Rb. Den Haag 4 september 2026, ECLI:NL:RBDHA:2026:26232

Grensdetentie, voortduren, ongegrond.

De uitspraak op rechtspraak.nl

Tekst

RECHTBANK DEN HAAG
Zittingsplaats Arnhem
Bestuursrecht
zaaknummers: NL26.47964 en NL26.47966 en NL26.47961
uitspraak van de enkelvoudige kamer van 4 september 2026 in de zaak tussen
[eiser 1] , v-nummer: [x] ,
[eiser 2] , v-nummer [x] ,
[eiser 3] , v-nummer [x] ,
eisers
(gemachtigde: mr. M. Timmer),
en
de ambtenaar belast met de grensbewaking, de ambtenaar,
(gemachtigde: mr. J. Kaikai).

Procesverloop

Bij besluiten van 23 juli 2026 (de bestreden besluiten) zijn aan eisers met toepassing van artikel 6, derde lid, van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw 2000) vrijheidsontnemende maatregelen van grensdetentie opgelegd. Deze maatregelen duren nog voort.

Eisers hebben tegen het voortduren van deze maatregelen beroepen ingesteld. Deze beroepen moet tevens worden aangemerkt als verzoeken om toekenning van schadevergoeding.

De rechtbank heeft deze maatregelen eerder getoetst. Op het eerste beroep heeft de rechtbank beslist bij uitspraak van 6 augustus 2026.

De minister heeft voortgangsrapportages overgelegd. Eisers hebben hierop gereageerd.

De rechtbank heeft de beroepen op 1 september 2026 op zitting behandeld. Eisers hebben zich laten vertegenwoordigen door hun gemachtigde. De minister heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.

Overwegingen

1 Indien de rechtbank bij de beoordeling van het beroep van oordeel is dat de toepassing of tenuitvoerlegging van de maatregel in strijd is met de Vw 2000 dan wel bij afweging van alle daarbij betrokken belangen niet gerechtvaardigd is, verklaart zij op grond van artikel 94, zesde lid, van de Vw 2000 het beroep gegrond.

2 De rechtbank stelt voorop dat zij deze vrijheidsontnemende maatregelen al eerder heeft getoetst. Uit de uitspraak van 6 augustus 2026 volgt dat de vrijheidsontnemende maatregelen tot het moment van het sluiten van het onderzoek op dat aan die uitspraak ten grondslag ligt, rechtmatig was. Daarom is bij de beoordeling van de rechtmatigheid van het voortduren van de vrijheidsontnemende maatregelen slechts de periode van belang sinds het moment van het sluiten van dat onderzoek op 31 juli 2026.

Kennelijk ongegrond

3 Eisers betogen – kort gezegd – dat de grensdetentie niet langer kan voortduren, omdat zij geen rechtmatig verblijf meer hebben in Nederland door de afwijzing van hun asielaanvragen als kennelijk ongegrond. Eisers zijn enkel niet verwijderbaar zolang het verzoek loopt bij de voorzieningenrechter. Voor grensdetentie in deze situatie is sinds het van toepassing worden van het Asiel- en migratiepact geen wettelijke grondslag meer.

3.1 De beroepsgrond slaagt niet. Uit artikel 6, derde lid, van de Vw 2000 volgt dat aan de vreemdeling die een asielaanvraag heeft ingediend aan de grens – zolang hij wordt aangemerkt als verzoeker in de zin van artikel 2, aanhef en onder 2, van de (hernieuwde) Opvangrichtlijn – een vrijheidsbeperkende maatregel op grond van artikel 6, derde lid, van de Vw 2000 kan worden opgelegd in het kader van het grensbewakingsbelang. Een verzoeker zoals genoemd in die richtlijn is een onderdaan van een derde land of een staatloze die een verzoek om internationale bescherming heeft ingediend waarover nog geen definitieve beslissing is genomen.

3.2 Eisers asielaanvragen zijn bij besluiten van 2 augustus 2026 afgewezen als kennelijk ongegrond, waarbij is overwogen dat de opgelegde maatregelen in het kader van het grensbewakingsbelang blijven voortduren. Eisers hebben op 3 augustus 2026 beroep ingesteld tegen deze besluiten en hebben verzoeken om voorlopige voorziening ingediend. Nu eisers een rechtsmiddel hebben aangewend zijn de besluiten van 2 augustus 2026 niet in rechte vast komen te staan. Van een definitieve beslissing op de aanvragen van eisers is dan ook nog geen sprake. Omdat eisers tot op heden kunnen worden aangemerkt als verzoekers in de zin van artikel 2, aanhef en onder 2, van de (hernieuwde) Opvangrichtlijn, staat de kennelijke ongegrondverklaring van hun aanvragen het voortduren van de aan hen opgelegde maatregelen niet in de weg. De enkele omstandigheid dat eisers op grond van artikel 68, derde lid, sub a onder ii, van de Procedureverordening sinds 2 augustus 2026 geen rechtmatig verblijf meer hebben in Nederland, maakt het voortduren van deze maatregelen niet onrechtmatig.

3.3 De rechtbank merkt ten overvloede op dat de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (Afdeling) een maximaal toegestane duur voor grensdetentie heeft bepaald, ook al kan dat betekenen dat de minister het grensbewakingsbelang moet prijsgeven. De Afdeling heeft artikel 9, eerst lid, van de Opvangrichtlijn zo uitgelegd dat grensdetentie op grond van artikel 6, derde lid, van de Vw 2000 in ieder geval te lang voortduurt na dertien weken vanaf de oplegging van een vrijheidsontnemende maatregel. De rechtbank is ambtshalve bekend dat de beroepen van eisers op 1 en 2 september 2026 bij de rechtbank Den Haag worden behandeld. Naar verwachting van de rechtbank zal er voor het verstrijken van de maximale termijn, uitspraak worden gedaan op de asielberoepen van eisers. De rechtbank ziet om die reden vooralsnog geen aanleiding voor het oordeel dat de maximale termijn van dertien weken zal worden overschreden.
Ambtshalve toets
4. Los van de door eisers aangevoerde gronden, ziet de rechtbank in de door de ambtenaar en eisers verstrekte gegevens verder geen grond om te komen tot het oordeel dat de toepassing of tenuitvoerlegging van de vrijheidsontnemende maatregelen op enig moment onrechtmatig is geweest.

Conclusie en gevolgen

5 De beroepen tegen de maatregel van vreemdelingenbewaring zijn ongegrond. Daarom wordt ook het verzoek om schadevergoeding afgewezen. Eisers krijgen geen vergoeding van hun proceskosten.

Beslissing

De rechtbank:

- verklaart de beroepen ongegrond;

- wijst de verzoeken om schadevergoeding af.

Deze uitspraak is gedaan door mr. M.J.M. Verhoeven, rechter, in aanwezigheid van S. Voolstra, griffier.

De uitspraak is uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State binnen één week na de dag van bekendmaking.

Aangehaalde artikelen

Aangehaalde uitspraken