Rb. Den Haag 31 augustus 2026, ECLI:NL:RBDHA:2026:25385

amb-verordening; België; Frankrijk; persoonlijk onderhoud; terugname; overgangsrecht niet van belang; juiste vaststelling verantwoordelijkheid; artikel 4 EU Handvest; artikel 35 amb-verordening; beroep ongegrond.

De uitspraak op rechtspraak.nl

Tekst

RECHTBANK DEN HAAG
Zittingsplaats Arnhem
Bestuursrecht
zaaknummer: NL26.40958
uitspraak van de enkelvoudige kamer van 31 augustus 2026 in de zaak tussen
[eiseres] , v-nummer: [x] , eiseres
(gemachtigde: mr. G.J. van Kammen),
en
de minister van Asiel en Migratie,
(gemachtigde: mr. P.M.W. Jans).

Samenvatting

1 Deze uitspraak gaat over het niet in behandeling nemen van de asielaanvraag van eiseres. De minister heeft deze aanvraag niet in behandeling genomen omdat Frankrijk verantwoordelijk is voor de behandeling daarvan.

1.1 De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat het beroep ongegrond is. Dat betekent dat eiseres ongelijk krijgt en het niet in behandeling nemen van haar aanvraag in stand blijft. Hieronder legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.

Procesverloop

2 Eiseres heeft op 28 april 2026 een asielaanvraag ingediend. De minister heeft met het bestreden besluit van 14 juli 2026 deze aanvraag niet in behandeling genomen.

2.1 Eiseres heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit.

2.2 De rechtbank heeft het beroep op 19 augustus 2026 op zitting behandeld. Hieraan heeft de gemachtigde van de minister deelgenomen. Eiseres en haar gemachtigde zijn niet verschenen.

Beoordeling door de rechtbank

Welk recht is van toepassing?

3 De Europese Unie heeft gezamenlijke regelgeving over het in behandeling nemen van asielaanvragen. Ten tijde van het indienen van de asielaanvraag van eiseres was die regelgeving neergelegd in de Dublinverordening. Met ingang van 12 juni 2026 is de Dublinverordening ingetrokken en is de Asiel- en migratiebeheerverordening (Amb-verordening) van toepassing geworden. Uit de rechtspraak van het Hof van Justitie volgt dat nieuw recht in beginsel onmiddellijke werking heeft en in beginsel ook van toepassing is op alle lopende procedures. Dit ligt slechts anders, wanneer de nieuwe regel gepaard gaat met bijzondere overgangsbepalingen of wanneer het stadium waarin de betreffende procedure zich bevindt daartoe aanleiding geeft. In artikel 84 van de Amb-verordening zijn overgangsbepalingen opgenomen. Het tweede lid van dit artikel bepaalt dat voor verzoeken die vóór 12 juni 2026 zijn geregistreerd, zoals het verzoek van eiseres, de verantwoordelijke lidstaat wordt aangewezen aan de hand van de criteria van de Dublinverordening. Deze overgangsbepaling ziet dus uitsluitend op de aanwijzing van de verantwoordelijke lidstaat aan de hand van de verantwoordelijkheidscriteria. Voor het overige is vanaf 12 juni 2026 de Amb-verordening van toepassing. Op grond van de Amb-verordening neemt de minister een asielaanvraag niet in behandeling als is vastgesteld dat een andere lidstaat verantwoordelijk is voor de behandeling daarvan.

3.1 Nederland had België op 12 mei 2026 aanvankelijk verzocht om eiseres terug te nemen. De Belgische autoriteiten wezen dit verzoek op 13 mei 2026 echter af, omdat Frankrijk al had ingestemd met een door hen gedaan verzoek tot terugname. Nederland heeft vervolgens op 29 juni 2026 een kennisgeving inzake terugname gestuurd naar Frankrijk. Frankrijk heeft die kennisgeving op 9 juli 2026 bevestigd.
Stukken niet aanwezig in het dossier
4. Eiseres voert allereerst aan dat de reactie van de Belgische autoriteiten op het aanvankelijke claimverzoek van de minister ontbreekt in het dossier. Hetzelfde geldt voor de daarna gedane kennisgeving aan de Franse autoriteiten en hun gestelde bevestiging daarvan op 9 juli 2026.

4.1 Deze beroepsgrond slaagt niet. De rechtbank stelt vast dat het claimverzoek aan de Belgische autoriteiten, de afwijzing van dat verzoek, de kennisgeving inzake terugname aan de Franse autoriteiten en de bevestiging daarvan zich allen in het dossier bevinden, inclusief de bijlagen bij die stukken. Uit de documentinformatie van deze stukken blijkt dat ze op 23 juli 2026 in het digitale werkdossier van de Rechtspraak zijn geplaatst, terwijl de beroepsgronden van eiseres dateren van 24 juli 2026 – de dag erna. Het dossier was dus al compleet voordat de gemachtigde van eiseres zijn beroepsgronden indiende, zodat eiseres de gelegenheid had om kennis te nemen van de genoemde stukken. De gemachtigde van eiseres had ook nog ruim de gelegenheid om daarna aanvullende gronden in te dienen. De zitting heeft immers pas op 19 augustus 2026 plaatsgevonden.
Is eiseres voldoende gehoord over een overdracht aan Frankrijk?
5. Eiseres betoogt vervolgens dat zij onvoldoende is gehoord over een overdracht aan Frankrijk. Het persoonlijke onderhoud van 12 mei 2026 had uitsluitend betrekking op haar bezwaren tegen overdracht aan België. Pas bij brief van 29 juni 2026 heeft de minister meegedeeld dat Frankrijk mogelijk verantwoordelijk was. Deze brief vermeldt bovendien niet waarom Frankrijk verantwoordelijk zou zijn en geeft geen feiten of bewijsstukken waarop de mogelijke verantwoordelijkheid is gebaseerd. Dat eiseres formeel de gelegenheid heeft gekregen aanvullende informatie toe te sturen, betekent daarom nog niet dat zij effectief in staat is gesteld haar standpunt kenbaar te maken.

5.1 Artikel 22 van de Amb-verordening schrijft een persoonlijk onderhoud voor met het oog op het bepalen van de verantwoordelijke lidstaat. Uit het eerste en derde lid van deze bepaling volgt dat dit onderhoud is gericht op de toepassing van artikel 39 en voorafgaat aan een overnameverzoek.

5.2 Ten aanzien van Frankrijk is echter geen sprake van een overname-, maar van een terugnameprocedure. Nadat België de terugname had geweigerd omdat Frankrijk verantwoordelijk werd geacht, heeft de minister Frankrijk overeenkomstig de verordening in kennis gesteld van de terugname. Voor een dergelijke terugnameprocedure schrijft de Amb-verordening geen persoonlijk onderhoud voor. Artikel 22 verplichtte de minister daarom niet om eiseres, nadat Frankrijk als verantwoordelijke lidstaat in beeld was gekomen, opnieuw persoonlijk te horen. Dat eiseres eerder, in het kader van de procedure met België, wel persoonlijk is gehoord, maakt dit niet anders. Dat persoonlijk onderhoud vond bovendien plaats toen de Dublinverordening nog van toepassing was.

5.3 Daarbij komt dat de minister eiseres bij brief van 29 juni 2026 heeft meegedeeld dat Frankrijk mogelijk verantwoordelijk was en haar de gelegenheid heeft geboden om informatie en bezwaren naar voren te brengen. Daarmee heeft de minister haar de mogelijkheid geboden om feiten en omstandigheden aan te voeren die volgens haar aan een overdracht aan Frankrijk in de weg staan. Van een verplichting om haar daarnaast nog persoonlijk te horen, was geen sprake. Dat eiseres op dat moment geen kennis had genomen van de stukken waarop de verantwoordelijkheid van Frankrijk is gebaseerd, betekent ook niet dat zij hier minder effectief op heeft kunnen reageren. Als eiseres in een persoonlijk onderhoud was gevraagd naar haar eventuele bezwaren tegen een overdracht aan Frankrijk, had zij immers evenmin kennis kunnen nemen van die stukken. Bovendien gaat het erom dat eiseres de gelegenheid wordt geboden om haar persoonlijke bezwaren tegen een overdracht aan Frankrijk naar voren te brengen. Kennis van de stukken op basis waarvan Frankrijk verantwoordelijk wordt geacht, is daarom niet vereist. Deze beroepsgrond slaagt dan ook niet.
Is de verantwoordelijkheid van Frankrijk op de juiste wijze vastgesteld?
6. Eiseres betoogt dat de minister onvoldoende heeft gemotiveerd dat Frankrijk verantwoordelijk is voor de behandeling van haar asielaanvraag. De enkele mededeling in het besluit dat "is gebleken" dat Frankrijk verantwoordelijk is, is onvoldoende. De minister heeft daarnaast het overgangsrecht van de Amb-verordening onjuist toegepast. Haar aanvraag is op 29 april 2026 geregistreerd, zodat de verantwoordelijke lidstaat moet worden vastgesteld met toepassing van de verantwoordelijkheidscriteria van de Dublinverordening. Eiseres wijst op artikel 84, tweede lid, van de Amb-verordening en artikel 7, eerste lid, van de Uitvoeringsverordening. De minister heeft in het besluit verwezen naar artikel 13 van de Amb-verordening, maar dat artikel biedt geen grondslag voor de aanwijzing van Frankrijk als de verantwoordelijke lidstaat. Hetzelfde geldt voor de verwijzing van de minister naar artikel 13 van de Uitvoeringsverordening.

6.1 Deze beroepsgrond slaagt niet. De rechtbank overweegt hiertoe als volgt. In het geval van eiseres is sprake van een terugnamesituatie. In de afwijzing van het claimverzoek van 13 mei 2026 hebben de Belgische autoriteiten meegedeeld dat Frankrijk al had ingestemd met hun verzoek om eiseres terug te nemen op grond van artikel 18, eerste lid, onder d, van de Dublinverordening. Hieruit blijkt dat Frankrijk al heeft vastgesteld dat zij de verantwoordelijke lidstaat is op grond van de criteria van de (toen nog geldende) Dublinverordening. Om die reden rust op Frankrijk de plicht om eiseres terug te nemen. De vraag welke lidstaat op grond van de verantwoordelijkheidscriteria van de Dublinverordening verantwoordelijk is, behoefde de minister daarom niet opnieuw te beoordelen. Dat geldt evenzeer voor de vraag welk overgangsrecht van toepassing is op de vaststelling van die verantwoordelijkheid. Die verantwoordelijkheid was immers al door Frankrijk aanvaard voordat de Amb-verordening van toepassing werd. Vervolgens heeft de minister naar aanleiding van de informatie van de Belgische autoriteiten op 29 juni 2026 – na de inwerkingtreding van de Amb-verordening – een kennisgeving inzake terugname naar de Franse autoriteiten gestuurd. Dat Frankrijk op dat moment nog niet in Eurodac als verantwoordelijke lidstaat stond geregistreerd, stond daaraan niet in de weg. De minister heeft de kennisgeving in overeenstemming met artikel 13 van de Uitvoeringsverordening ingediend en daarbij de daarin voorgeschreven aanvullende gegevens verstrekt. De Franse autoriteiten hebben de ontvangst van de kennisgeving op 9 juli 2026 bevestigd. Uit de stukken blijkt dus dat de minister op de juiste wijze heeft vastgesteld dat Frankrijk verantwoordelijk is en eiseres op grond van artikel 36, eerste lid, onder b, van de Amb-verordening terug moet nemen.

6.2 De rechtbank stelt evenwel vast dat de minister in het besluit artikel 13 van de Amb- verordening en artikel 13 van de Uitvoeringsverordening heeft genoemd als grondslag voor de verantwoordelijkheid van Frankrijk. Die verwijzingen zijn onjuist. Artikel 13 van de Amb-verordening heeft betrekking op het EU-solidariteitsforum en artikel 13 van de Uitvoeringsverordening regelt enkel hoe een kennisgeving moet worden ingediend in een geval als hier aan de orde. Deze bepalingen bieden geen grondslag voor de vaststelling dat Frankrijk verantwoordelijk is voor de behandeling van de asielaanvraag van eiseres. De minister heeft dit ter zitting ook erkend. Hoewel het besluit in zoverre een motiveringsgebrek bevat, ziet de rechtbank aanleiding om dit gebrek te passeren, nu is gebleken dat terecht en op de juiste wijze is vastgesteld dat Frankrijk verantwoordelijk is en eiseres terug moet nemen, zoals onder 6.1 is overwogen. Ook is niet gebleken dat eiseres in haar belangen is geschaad door het benoemen van een onjuiste bepaling als grondslag.
Is deugdelijk beoordeeld of de overdracht in strijd is met artikel 4 van het EU Handvest?
7. Eiseres betoogt dat de minister onvoldoende heeft beoordeeld of een overdracht aan Frankrijk voor haar een reëel risico op een onmenselijke of vernederende behandeling in zal houden. De minister volstaat met een algemene verwijzing naar het interstatelijk vertrouwensbeginsel en enkele uitspraken van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State. Dat ten aanzien van Frankrijk in beginsel van het interstatelijk vertrouwensbeginsel kan worden uitgegaan, ontslaat de minister niet van de verplichting om de individuele situatie van eiseres te beoordelen. De overweging dat eiseres bij problemen in Frankrijk een klacht kan indienen zonder beoordeling van de feitelijke toegankelijkheid en effectiviteit van zo'n klacht is onvoldoende om een eventueel reëel risico uit te sluiten.

7.1 Deze beroepsgrond slaagt niet. De minister heeft zich allereerst terecht op het standpunt gesteld dat hij voor Frankrijk van het interstatelijk vertrouwensbeginsel uit mag gaan. Eiseres heeft dit ook niet betwist. Gelet daarop is het aan eiseres om individuele omstandigheden naar voren te brengen die maken dat een overdracht aan Frankrijk toch een onmenselijke of vernederende behandeling in zal houden in haar geval. Eiseres is hiertoe de gelegenheid geboden met de brief van 29 juni 2026, maar daar heeft zij geen gebruik van gemaakt. Ook in beroep heeft eiseres niet toegelicht hoe haar individuele situatie een overdracht aan Frankrijk in de weg zou zitten. De minister heeft hiervan dan ook geen verdere beoordeling hoeven verrichten en kunnen volstaan met een verwijzing naar het interstatelijk vertrouwensbeginsel. De minister heeft in dit verband ook terecht gesteld dat eiseres bij voorkomende problemen een klacht kan indienen bij de Franse autoriteiten. Het is aan eiseres om te onderbouwen dat dit voor haar niet mogelijk is. Ook dit heeft zij niet gedaan.
Het niet toepassen van artikel 35 van de Amb-verordening
8. Eiseres betoogt dat de minister onvoldoende heeft gemotiveerd waarom hij de asielaanvraag van eiseres niet onverplicht in behandeling neemt op grond van artikel 35 van de Amb-verordening.

8.1 Deze beroepsgrond slaagt niet. Uit artikel 43, eerste lid, van de Amb-verordening volgt namelijk dat niet in rechte kan worden opgekomen tegen het niet toepassen van deze bevoegdheid door de minister.

Conclusie en gevolgen

9 Het beroep is ongegrond. Dat betekent dat eiseres geen gelijk krijgt. Gelet op het onder 6.2 vastgestelde gebrek, ziet de rechtbank wel aanleiding om de minister te veroordelen in de proceskosten van eiseres. Deze vergoeding bedraagt € 934,-, omdat de gemachtigde van eiseres een beroepschrift heeft ingediend.

Beslissing

De rechtbank:

verklaart het beroep ongegrond;
veroordeelt de minister in de proceskosten van eiseres tot een bedrag van € 934,-.

Deze uitspraak is gedaan door mr. S. Kompier, rechter, in aanwezigheid van mr. J. de Lange, griffier.

De uitspraak is uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:

Informatie over hoger beroep

Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met de uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen twee weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.

Aangehaalde artikelen

Aangehaalde uitspraken