom van € 10.000 voor iedere dag of dagdeel waarop [eiser] in gebreke is hieraan te voldoen, met een maximum van € 500.000;

indien en voor zover de overeenkomsten van 16 juli 2019 en 4 mei 2021 (tevens) vaststellingsovereenkomsten zouden betreffen door middel waarvan het onderlinge saldo van de rekening-courantverhoudingen bindend tussen [eiser] en [gedaagde] zou worden vastgesteld, te verklaren voor recht dat [gedaagde] ter zake daarvan heeft gedwaald en de gevolgen van die overeenkomsten aldus te wijzigen dat het nadeel daarvan wordt opgeheven en, derhalve, deze overeenkomsten niet langer vaststellingsovereenkomsten zouden betreffen door middel waarvan het onderlinge saldo van de rekening-courantverhoudingen bindend tussen [eiser] en [gedaagde] zou worden vastgesteld;

13 Artikel 18 HoA:

primair: indien en voor zover [naam 4] zijn aanwijzing door [naam 1] als opvolgend bindend adviseur aanvaardt, te verklaren voor recht dat [naam 4] de dispute board zal belichamen;
subsidiair: indien en voor zover [naam 4] zijn aanwijzing door [naam 1] als opvolgend bindend adviseur feitelijk niet aanvaardt door een opvolgend bindend adviseur aan te wijzen, te verklaren voor recht dat die door hem aangewezen bindend adviseur de dispute board zal belichamen;
meer subsidiair: indien en voor zover [naam 4] zijn aanwijzing door [naam 1] als opvolgend bindend adviseur niet aanvaardt en geen opvolgend bindend adviseur aanwijst, op grond van artikel 6:248 lid 1 BW althans anderszins, een door de rechtbank in goede justitie te bepalen opvolgend bindend adviseur aan te wijzen;

14 Overeenkomsten van 4 mei 2021 en 16 juli 2019:

primair: [eiser] te veroordelen aan [gedaagde] een schadevergoeding van € 5.419.877 te voldoen binnen 14 dagen na het ten deze te wijzen vonnis;
subsidiair: de overeenkomst van 4 mei 2021 en de overeenkomsten van 16 juli 2019 zodanig te wijzigingen ter opheffing van het nadeel als gevolg van de dwaling, dat per 31 december 2020 sprake is van een onderling saldo van de rekening-courantstanden van [eiser] en [gedaagde] van € 2.282.850 in het voordeel van [gedaagde] ;

met veroordeling van [eiser] in de kosten van deze procedure, te vermeerderen met de nakosten van € 173, te voldoen binnen veertien dagen na dagtekening van het vonnis, althans na aanschrijving en voor het geval voldoening van de nakosten niet binnen de gestelde termijn plaatsvindt en het vonnis wordt betekend, te verhogen tot een bedrag van € 263, alles te vermeerderen met de wettelijke rente te rekenen vanaf de termijn voor voldoening.

4.10 [eiser] voert verweer.

4.11 Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover nodig, nader ingegaan.

5 De beoordeling

5.1 De rechtbank gaat ervan uit dat de HoA niet buitengerechtelijk is vernietigd. Partijen zijn het daar inmiddels ook over eens.

Rechtsmacht en toepasselijk recht

5.2 Aangezien [eiser] in Roemenië woont en [gedaagde] in Zwitserland, heeft deze zaak een internationaal karakter. De rechtbank moet daarom allereerst beoordelen of de Nederlandse rechter bevoegd is van de vorderingen kennis te nemen en als dit het geval is, welk recht hierop van toepassing is.

5.3 Over de vorderingen die op grond van de HoA zijn ingesteld overweegt de rechtbank als volgt. In artikel 20 HoA is een forumkeuze voor de Nederlandse rechter opgenomen. De rechtbank stelt voorop dat de forumkeuze rechtsgeldig is gemaakt, althans niet is gesteld of gebleken dat dit niet zo is. Dat betekent dat partijen hieraan gebonden zijn. De rechtbank oordeelt dat zij op grond van het forumkeuzebeding internationaal bevoegd is om van dit geschil kennis te nemen. In dit geval volgt de relatieve bevoegdheid van deze rechtbank uit artikel 109 Rv.

5.4 Deze rechtbank is eveneens bevoegd voor zover de vorderingen betrekking hebben op de overeenkomsten van 16 juli 2019 en 4 mei 2021. Immers, de overeenkomsten van 16 juli 2019 en 4 mei 2021 liggen ten grondslag aan het bindend advies dat is opgesteld ter uitvoering van de HoA. Met de HoA hebben partijen een algehele en finale geschillenbeslechting beoogd. In eerste instantie door middel van een bindend advies en als ten aanzien daarvan een geschil ontstaat, of als sprake is van een geschil dat buiten het bereik van de HoA valt, is op grond van artikel 20 HoA bij uitsluiting de Nederlandse rechter bevoegd. Dit brengt mee dat de forumkeuze in artikel 20 HoA de forumkeuzes in de eerdere overeenkomsten terzijde heeft geschoven.

5.5 In artikel 20 HoA is een rechtskeuze opgenomen voor Nederlands recht, waardoor Nederlands recht van toepassing is op de vorderingen.

5.6 Voor zover [gedaagde] zich op het standpunt stelt dat deze rechtbank onbevoegd is omdat de vorderingen onder de werking van artikel 16 HoA vallen en aan een bindend advies moeten worden onderworpen, verwijst de rechtbank naar wat zij hierna onder 5.12 tot en met 5.15 overweegt. Daaruit volgt dat deze rechtbank bevoegd is van de vorderingen kennis te nemen.
in conventie

Bevrijding van verbintenissen onder de artikelen 16, 18 en 20 HoA

5.7 [eiser] vordert hem te bevrijden van zijn verbintenissen onder de artikelen 16, 18 en 20 HoA voor zover daaruit een verplichting voortvloeit om geschillen met [gedaagde] te beslechten via bindend advies. Hij vordert daarmee een beslissing als bedoeld in artikel 7:904 lid 2 BW: indien bindend advies is overeengekomen kan de overheidsrechter desalniettemin een beslissing nemen als het bindend advies niet binnen een redelijke termijn kan worden verkregen. [naam 1] heeft zijn functie neergelegd en heeft partijen gemeld dat het niet mogelijk is om een opvolgend bindend adviseur aan te wijzen. Ook de termijnstelling als bedoeld in artikel 7:904 lid 2 BW, op 13 januari 2025, mocht niet baten. Bovendien is [gedaagde] in schuldeisersverzuim met betrekking tot de bindend adviesclausule, zodat [eiser] op grond van artikel 6:60 BW vordert dat hij onvoorwaardelijk wordt bevrijd van de bindend adviesclausule.

5.8 [gedaagde] betwist dat sprake is van een tekortkoming, laat staan van een verzuim ten aanzien van de artikelen 16 en 18 HoA. [gedaagde] merkt op dat in artikel 20 HoA een rechts- en forumkeuze is opgenomen. [eiser] beargumenteert niet waarom hij hiervan bevrijd moet worden. Integendeel; hij doet hier zelf een beroep op, aldus [gedaagde] . oA

5.9 Verder betoogt [gedaagde] dat artikel 6:60 BW de rechter een ruime discretionaire bevoegdheid toekent om te beoordelen of bevrijding van een verbintenis gerechtvaardigd is. Het geschil van partijen betreft een complexe kwestie met veel deelgeschillen. Partijen hebben bij het aangaan van de HoA voor ogen gehad dat (potentiële) geschillen eenvoudig zouden worden afgedaan door één bindend adviseur. Het is in strijd met deze bedoeling en ook overigens in strijd met de redelijkheid en billijkheid om het bindend adviesarrangement te negeren, aldus [gedaagde] .

5.10 Het is volgens [gedaagde] juist [eiser] die [naam 1] zodanig heeft getracht te beïnvloeden dat hij geen opvolgend bindend adviseur zou benoemen. Vervolgens ontleent [eiser] daar in deze procedure een argument aan dat hij uit de verbintenissen uit de artikelen 16 en 18 HoA moet worden bevrijd. Daarom komt [eiser] volgens [gedaagde] geen beroep op artikel 7:904 BW toe.

5.11 De rechtbank zal vordering 1 ten aanzien van de artikelen 16 en 18 HoA in het eindvonnis toewijzen en de vordering ten aanzien van artikel 20 HoA afwijzen. Zij motiveert dit als volgt.

5.12 Vast staat dat [naam 1] niet langer bereid is de rol van dispute board op zich te nemen en er ondanks pogingen daartoe niemand anders benoemd kon worden in de dispute board als bedoeld in de artikelen 16 en 18 HoA. Er is dus in redelijkheid geen mogelijkheid meer tot het verkrijgen van een bindend advies.

5.13 Het betoog van [gedaagde] dat het in strijd is met de bedoeling van de HoA en met de eisen van redelijkheid en billijkheid om het bindend adviesarrangement te negeren gaat niet op. Hoewel het inderdaad de bedoeling was van partijen hun geschillen te beslechten door middel van bindend advies, heeft [eiser] er inmiddels geen zicht op dat dit vlot getrokken wordt. [naam 1] heeft meerdere pogingen gedaan om tussen partijen te bemiddelen en een oplossing te zoeken om uit de impasse te komen die na het bindend advies is ontstaan, maar dit is niet gelukt. Bovendien stelde [gedaagde] zich in ieder geval vanaf 3 februari 2025 tot de incidentele conclusie van eis van 12 november 2025 op het standpunt dat de HoA buitengerechtelijk was vernietigd. Als de HoA zou zijn vernietigd, zou ook het bindend adviestraject van de baan zijn. Het voorgaande brengt mee dat [gedaagde] in schuldeisersverzuim is met betrekking tot de bindend adviesclausule.

5.14 Artikel 6:60 BW bepaalt dat als de schuldeiser in verzuim is, de rechter op vordering van de schuldenaar kan bepalen dat deze van zijn verbintenis bevrijd zal zijn, al dan niet onder door de rechter te stellen voorwaarden. Op grond van artikel 7:904 lid 2 BW kan, indien de beslissing van een derde niet binnen een aan die derde daartoe te stellen redelijke termijn wordt verkregen, de rechter een beslissing geven, tenzij uit de overeenkomst of de aard van de beslissing voortvloeit dat zij op een andere wijze wordt vervangen.

5.15 Aan het criterium van artikel 7:904 lid 2 BW, dat niet valt te voorzien dat binnen redelijke termijn een bindend advies wordt verkregen, is voldaan. [gedaagde] en mr. Plas hebben constructief overleg over het aanwijzen van een opvolgend bindend adviseur afgehouden. In een bindend advies procedure moeten partijen het in ieder geval eens zijn over de te volgen procedure en de persoon van de bindend adviseur. Duidelijk is dat dit niet meer lukt. Als [eiser] niet wordt bevrijd van zijn verbintenissen onder de artikelen 16 en 18 HoA wordt hij van zijn verdrags- en grondwettelijk recht op toegang tot de rechter afgehouden. Verder geldt dat niet gesteld of gebleken is dat uit de overeenkomst of de aard van het bindend advies voortvloeit dat de ontbrekende beslissing op een andere wijze wordt vervangen.

5.16 Artikel 20 HoA bevat een forum- en een rechtskeuze. Dit artikel bevat geen bindend adviesregeling waaruit [eiser] kan worden bevrijd. [eiser] heeft ook niet onderbouwd waarom hij wil worden bevrijd van zijn verbintenis onder artikel 20 HoA. De rechtbank ziet dan ook geen grond voor toewijzing van dit gedeelte van de vordering.

Overdracht 1% aandelenbelang in het kapitaal van TBIS

5.17 [eiser] vordert veroordeling van [gedaagde] om over te gaan tot overdracht aan [eiser] van het door [gedaagde] gehouden aandelenbelang van 1% in het kapitaal van TBIS. [eiser] legt hieraan het volgende ten grondslag. Artikel 4 HoA bepaalt dat [eiser] de rechten op het onroerend goed verkrijgt. De (koop)prijs die hij hiervoor aan [gedaagde] moet betalen is verdisconteerd in de overgang van de aandelen in TBAG die in artikel 4 HoA is omschreven. Het feit dat [eiser] de rechten op het onroerend goed verkrijgt, houdt in dat hij enig aandeelhouder van TBIS wordt, waarin het onroerend goed is ondergebracht. Dat vereist dat [gedaagde] zijn 1%-belang in TBIS overdraagt aan [eiser] . Deze prestatie is per direct opeisbaar (artikel 6:38 BW). Dat volgt ook uit artikel 17 HoA waarin partijen zich verbinden tot onvoorwaardelijke en onverwijlde medewerking aan nakoming van de verbintenissen uit de HoA.

5.18 [gedaagde] beroept zich op zijn recht tot opschorting van zijn verplichting tot levering van de aandelen in TBIS, vanwege het tekortschieten van [eiser] in zijn informatieverplichting op grond van artikel 12 HoA over de waarde van het onroerend goed. De waarde van Grivitei 1+2 en Grivitei 3-5 is volgens [gedaagde] in totaal € 1.243.839,41 hoger dan [eiser] heeft opgegeven. Daarnaast moet de waarde van het onroerend goed worden verhoogd met een bedrag van € 327.762 voor het stuk grond te Brasov (str. Casteluliu 106). De waarde van deze onroerende zaak is abusievelijk niet meegenomen in de HoA. Deze onroerende zaak is in 2018 in economische zin door partijen verkregen. [eiser] had moeten weten dat de informatie over de waarde van deze onroerende zaken van belang was voor [gedaagde] om te besluiten akkoord te gaan met de HoA en heeft hiermee de informatieplicht van artikel 12 HoA geschonden.

5.19 [gedaagde] betoogt dat tevens sprake is van verzuim van [eiser] . [gedaagde] verwijst in de conclusie van antwoord naar zijn e-mailbericht van 15 februari 2024 aan [naam 1] . [eiser] ‘hokte’ als eerste in diens verzuim en er kan, gelet op dat verzuim, geen sprake meer zijn van verzuim van [gedaagde] daar waar hij zich op opschorting beroept.

5.20 Verder betoogt [gedaagde] dat [eiser] zijn vordering moet verduidelijken, zodat [gedaagde] weet wat van hem wordt verwacht. [eiser] zou bijvoorbeeld een concept notariële akte van levering of een instructiebrief van een notaris kunnen overleggen. Daarbij moet het wel mogelijk zijn dat daadwerkelijk binnen zeven dagen na betekening van het vonnis ten overstaan van die notaris kan worden overgegaan tot overdracht van de aandelen. Zoals de vordering nu luidt, komt de beschikbaarheid van de notaris voor rekening en risico van [gedaagde] . Dat is niet redelijk, aldus [gedaagde] .
Recht op opschorting?

5.21 De rechtbank is van oordeel dat [gedaagde] zijn prestatie niet mocht opschorten. De rechtbank motiveert dit oordeel als volgt.

5.22 [eiser] betwist dat de door [gedaagde] gestelde waardestijging van Grivitei 1 + 2 en Grivitei 3-5 zich heeft voorgedaan. [eiser] heeft een toelichting gegeven op de waarde van de onroerende zaken. Volgens [eiser] blijkt hieruit dat de waardestijging zich voordeed na het sluiten van de HoA en dat geen sprake is van feiten die [eiser] voorafgaand aan het tekenen van de HoA aan [gedaagde] had moeten meedelen. Ten tijde van het sluiten van de HoA liepen al gesprekken over de verkoop van Grivitei 1 + 2 en Grivitei 3-5 met [naam 12] respectievelijk [naam 13] . [gedaagde] was hiervan op de hoogte.
Omdat deze gesprekken nog niet waren afgerond is de HoA mede gebaseerd op de inschatting over de uitkomst van de gesprekken met deze partijen die [gedaagde] en [eiser] elk voor zichzelf hebben gemaakt. Bij de verkoop speelde een rol dat de koper van deze onroerende zaken het laten doorgaan van de koop zal laten afhangen van onder meer een wijziging van het bestemmingsplan. Of deze voorwaarden worden vervuld, is maar de vraag en daarnaast nemen het onderzoek en wijziging van het bestemmingsplan jaren in beslag. De koopprijs zal daarom pas na een aantal jaar worden betaald.
Bij het sluiten van de HoA hebben [gedaagde] en [eiser] daarom de verwachte koopprijs contant gemaakt. Zij hebben dus rekening gehouden met de omstandigheid dat de koopprijs, die pas over een paar jaar wordt ontvangen, per datum HoA lager is. Daarbij is ook rekening gehouden met andere factoren. [gedaagde] en [eiser] gingen dus uit van de verwachte netto-opbrengst van een verkoop van deze onroerende zaken.

5.23 [eiser] stelt dat hij de transactie tussen [naam 12] en TBIS met betrekking tot Grivitei 1 + 2 op 8 januari 2024 aan [gedaagde] heeft voorgelegd. [gedaagde] heeft diezelfde dag ingestemd met deze (ver)koop. Ten aanzien van Grivitei 3-5 is sinds 5 maart 2024 een biedingsstrijd ontstaan tussen twee potentiële kopers die de koopprijs omhoog gedreven heeft, aldus [eiser] , en de uiteindelijk (ver)koopprijs hoger is geworden dan eerder verwacht.

5.24 [gedaagde] heeft dit vervolgens niet weersproken, zodat vaststaat dat [eiser] niet is tekortgeschoten in zijn informatieverplichting op grond van artikel 12 HoA met betrekking tot de waarde van Grivitei 1 + 2 en Grivitei 3-5. Uit de toelichting van [eiser] volgt immers dat de eventuele waardestijging van de onroerende zaken Grivitei 1 + 2 en Grivitei 3-5 zich kan voordoen na het sluiten van de HoA en dat de koopprijs pas over jaren zal worden betaald. Met het oog hierop hebben [gedaagde] en [eiser] daarom bij het sluiten van de HoA de verwachte koopprijs contant gemaakt. Bovendien wist [gedaagde] dat [eiser] met [naam 12] in onderhandeling was over de verkoop en heeft hij ingestemd met de verkoop(prijs) aan [naam 12] .

5.25 Ten aanzien van de grond in Brasov (str. Casteluliu 106) heeft [eiser] toegelicht dat deze eigendom is van [naam 7] , de echtgenote van [naam 8] (de broer van [eiser] ). Het gaat dus niet om eigendom van TBIS. [eiser] onderbouwt dit met een uittreksel uit het kadaster. [eiser] en [gedaagde] beschikten tot en met 15 maart 2021 over een optierecht om ieder voor 50% in privé eigenaar van deze grond te worden. Van dit optierecht is geen gebruik gemaakt. Bij de onderhandelingen over de HoA had [gedaagde] deze grond opgenomen in zijn overzicht van onroerende zaken. Nadat [eiser] hem voornoemde situatie had uitgelegd, heeft [gedaagde] vóór ondertekening van de HoA ingestemd met de verwijdering van deze grond uit de lijst. [gedaagde] heeft dit vervolgens niet weersproken, zodat in de procedure vaststaat dat de grond in Brasov geen eigendom is van TBIS. [eiser] is op dit punt dus niet tekortgeschoten in zijn informatieverplichting op grond van artikel 12 HoA.

5.26 [eiser] betwist dat hij in verzuim is met betrekking tot de verplichtingen in artikel 4 HoA en onderbouwt dit als volgt. Op 10 november 2023 heeft [gedaagde] opdracht gegeven om zijn 1% aandeel in TBIS over te dragen aan [eiser] . Op 16 november 2023 is namens [eiser] een e-mailbericht aan [gedaagde] gestuurd met als bijlagen aktes waarmee de levering kan worden gerealiseerd. Partijen hoefden alleen nog maar te tekenen. Op 17 november 2023 heeft [gedaagde] [eiser] meegedeeld dat hij de aandelen wil leveren op het moment dat ook de aandelen in TBAG worden geleverd. Dit betekent volgens [eiser] dat eerst het bindend advies als bedoeld in artikel 1 HoA moest worden afgewacht. Na ontvangst van het bindend advies bleef [gedaagde] volhouden dat de aandelen in TBIS tegelijk met de aandelen in TBAG zouden moeten worden geleverd. Op 5 februari en 20 april 2024 heeft [eiser] de leveringsakte nogmaals aan [gedaagde] gezonden met het verzoek om deze te ondertekenen, maar [gedaagde] heeft daar niet aan voldaan. [gedaagde] heeft dit vervolgens niet gemotiveerd weersproken.

5.27 Vast staat dat de voorwaarde die [gedaagde] stelde, namelijk dat de aandelen in TBIS tegelijk met de aandelen in TBAG geleverd moeten worden, niet uit de HoA voortvloeit. Nu vast is komen te staan dat [eiser] niet in verzuim was ten aanzien van artikel 4 HoA heeft [gedaagde] ten onrechte een beroep op opschorting gedaan en is hij daarmee tekortgeschoten. Hieruit volgt dat sprake is van een tekortkoming in de nakoming van artikel 4 HoA aan de zijde van [gedaagde] . In artikel 4 HoA is geen tijd voor de nakoming van de levering van het 1%-belang in TBIS bepaald, zodat terstond nakoming kan worden gevorderd (artikel 6:38 BW), waartoe [gedaagde] dan ook zal worden veroordeeld.

Overdracht aandelen

5.28 [eiser] heeft onweersproken gesteld dat de overdracht van de aandelen in TBIS kan worden gerealiseerd door ondertekening van de akten die hij [gedaagde] heeft toegestuurd, omdat TBIS een vennootschap naar Roemeens recht is en voor de levering van deze aandelen naar Roemeens recht geen notariële akte van levering is vereist. De rechtbank concludeert dat er geen nadere vereisten zijn voor de levering van de aandelen in TBIS.

5.29 Gelet op het voorgaande zal de rechtbank de vordering in het eindvonnis als na te melden toewijzen, met dien verstande dat de rechtbank [gedaagde] zal veroordelen om zijn medewerking te verlenen aan de levering van de aandelen, omdat niet alleen van [gedaagde] maar van beide partijen rechtshandelingen nodig zijn.

5.30 De rechtbank zal [gedaagde] in het eindvonnis veroordelen om binnen zeven dagen na betekening van het vonnis mee te werken aan de overdracht aan [eiser] van het door [gedaagde] gehouden aandelenbelang van 1% in het kapitaal van TBIS, vrij van enig beperkt recht en/of ander recht. Nu [eiser] met betrekking tot de levering van dit aandelenbelang ook een voorlopige voorziening heeft gevorderd, die ook wordt toegewezen (zie 5.52 tot en met 5.54 voor de beoordeling), heeft te gelden dat deze veroordeling geldt voor zover [gedaagde] nog geen uitvoering heeft gegeven aan deze voorlopige voorziening.

Dwangsom

5.31 [eiser] vordert te bepalen dat voor zover [gedaagde] niet voldoet aan het gevorderde onder 1, hij een dwangsom verbeurt. De rechtbank stelt vast dat uit het lichaam van de dagvaarding blijkt dat de dwangsom niet op vordering 1, maar op vordering 2 ziet. [gedaagde] heeft dat ook zo begrepen en zijn verweer daarop gericht.

5.32 [gedaagde] stelt dat hij bereid is vrijwillig aan het vonnis te voldoen, zodat geen aanleiding bestaat om een dwangsom op te leggen.

5.33 De rechtbank houdt de beslissing over de dwangsom aan tot het eindvonnis. Als [gedaagde] dan nog niet aan de voorlopige voorziening heeft voldaan, zal de rechtbank bij eindvonnis de gevorderde dwangsom toewijzen.

Betaling koopsom van € 2.933.922,19 voor aandelen TBAG

5.34 [eiser] vordert [gedaagde] te veroordelen tot betaling aan [eiser] van een bedrag van € 2.933.922,19, te vermeerderen met de wettelijke handelsrente. [eiser] legt hieraan het volgende ten grondslag. Na vaststelling van het rekening-courantsaldo in het bindend advies op € 2.500.000 is [eiser] gehouden een 23%-belang in TBAG over te dragen aan [gedaagde] , waarna [eiser] nog een 27%-belang in TBAG houdt. Bij brief van 19 september 2024 heeft [eiser] de putoptie vermeld in artikel 5 HoA uitgeoefend met betrekking tot dit 27%-belang, omdat hij toen ieder vertrouwen in de samenwerking met [gedaagde] was verloren. Het put-gedeelte van deze optie houdt onder meer in dat [gedaagde] onherroepelijk aan [eiser] heeft aangeboden om zijn overige aandelen in TBAG te kopen tegen betaling van de koopprijs zoals vastgelegd in artikel 5 HoA. Door het aanvaarden van dit aanbod ontstaat een volledige koopovereenkomst. De koopprijs dient bij de levering te worden betaald (artikel 7:26 lid 2 BW). Op grond van artikel 6:38 BW dient de koopovereenkomst terstond te worden nagekomen, hetgeen ook geldt voor betaling van de koopprijs (zie ook artikel 17 HoA). [eiser] heeft [gedaagde] evenwel een termijn gegeven voor nakoming van de overeenkomst (bij voormelde brief van 19 september 2024). Deze termijn is niet nagekomen, dus [gedaagde] is in verzuim. Artikel 5 HoA bepaalt de hoogte van de koopprijs; die is gelijk aan de initiële prijs plus de inflatie. De initiële prijs is € 35.500 per aandeel, ofwel € 2.850.000 voor het gehele 27%-belang in TBAG. [gedaagde] betwist dat partijen dit in de HoA op deze manier zijn overeengekomen.

5.35 De rechtbank zal de vordering tot betaling van de koopsom voor de aandelen TBAG in het eindvonnis afwijzen en overweegt daartoe het volgende.

5.36 Partijen zijn in artikel 5 HoA overeengekomen dat de overige door [eiser] in TBAG gehouden aandelen voorwerp worden van een “put/call optie”. Uit de artikelen 13 en 14 HoA volgt dat [naam 1] een aandeelhoudersovereenkomst zou opstellen met betrekking tot TBAG. De “put/call optie” is dus geen onderdeel van het bindend advies, maar is bedoeld als een onderwerp dat nog uitgewerkt had moeten worden in een aandeelhoudersovereenkomst. [naam 1] heeft partijen op 4 juni 2024 overeenkomstig het bepaalde in de artikelen 13 en 14 HoA een concept-aandeelhoudersovereenkomst met betrekking tot TBAG gezonden. In de concept-aandeelhoudersovereenkomst is onder 6 alleen een calloptie uitgewerkt, maar er is geen putoptie genoemd of uitgewerkt. Hieruit leidt de rechtbank af dat de in artikel 5 HoA genoemde “put/call optie” zo moet worden begrepen dat deze nog in een aandeelhoudersovereenkomst nader uitgewerkt zou worden. Artikel 5 HoA bevat naar het oordeel van de rechtbank dan ook geen voldragen en afdwingbare putoptie en houdt niet in dat [gedaagde] onvoorwaardelijk heeft ingestemd een aanbod van [eiser] te aanvaarden.

Overdracht vordering van [gedaagde] op TBIS van € 3.478.033

5.37 [eiser] vordert veroordeling van [gedaagde] tot overdracht aan [eiser] van de vordering van [gedaagde] op TBIS van € 3.478.033. [eiser] legt hieraan ten grondslag dat [gedaagde] artikel 15 HoA en de bijlage bij de HoA moet nakomen. Artikel 15 HoA bewerkstelligt dat tussen [gedaagde] (en zijn vennootschappen) en [eiser] (en zijn vennootschappen) over en weer geen vorderingen meer bestaan. Om ervoor te zorgen dat er geen schulden meer over en weer bestaan, moeten schenkingen, betalingen en verrekeningen plaatsvinden en voor zover er dan nog een vordering resteert moet kwijting worden verleend. Daarover hebben partijen afspraken gemaakt die in de bijlage bij de HoA zijn opgenomen. [gedaagde] verhindert de uitvoering daarvan. In de bijlage is opgenomen dat TBIS een schuld van € 3.478.033 heeft aan [gedaagde] . Deze schuld dient op grond van artikel 15 HoA te vervallen of te worden verrekend, zodat er geen schulden meer bestaan tussen [gedaagde] en de rechtspersonen die aan [eiser] zijn toebedeeld. In de bijlage is als oplossing gespecificeerd dat [gedaagde] de vordering moet overdragen aan [eiser] . Als titel daarvoor beoogt [eiser] in beginsel schenking.

5.38 [gedaagde] betwist de uitleg die [eiser] geeft aan artikel 15 HoA. Volgens [gedaagde] is in artikel 15 HoA afgesproken dat dit bedrag van € 3.478.033:
door [gedaagde] kan worden geschonken aan TBIS, waardoor de vordering door middel van verrekening met dit te schenken bedrag teniet gaat, dan wel;
door [gedaagde] kan worden gebruikt voor aankoop van de resterende door [eiser] gehouden aandelen in TBAG, waardoor de vordering van [eiser] tot betaling van de koopprijs voor die aandelen door middel van verrekening voor dat bedrag teniet gaat.
Geen van beide mogelijkheden voorziet in een schenking aan [eiser] . Bovendien is niet één van beide mogelijkheden dwingend voorgeschreven zodat ook overigens [eiser] daaraan geen onvoorwaardelijke vordering kan ontlenen, aldus [gedaagde] .

5.39 Het doel en de strekking van artikel 15 HoA is volgens [gedaagde] dat eventueel te behalen fiscaal voordeel door partijen gelijkelijk zal worden verdeeld. Zolang niet gelijktijdig het fiscaal voordeel met [gedaagde] wordt gedeeld dat voortvloeit uit de (gedeeltelijke) overdracht van de vordering, beroept [gedaagde] zich op opschorting van zijn verplichting tot overdracht.

5.40 Verder betoogt [gedaagde] dat [eiser] de vordering moet verduidelijken, bijvoorbeeld door het overleggen van een concept akte van cessie. Dan weet [gedaagde] wat van hem wordt verwacht en valt eenvoudig objectief vast te stellen of hij daaraan heeft voldaan.

5.41 De rechtbank overweegt als volgt.

5.42 Partijen zijn in artikel 15 HoA overeengekomen dat verrekening van schulden plaatsvindt volgens een aan de HoA te hechten bijlage. In die bijlage staat ten aanzien van het bedrag van € 3.478.033 in de kolom “Oplossing”: “Schenking of te gebruiken voor aankoop aandelen TBAG door [gedaagde] [= [gedaagde] ]”.

5.43 [naam 1] heeft in een e-mailbericht van 3 november 2023 aan partijen hierover het volgende geschreven: “de overdracht van vorderingen vergt een akte van cessie en (in het normale geval) een rechtstreekse tegenprestatie.” [gedaagde] heeft niet inhoudelijk gereageerd op het e-mailbericht van [naam 1] . Partijen hebben op hoofdlijnen met elkaar besproken wat er moet gebeuren. De uitvoering hiervan moest nog geregeld worden. Partijen hebben niet uitgewerkt bij wie de keuze ligt tussen schenken of verrekenen met de koopsom voor de aandelen in TBAG.

5.44 De hoogte van de schuld blijkt genoegzaam uit het Excel-overzicht, dat als bijlage bij de HoA is gevoegd. De bedoeling van partijen was dat deze vordering overgaat en omgezet wordt in andere vermogensbestanddelen leidend tot het over en weer neutraliseren van de schulden. Omdat dit onderwerp nog niet uitputtend in de HoA is geregeld, zullen partijen met elkaar in overleg moeten treden over de twee mogelijkheden die de HoA nog laat (schenken of verrekenen met de koopsom) en de fiscale consequenties van die mogelijkheden. De rechtbank zal de zaak naar de rol verwijzen zodat partijen zich over deze onderwerpen kunnen uitlaten; daarbij zal zij de termijnen iets ruimer bepalen dan gebruikelijk om partijen de kans te geven in overleg te treden.

5.45 Verder draagt de rechtbank [eiser] op een conceptakte van cessie in het geding te brengen, zoals [gedaagde] verzoekt.

5.46 Het voorgaande betekent dat:
1) [eiser] op de rol van 14 oktober 2026 bij akte een conceptakte van cessie moet inbrengen; in de begeleidende akte moet [eiser] toelichten wat er concreet moet gebeuren om de cessie te realiseren en moet hij zich uitlaten over de fiscale consequenties van schenken of verrekenen van de vordering met de koopsom voor de aandelen in TBAG;
2) [gedaagde] mag zich vervolgens uitlaten over de inhoud van de akte van [eiser] , vier weken nadat [eiser] die akte heeft genomen.

Dwangsom

5.47 [eiser] vordert te bepalen dat voor zover [gedaagde] niet voldoet aan het gevorderde onder 4, hij een dwangsom verbeurt. De rechtbank begrijpt dat het gaat om vordering 5 in plaats van vordering 4.

5.48 Aangezien de beslissing op vordering 5 wordt aangehouden zal de rechtbank de beoordeling van en de beslissing over de dwangsom ook aanhouden tot het eindvonnis.

Rechtsmacht ten aanzien van de overeenkomsten van 16 juli 2019

5.49 [eiser] vordert een verklaring voor recht dat de rechtbank geen rechtsmacht heeft ten aanzien van de vorderingen met betrekking tot de overeenkomsten van 16 juli 2019.

5.50 [gedaagde] betoogt dat artikel 20 HoA een allesomvattende regeling bevat voor beslechting van geschillen tussen partijen en de rechtspersonen waarvan zij direct of indirect aandeelhouder of bestuurder zijn. Ook overigens is er volgens [gedaagde] voldoende verbondenheid met de Nederlandse rechtssfeer. Het zou onaanvaardbaar zijn van [gedaagde] te vergen dat hij het geschilpunt ten aanzien van de overeenkomst van 16 juli 2019 aan het oordeel van een vreemde staat moet onderwerpen.

5.51 De rechtbank zal de vordering in het eindvonnis afwijzen. Zoals de rechtbank hiervoor heeft overwogen (zie 5.4) is deze rechtbank ook bevoegd voor zover de vorderingen betrekking hebben op de overeenkomsten van 16 juli 2019.

Incident – voorlopige voorziening

5.52 [eiser] vordert [gedaagde] bij wijze van voorlopige voorziening, onder de voorwaarde dat na de mondelinge behandeling geen eindvonnis wordt gewezen met betrekking tot dit onderdeel, te veroordelen tot levering aan [eiser] van het door hem gehouden aandelenbelang van 1% in het kapitaal van TBIS. [eiser] stelt dat hij belang heeft bij deze provisionele vordering als bedoeld in artikel 223 Rv. Ten eerste omdat hij gezien de opstelling van [gedaagde] een lange procedure verwacht. Ten tweede stelt [eiser] dat [gedaagde] de situatie misbruikt door met deze aandelen een vastgoedtransactie tegen te houden. Verder heeft [gedaagde] geen rechtens te respecteren belang om aandeelhouder van TBIS te blijven.

5.53 [gedaagde] voert tegen deze incidentele vordering hetzelfde verweer als tegen de gevorderde levering van het 1% aandelenbelang in TBIS in de hoofdzaak en beroept zich op zijn opschortingsrecht. Zoals hiervoor overwogen onder 5.17 tot en met 5.29 gaat dit verweer niet op. [gedaagde] heeft het door [eiser] gestelde belang bij de voorlopige voorziening niet betwist, zodat de rechtbank concludeert dat [eiser] belang heeft bij zijn provisionele vordering.

5.54 Nu de vordering tot levering aan [eiser] van het door [gedaagde] gehouden aandelenbelang van 1% in het kapitaal van TBIS in het eindvonnis zal worden toegewezen, is er grond voor toewijzing van de voorlopige voorziening als na te melden. De rechtbank zal hier geen dwangsom aan verbinden, aangezien [eiser] in het petitum van de conclusie van eis in incident ex artikel 223 Rv geen dwangsom heeft gevorderd.

5.55 De proceskosten worden begoot op nihil, nu [eiser] geen apart processtuk heeft opgesteld en de vordering overeenkomt met de vordering in de hoofdzaak.

in reconventie

5.56 De rechtbank ziet aanleiding eerst te oordelen over de vraag of er redenen zijn het bindend advies van [naam 1] te vernietigen (vordering 1 sub b onder i).

Vernietiging bindend advies

5.57 [gedaagde] vordert (gedeeltelijke) vernietiging van het bindend advies van [naam 1] . [gedaagde] legt hieraan ten grondslag dat, op grond van artikel 7:904 lid 1 BW, gebondenheid aan het bindend advies in verband met de inhoud en de wijze van totstandkoming in de gegeven omstandigheden naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar is. Primair is [naam 1] uitgegaan van een onjuiste toepassing van artikel 1 HoA. Subsidiair heeft [naam 1] in het bindend advies ten onrechte geoordeeld dat de overeenkomsten van 16 juli 2019 en van 4 mei 2021 vaststellingsovereenkomsten zijn door middel waarvan het onderlinge saldo van de rekeningen-courantverhoudingen bindend tussen partijen is vastgesteld.

5.58 [gedaagde] stelt dat uit de e-mailcorrespondentie die partijen in de fase voorafgaand aan het aangaan van de HoA hebben gevoerd de voor alle partijen kenbare bedoeling van artikel 1 HoA blijkt, namelijk dat bij het berekenen van het onderlinge saldo van de rekening-courantstanden alle uit de administratie herleidbare rekening-courantstanden moeten worden meegenomen, dus ook die van vóór 1 januari 2021. Uit die e-mailwisseling en uit de inhoud van de overeenkomsten blijkt ook dat de donatie- en leningsovereenkomsten van 16 juli 2019 en de overeenkomst van 4 mei 2021 geen beperkende werking hebben op het bindend advies. De tekst van artikel 1 HoA gaat volgens [gedaagde] dan ook uit van een financiële berekening van het rekening-courantsaldo en niet van een juridisch oordeel over die overeenkomsten. [gedaagde] verwijst ter onderbouwing van zijn standpunt naar randnummer 4.1 van het bindend advies, waarin onder meer het volgende staat:
“[gedaagde] legt de bindend advies opdracht aldus uit, dat vanaf het moment van het begin van de samenwerking met [eiser] dient te worden gekeken naar hetgeen de één en de ander in rekening courant heeft ontvangen of wat er aan bedragen ten onrechte wel of niet in ieders rekening courant is terechtgekomen.”
Hieruit volgt volgens [gedaagde] dat [naam 1] zich realiseert dat [gedaagde] artikel 1 HoA op de door hem voorgestane wijze uitlegt.

5.59 [eiser] heeft gemotiveerd betwist dat het bindend advies van [naam 1] vernietigbaar is. Er is volgens [eiser] geen sprake van de situatie dat gebondenheid van [gedaagde] aan het bindend advies naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar is in verband met de inhoud en wijze van totstandkoming van het advies.

Toetsingskader

5.60 Als partijen overeenkomen dat zij de beslissing van hun geschil aan een bindend adviseur opdragen, zijn zij in beginsel aan die beslissing gebonden. Alleen als gebondenheid daaraan in verband met de inhoud of de wijze van totstandkoming van het bindend advies in de gegeven omstandigheden naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar zou zijn, is die beslissing vernietigbaar (artikel 7:904 BW). Gebondenheid is dus regel en strijd met de redelijkheid en billijkheid vormt een uitzondering. De terughoudende bewoordingen van deze maatstaf hebben als gevolg dat niet elke onjuistheid in de beslissing kan leiden tot vernietiging van het bindend advies. Alleen ernstige gebreken in de beslissing kunnen gebondenheid aan de beslissing naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar maken. Van dergelijke gebreken is bijvoorbeeld sprake als fundamentele beginselen van procesrecht niet in acht genomen zijn. Dat betekent dat procedurele fouten niet per definitie reden zijn voor vernietiging: daarvoor moet de rechter beoordelen of en in welke mate daardoor nadeel is ontstaan.

5.61 De stelplicht en de bewijslast van feiten en omstandigheden waaruit volgt dat er grond is voor vernietiging van het bindend advies rusten op grond van de hoofdregel van artikel 150 Rv op [gedaagde] .
Redenen om het bindend advies van [naam 1] te vernietigen?

5.62 De rechtbank komt met inachtneming van voormeld toetsingskader tot het oordeel dat er geen redenen zijn om het bindend advies van [naam 1] te vernietigen. Zij motiveert dit als volgt.

5.63 Partijen hebben [naam 1] in gezamenlijk overleg ingeschakeld. Zij zijn daarom in beginsel gebonden aan de inhoud van het door [naam 1] uitgebrachte bindend advies.

5.64 Naar het oordeel van de rechtbank is voldaan aan de eisen die worden gesteld aan de wijze van tot stand komen van een bindend advies. Vast staat immers dat [naam 1] een behoorlijke procedure heeft gevoerd voordat hij tot zijn oordeel kwam. [naam 1] heeft [gedaagde] en [eiser] uitgebreid in de gelegenheid gesteld om hun standpunten naar voren te brengen en toe te lichten. Zij hebben de door [naam 1] benodigde informatie zelf aangeleverd en deze informatie was bekend bij beide partijen. [naam 1] heeft hoor en wederhoor toegepast en partijen hebben kunnen reageren op elkaars standpunt. Procedureel is de totstandkoming van het bindend advies dus zorgvuldig gegaan. [naam 1] is in deze dus niet tekortgeschoten in de uitvoering van zijn opdracht.

5.65 Partijen zijn het er over eens dat er veel onduidelijk was voorafgaand aan het sluiten van de HoA. Zij hadden hun samenwerking sinds het begin in 1993 ‘fiscaal optimaal’ geregeld, waarbij de boekhouding van de vennootschappen, de juridische verhoudingen tussen de vennootschappen en de feitelijke operatie niet altijd goed op elkaar aansloten. Het verschil in rekening-courant saldi was een terugkerend geschilpunt tussen partijen. Partijen hebben in 2019 en in 2021 pogingen gedaan om onevenwichtigheden daarin recht te trekken door het sluiten van de overeenkomsten van 16 juli 2019 en 4 mei 2021. [naam 1] heeft die overeenkomsten in zijn bindend advies tot ijkpunten genomen en heeft daarnaast alle informatie die partijen hebben aangeleverd in zijn oordeel betrokken. [gedaagde] heeft tijdens de bindend adviesprocedure alle ruimte gehad om zijn standpunt met betrekking tot de overeenkomsten van 16 juli 2019 en 4 mei 2021 toe te lichten en [naam 1] heeft daarover in het bindend advies een gemotiveerde beslissing genomen. Dit leidde ertoe dat [naam 1] de overeenkomsten uit 2019 en 2021 als beginpunt nam voor de bepaling van de rekening-courant stand. Naar het oordeel van de rechtbank paste dit binnen de opdracht van [naam 1] als geformuleerd in artikel 1 HoA en heeft hij dit zorgvuldig gedaan.

5.66 De rechtbank is van oordeel dat [naam 1] niet buiten zijn opdracht is getreden, zoals [gedaagde] stelt en [eiser] betwist. Bij de opdracht hoort ook dat [naam 1] mocht beslissen als goede man naar billijkheid. [naam 1] heeft dit op 9 december 2023, voordat hij met de inhoudelijke werkzaamheden voor het bindend advies begonnen is, aan partijen voorgelegd en zij hebben daarmee ingestemd. Als hier in de bindend adviesopdracht niets over is geregeld, moet de bindend adviseur beslissen ’naar de regelen des rechts’. Maar de bedoeling van partijen was dat [naam 1] zou beslissen na een korte procedure – mede in het licht van de ziekte van [gedaagde] – en dus niet na een lange procedure met deskundigenberichten et cetera. Hierbij is het niet zo dat [naam 1] gedurende de bindend adviesprocedure een andere maatstaf heeft toegepast. Op dit onderdeel is [naam 1] dus niet tekortgeschoten in de uitvoering van zijn opdracht. [naam 1] heeft in het begin de uitgangspunten van het proces met partijen gedeeld en zij hebben hiermee ingestemd.

5.67 [gedaagde] stelt zich op het standpunt dat de tekst van artikel 1 HoA uitgaat van een financiële berekening en niet van een juridisch oordeel over de overeenkomsten van 16 juli 2019 en 4 mei 2021. Volgens [gedaagde] zou [naam 1] het rekening-courant saldo vanaf het begin van de samenwerking met [eiser] uitzoeken. De rechtbank is van oordeel dat [gedaagde] dit redelijkerwijs niet van [naam 1] had mogen verwachten; dat is gezien de gang van zaken tussen partijen en de gevoerde administratie ondoenlijk en het ligt niet in de aard van de opdracht. [gedaagde] wist immers dat [naam 1] jurist was en geen registeraccountant. Partijen kenden de achtergrond en expertise van [naam 1] en hebben hem samen – met klem – gevraagd als bindend adviseur op te treden om zodoende een redelijke en billijke oplossing voor hun geschil te krijgen, omdat [naam 1] wist hoe [gedaagde] en [eiser] zaken deden.

5.68 Zoals blijkt uit randnummer 4.1 van het bindend advies, was [naam 1] bekend met het feit dat [gedaagde] de bindend advies opdracht zo uitlegde dat vanaf het begin van de samenwerking met [eiser] moest worden gekeken naar de rekening-courant saldi. Onder andere uit randnummers 6.9 en 6.10 van het bindend advies blijkt dat [naam 1] dit standpunt van [gedaagde] in zijn beoordeling betrokken heeft en dit vervolgens gemotiveerd heeft afgewezen:
“6.9 De interpretatie van [gedaagde] van de bindend advies opdracht, inhoudende dat de bindend adviseur vanaf het moment van het begin van de samenwerking met [eiser] dient na te wat de één en de ander in rekening courant heeft ontvangen of wat sedertdien er aan bedragen al dan niet ten onrechte wel of niet in ieders rekening courant is terechtgekomen, gaat in zoverre niet op, dat waar het boekingen van voor 30 april 2019 betreft, die in beginsel niet in de beoordeling (kunnen) worden betrokken.

6.10 De aandacht zal hierna (gelet op het voorgaande, daarom) vooral uitgaan naar mutaties die zich na 30 april 2021 hebben voorgedaan of hadden moeten voordoen en waaruit zou blijken dat het in per die datum berekende verschil in rekening courant tussen [gedaagde] en [eiser] vastgestelde bedrag niet juist was.”

5.69 Verder kan niet worden geoordeeld dat [naam 1] dusdanige fouten heeft gemaakt dat het bindend advies onbegrijpelijk gemotiveerd is. [gedaagde] verwijst naar het rapport van [naam 2] , waaruit volgens [gedaagde] volgt dat [naam 1] denk- en rekenfouten heeft gemaakt.
Als de rechtbank bij wijze van veronderstelling voor juist houdt dat [naam 1] rekenfouten heeft gemaakt, dan leidt dat niet tot een ander oordeel. [naam 1] moest namelijk rekenen met wat partijen aanleverden en het was niet de bedoeling dat [naam 1] zelfstandig in de administraties van de ondernemingen zou gaan grasduinen. Dit volgt uit de uitleg van de opdracht aan [naam 1] . Er is dan ook geen sprake van een fout in de context van de opdracht. Verder volgt uit de stellingen van [gedaagde] niet dat de informatie waaraan [naam 2] in zijn advies refereert, ook is ingebracht in de procedure bij [naam 1] . De vraag is dus of [naam 1] daadwerkelijk fouten gemaakt heeft bij het opstellen van het bindend advies. [gedaagde] stelt daartoe onvoldoende. Voor een fout in het bindend advies moet [gedaagde] stellen en concreet maken dat een rekenfout is gemaakt, dat hij [naam 1] daarop heeft gewezen en dat [naam 1] de fout vervolgens ten onrechte niet heeft gewijzigd. Dat heeft [gedaagde] nagelaten. [naam 1] heeft het bindend advies wel op andere punten gecorrigeerd, maar dat was in de eerste plaats omdat een aantal zaken onduidelijk is gebleven.

5.70 Ten slotte heeft [eiser] voldoende gemotiveerd betwist dat hij computervredebreuk heeft gepleegd, waarna [gedaagde] zijn verwijt niet heeft geconcretiseerd, zodat de rechtbank daaraan voorbijgaat.

5.71 Het voorgaande leidt tot de conclusie dat [gedaagde] tegenover de gemotiveerde betwisting door [eiser] onvoldoende feiten aan zijn betoog ten grondslag heeft gelegd die kunnen leiden tot vernietiging van het bindend advies van [naam 1] . Uit voorgaande overwegingen volgt dat [naam 1] in overeenstemming met de opdracht gehandeld heeft en deze opdracht op juiste wijze heeft uitgevoerd. Dit brengt mee dat vorderingen 1 sub b onder i en 1 sub b onder iii in het eindvonnis zullen worden afgewezen. Nu het bindend advies in stand blijft, komt de rechtbank niet toe aan de beoordeling van vordering 1 sub b onder iv. Deze vordering zal in het eindvonnis eveneens worden afgewezen.

Vordering 1 sub a en 1 sub b onder ii, artikel 1 HoA

5.72 Gelet op het oordeel van de rechtbank dat er geen redenen zijn het bindend advies van [naam 1] te vernietigen en het bindend advies dus in stand blijft, heeft [gedaagde] geen zelfstandig belang meer bij toewijzing van de verklaring voor recht ten aanzien van de tekst en de uitleg van artikel 1 HoA. In artikel 1 HoA zijn partijen immers overeengekomen wat de bindend advies opdracht aan [naam 1] inhoudt. Vordering 1 sub a zal daarom in het eindvonnis worden afgewezen.

5.73 Nu vorderingen 1 sub a en 1 sub b onder i in het eindvonnis worden afgewezen komt de rechtbank niet toe aan de beoordeling van vordering 1 sub b onder ii. Deze vordering zal in het eindvonnis eveneens worden afgewezen.

Vordering 2, artikel 2 HoA

5.74 Partijen zijn in artikel 2 HoA overeengekomen dat de aandelen die [gedaagde] houdt in [bedrijf 1] direct na ondertekening van de HoA overgaan naar [eiser] .

5.75 [gedaagde] vordert primair te verklaren voor recht dat sprake is van dwaling ten aanzien van artikel 2 HoA en ter opheffing van het nadeel als gevolg van deze dwaling het artikel te wijzigen op zodanige wijze dat [eiser] gehouden is voor de verkrijging van de overdracht van de aandelen [bedrijf 1] een door de rechtbank in goede justitie te bepalen waarde van die aandelen aan [gedaagde] te vergoeden. [gedaagde] legt hieraan ten grondslag dat de aandelen [bedrijf 1] volgens [eiser] geen waarde hebben die voor vergoeding in aanmerking komt. Kort na het aangaan van de HoA bleek [bedrijf 1] een investering te hebben ontvangen van € 3.000.000 van [bedrijf 1] . Uit onderzoek van [gedaagde] is gebleken dat de contacten hierover tussen [eiser] en [bedrijf 1] al waren gelegd ruim voorafgaand aan het aangaan van de HoA. Als [gedaagde] over deze informatie zou hebben beschikt ten tijde van het aangaan van de HoA, zou hij niet hebben ingestemd met artikel 2 HoA. [eiser] wist dat hij [gedaagde] hierover had behoren in te lichten, zodat sprake is van dwaling. [eiser] is op grond van artikel 6:230 BW gehouden tot nadeelsopheffing, aldus [gedaagde] .

5.76 [eiser] betwist dat sprake is van dwaling. Hij heeft geen onjuiste mededelingen gedaan en hij heeft ook niet gezwegen waar spreken geboden was. Daarbij komt dat [gedaagde] afstand heeft gedaan van het recht om de HoA te vernietigen (artikel 19 HoA). Daaronder valt volgens [eiser] ook de nadeelsopheffing als bedoeld in artikel 6:230 BW.

5.77 Het beroep op dwaling slaagt niet. Partijen hebben in artikel 19 HoA uitdrukkelijk afstand gedaan van het recht om de HoA te vernietigen. Daaronder valt ook vernietiging wegens dwaling.

5.78 Uitgangspunt is dat het uitsluiten van het recht op vernietiging wegens dwaling in beginsel mogelijk is. Mogelijk is ook, aangezien dit van regelend recht is, om het recht uit te sluiten om een beroep te doen op de nadeelsopheffing van artikel 6:230 lid 2 BW. Een algemene uitsluitingsclausule waarbij afstand van het recht op vernietiging wordt gedaan volstaat. Deze dekt zowel vernietiging wegens dwaling als de nadeelsopheffing van artikel 6:230 lid 2 BW. De nadeelsopheffing is immers onlosmakelijk verbonden met de vernietigingsbevoegdheid: zonder vernietigingsbevoegdheid bestaat er ook geen grondslag voor nadeelsopheffing.

5.79 Het voorgaande leidt tot de conclusie dat vordering 2 sub a in het eindvonnis zal worden afgewezen.

Informatieplicht

5.80 [gedaagde] vordert subsidiair een verklaring voor recht dat [eiser] is tekortgeschoten in zijn informatieverplichting uit hoofde van artikel 12 HoA, althans ook overigens, ten aanzien van de waarde van de in artikel 2 HoA bedoelde aandelen en [eiser] te veroordelen de schade die daarvan het gevolg is aan [gedaagde] te voldoen.

5.81 [eiser] betwist dat hij is tekortgeschoten in zijn informatieverplichting ten aanzien van de waarde van de aandelen [bedrijf 1] en licht de gang van zaken rond de investering als volgt toe. [gedaagde] was ermee bekend dat [naam 9] , de bestuurder van onder meer [bedrijf 1] (hierna: [naam 9] ), tot taak had om investeringen aan te trekken. Dit bleek niet eenvoudig te zijn. In 2023 heeft [naam 9] tevergeefs min of meer alle mogelijke investeerders in de Benelux benaderd om te investeren. [eiser] heeft ter onderbouwing hiervan een e-mailbericht overgelegd van 2 oktober 2023 van [naam 10] . [eiser] was hier niet bij betrokken. Achteraf is [eiser] gebleken dat in die periode een bespreking heeft plaatsgevonden tussen [naam 9] en [naam 11] (hierna: [naam 11] ), werkzaam bij [bedrijf 2] . Tijdens een bespreking op 2 november 2023 heeft [naam 9] een Roemeense advocaat geïnformeerd dat de middelen van GMT aan het opraken waren en dat een faillissement aanstaande leek, omdat de benodigde investeringen niet konden worden aangetrokken. [gedaagde] wist dat werd gezocht naar investeringen. Op 6 december 2023, een maand na het ondertekenen van de HoA, heeft een (nader) kennismakingsgesprek plaatsgevonden tussen [bedrijf 2] en [eiser] . Kort voor dit kennismakingsgesprek deelde [naam 11] een e-mailbericht waarin hij meldt dat hij het leuk vindt om kennis te maken met [eiser] . Tot die tijd had ieder contact alleen plaatsgevonden tussen [naam 9] en [bedrijf 2] . Pas na het kennismakingsgesprek is echt interesse ontstaan bij [bedrijf 2] om te investeren in [bedrijf 1] . In een e-mailbericht van 10 juni 2026 aan de advocaat van [eiser] heeft [naam 11] deze gang van zaken bevestigd; [naam 9] heeft dit in een e-mailbericht van 11 juni 2026 ook bevestigd. Voorafgaand aan het sluiten van de HoA – in november 2023 – was dus nog helemaal geen zicht op een investering door [bedrijf 2] en heeft [eiser] niets kunnen verzwijgen. Bovendien is het niet juist dat de aandelen [bedrijf 1] om niet zijn overgedragen. De overdracht van deze aandelen en de aandelen GMT is onderdeel van een totaalpakket van afspraken dat in de HoA is vastgelegd.

5.82 [gedaagde] heeft hier tegenover gesteld dat [naam 11] in een LinkedIn bericht in juni 2023 heeft geschreven dat hij ‘tien maanden geleden’ contact heeft gehad met [eiser] . Hierover is [gedaagde] niet geïnformeerd.

5.83 Naar het oordeel van de rechtbank heeft [eiser] de stelling van [gedaagde] , dat [eiser] is tekortgeschoten in zijn informatieverplichting ten aanzien van de waarde van de aandelen [bedrijf 1] , voldoende gemotiveerd weersproken. [eiser] heeft zijn standpunt concreet gemaakt met e-mails waaruit blijkt dat [naam 9] het contact had gelegd met [naam 11] voordat de HoA werd gesloten. Ook blijkt hieruit dat [eiser] pas na het sluiten van de HoA betrokken was bij de investering. Het LinkedIn bericht waar [gedaagde] naar verwijst, is niet strijdig met het gegeven dat is erkend dat [naam 9] voor het sluiten van de HoA met diverse mensen in gesprek was en dat er contact was met [bedrijf 2] . Uit voormelde e-mail van 2 oktober 2023 blijkt dat niemand in [bedrijf 1] wilde investeren. Dit alles sluit aan bij het verhaal van [eiser] . [eiser] heeft hiermee een afdoende verklaring gegeven voor de waarde van de aandelen in [bedrijf 1] . [gedaagde] heeft zijn verwijten na dit gemotiveerde verweer niet geconcretiseerd. Daarom zal de rechtbank vordering 2 sub b in het eindvonnis afwijzen.

Vordering 3, artikel 4 HoA

5.84 Voor zover aan vordering 3 een beroep op dwaling ten grondslag ligt, zal de vordering in het eindvonnis worden afgewezen. Partijen hebben immers in artikel 19 HoA uitdrukkelijk afstand gedaan van het recht om de HoA te vernietigen. Daaronder valt ook vernietiging wegens dwaling. De rechtbank verwijst naar wat zij hiervoor over het beroep op dwaling heeft overwogen (zie 5.77 en 5.78). Dit betreft vordering 3 sub a onder i en 3 sub b onder i.

5.85 Voor zover vordering 3 is gebaseerd op de door [gedaagde] gestelde tekortkoming door [eiser] in zijn informatieverplichting uit hoofde van artikel 12 HoA ten aanzien van de waarde van het onroerend goed, zal de vordering in het eindvonnis worden afgewezen. De rechtbank verwijst naar wat zij hierover in 5.22 tot en met 5.25 heeft overwogen. Dit betreft vordering 3 sub a onder ii en 3 sub b onder iv.

5.86 [gedaagde] vordert (3 sub b onder ii) kort gezegd een verklaring voor recht dat het onroerend goed te Brasov aan de Str Casteluliu niet valt onder “het o/g” in de zin van artikel 4 HoA en te bepalen dat deze onroerende zaak aan [eiser] toekomt. [gedaagde] legt aan deze vorderging ten grondslag dat de waarde van deze onroerende zaak alsnog onder artikel 4 HoA moet worden gebracht.

5.87 Zoals de rechtbank hiervoor heeft overwogen (zie 5.25) is voormelde onroerende zaak in Brasov eigendom van [naam 7] (schoonzus van [eiser] ). Dit brengt mee dat deze onroerende zaak niet valt onder “het o/g” in de zin van artikel 4 HoA. De rechtbank zal vordering 3 sub b onder ii en iii in het eindvonnis evenwel afwijzen, aangezien [gedaagde] , gelet op de grondslag van de vordering, geen belang heeft bij toewijzing van deze vordering en [eiser] geen eigenaar is van de onroerende zaak.

Vordering 4, artikel 5 HoA

5.88 [gedaagde] vordert een verklaring voor recht dat voor wat betreft de “put/call optie” in de zin van artikel 5 HoA partijen een onherroepelijk aanbod van [eiser] tot verkoop van de door hem gehouden aandelen in TBAG zijn overeengekomen en niet tevens een onherroepelijk aanbod van [gedaagde] tot koop van de door [eiser] gehouden aandelen in TBAG.

5.89 Zoals de rechtbank hiervoor onder 5.36 heeft overwogen, is de “put/call optie” in artikel 5 HoA bedoeld als een onderwerp dat nog uitgewerkt had moeten worden in een aandeelhoudersovereenkomst. De rechtbank is van oordeel dat het inderdaad zo kan zijn dat de gevorderde verklaring voor recht de denkrichting juist weergeeft, maar in de aandeelhoudersovereenkomst kunnen nog voorwaarden aan de calloptie worden verbonden. Er is geen sprake van een lacune in de HoA, maar van een afspraak die door partijen nog nader ingevuld en uitgewerkt moet worden. Dit geldt ook voor de vorderingen sub b en c. Artikel 5 HoA is bewust zo ingekleed. Ook hier is geen sprake van een lacune. De voorwaarden moesten nog ingevuld worden door partijen zelf of door de bindend adviseur.

5.90 De rechtbank zal vordering 4 sub a in het eindvonnis bij gebrek aan belang afwijzen, omdat dit in conventie al is beoordeeld. Vorderingen 4 sub b en c zullen in het eindvonnis eveneens worden afgewezen. Partijen moeten de voorwaarden nog uitonderhandelen en nader overeenkomen in de aandeelhoudersovereenkomst. Daarom kan dit nu niet in een verklaring voor recht worden gevat.

Vordering 5, artikel 6 HoA en provisionele vordering (5 sub a en c)

5.91 [gedaagde] vordert, kort gezegd, bij wijze van incidentele provisionele vordering, voor de duur van het geding, [eiser] te gelasten 70 aandelen in TBAG over te dragen aan [gedaagde] , waarbij ten aanzien van 0,27 aandeel geldt dat de overdracht daarvan dient plaats te vinden tegen betaling van een vergoeding van € 9.585. [gedaagde] legt hieraan het volgende ten grondslag. De gerechtelijke procedure in deze zaak kan, mede gelet op de complexiteit van de zaak, mogelijk lang duren. Tussen partijen staat vast dat ten minste 70 aandelen in TBAG door [eiser] aan [gedaagde] moeten worden overgedragen op grond van artikel 6 HoA. [eiser] weigert dit en maakt misbruik van zijn stemrecht doordat hij niet stemt op een wijze zoals [gedaagde] wenst. Daarom heeft [gedaagde] recht op en een spoedeisend belang bij behandeling en toewijzing van de provisionele vordering.

5.92 [eiser] beroept zich onder meer op opschorting. [eiser] betoogt dat [gedaagde] om de volgende redenen geen nakoming van de HoA kan verlangen en dus ook niet van artikel 6 HoA.

5.93 Ten eerste ‘hokte’ [gedaagde] als eerste bij nakoming van de HoA, namelijk op 17 november 2023, toen hij [eiser] informeerde dat hij de aandelen in TBIS pas wilde leveren op het moment dat de aandelen in TBAG aan hem zouden worden geleverd. Deze voorwaarde brengt met zich dat eerst het bindend advies als bedoeld in artikel 1 HoA zou moeten worden afgewacht. Ook toen het bindend advies in maart 2024 was ontvangen, volhardde [gedaagde] in zijn weigering zijn aandelen in TBIS te leveren. Er was al op 17 november 2023 sprake van verzuim, omdat uit de mededeling van [gedaagde] bleek dat hij niet zou nakomen. De stelling van [gedaagde] dat [eiser] op 15 februari 2024 als eerste ‘hokte’, is dus onjuist. [eiser] mocht toen al de verbintenis waarvan [gedaagde] nakoming verlangde opschorten. Bovendien kon [gedaagde] geen nakoming verlangen vanwege zijn verzuim.

De tekst gaat verder: De uitspraak op rechtspraak.nl

Aangehaalde artikelen

Aangehaalde uitspraken