Rb. Den Haag 24 augustus 2026, ECLI:NL:RBDHA:2026:25383
De uitspraak op rechtspraak.nl
Tekst
RECHTBANK DEN HAAG
Zittingsplaats Arnhem
Bestuursrecht
zaaknummer: NL26.38628
uitspraak van de enkelvoudige kamer van 24 augustus 2026 in de zaak tussen
[eiser] , v-nummer: [x] , eiser
(gemachtigde: mr. N. Birrou)
en
de minister van Asiel en Migratie
(gemachtigde: mr. E.E.G. van der Meulen).
Samenvatting
1 Deze uitspraak gaat over de afwijzing van de opvolgende asielaanvraag van eiser. Eiser is het hier niet mee eens. Aan de hand van de beroepsgronden van eiser beoordeelt de rechtbank de afwijzing van de asielaanvraag.
1.1 De rechtbank komt tot het oordeel dat de afwijzing van de asielaanvraag in stand kan blijven. De minister is voldoende zorgvuldig, deugdelijk gemotiveerd en terecht tot de conclusie gekomen dat eiser niet in aanmerking komt voor internationale bescherming. De minister heeft de aanvraag terecht afgewezen als kennelijk ongegrond. Hieronder legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.
1.2 De rechtbank zet hieronder eerst het procesverloop in dit geding (2), de eerdere asielprocedure (3), dat wat eiser aan zijn huidige asielaanvraag ten grondslag legt (4) en het bestreden besluit (5) uiteen. Daarna volgt de beoordeling door de rechtbank aan de hand van de beroepsgronden van eiser (6 tot en met 9). Aan het eind staat de conclusie van de rechtbank en de gevolgen daarvan (10) en de beslissing.
Procesverloop
2 Eiser heeft een opvolgende aanvraag om verlening van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd ingediend. De minister heeft – nadat het eerdere besluit op deze aanvraag van 10 maart 2026 op 16 juni 2026 is ingetrokken – met het bestreden besluit van 11 juli 2026 deze aanvraag afgewezen als kennelijk ongegrond.
2.1 Eiser heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit.
2.2 De rechtbank heeft het beroep, samen met de zaak NL26.38629, op 14 augustus 2026 op zitting behandeld. Hieraan heeft de gemachtigde van de minister deelgenomen. Eiser en zijn gemachtigde hebben zich voor de zitting afgemeld.
Beoordeling door de rechtbank
Eerdere asielaanvraag
3. Eiser heeft eerder, op 17 januari 2020, een aanvraag om verlening van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd ingediend. De minister heeft deze aanvraag bij besluit van 29 januari 2020 afgewezen als kennelijk ongegrond. Daarbij is geloof gehecht aan de toen door eiser opgegeven identiteit ( [naam 1] , geboren op [geboortedatum 1] ) en Tunesische nationaliteit. De minister heeft de aanvraag afgewezen omdat Tunesië in zijn algemeenheid en ook voor eiser persoonlijk een veilig land van herkomst is en eiser bij terugkeer geen reëel risico loopt op ernstige schade. Bij dit besluit is aan eiser ook een terugkeerbesluit en een inreisverbod voor de duur van twee jaar opgelegd. Het beroep dat eiser tegen dit besluit heeft ingesteld is niet-ontvankelijk verklaard omdat eiser vanwege zijn vertrek met onbekende bestemming geen procesbelang had bij dat beroep.Het besluit van 29 januari 2020 staat in rechte vast.
Wat eiser aan zijn huidige asielaanvraag ten grondslag legt
4. Op 25 februari 2026 heeft eiser opnieuw een aanvraag om verlening van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd ingediend. Deze aanvraag heeft hij ingediend onder de naam [naam eiser] , geboren op [geboortedatum 2] . Aan deze aanvraag heeft eiser ten grondslag gelegd dat hij niet kan terugkeren naar Tunesië omdat zijn vader daar op 17 juni 2019 is vermoord door een man genaamd [naam 2] en eiser en zijn familie met de dood worden bedreigd door de familie van [naam 2] omdat hen wordt verweten dat [naam 2] in de gevangenis zit. Dit is ook de reden dat eiser uit Tunesië is vertrokken. Op aanraden van anderen, uit angst en omdat eiser dacht geen hulp te kunnen krijgen, heeft eiser hierover tijdens zijn eerdere asielprocedure niet verklaard.
Bestreden besluit
5. Het asielrelaas van eiser bevat volgens de minister de asielmotieven (1) identiteit, nationaliteit en herkomst en (2) bedreigingen vanwege de moord op zijn vader. De verklaringen van eiser over het eerste asielmotief acht de minister geloofwaardig. Daarbij wijst de minister erop dat de door eiser in de huidige procedure opgegeven identiteit en nationaliteit zijn bevestigd door de Tunesische autoriteiten. Aan de verklaringen van eiser over het tweede asielmotief hecht de minister geen geloof. Het wel geloofwaardig geachte asielmotief leidt volgens de minister niet tot de conclusie dat eiser een gegronde vrees voor vervolging heeft of een reëel risico loopt op ernstige schade. Daarom wordt hem geen verblijfsvergunning asiel verleend op grond van artikel 29 of 29a van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw 2000). De minister wijst de aanvraag af als kennelijk ongegrond.
Betekenis van de intrekking van het eerder genomen besluit in deze procedure
6. Eiser betoogt dat met de intrekking van het eerder genomen besluit op zijn asielaanvraag, waarbij zijn aanvraag niet-ontvankelijk werd verklaard op grond van artikel 30a, eerste lid, onder d, van de Vw 2000 en het vervolgens nemen van het bestreden besluit, waarbij zijn aanvraag inhoudelijk is beoordeeld, de minister impliciet erkent dat de eerder gekozen juridische afdoeningswijze ondeugdelijk was. Dit doet volgens eiser serieuze twijfel bestaan aan de rechtmatigheid van de besluitvorming.
6.1 Naar het oordeel van de rechtbank treft dit betoog van eiser alleen al geen doel omdat eiser niet toelicht waarom het bestreden besluit door deze gang van zaken onrechtmatig is. Het is voor de rechtbank bovendien niet duidelijk wat eiser met dit betoog beoogt. Eiser is niet op de zitting verschenen om zijn betoog nader toe te lichten. Los daarvan, leidt het gegeven dat de minister eerder een besluit heeft genomen waarbij hij eisers aanvraag niet-ontvankelijk heeft verklaard, dat besluit heeft ingetrokken (waarvoor eiser vanwege het daartegen ingestelde beroep een proceskostenvergoeding heeft ontvangen) en in het bestreden besluit is overgegaan tot een inhoudelijke beoordeling van de asielaanvraag, niet tot twijfel aan de rechtmatigheid van het bestreden besluit.
Zorgvuldigheid van de geloofwaardigheidsbeoordeling
7. Eiser betoogt dat de minister de geloofwaardigheid van het tweede asielmotief onvoldoende zorgvuldig heeft beoordeeld en zijn conclusie daarover ontoereikend heeft gemotiveerd. Daartoe voert eiser allereerst aan dat de beoordeling door de minister van de stukken die eiser ter onderbouwing van zijn asielrelaas heeft overgelegd, niet verenigbaar is met de onderzoeksplicht die op de minister rust. Als de kwaliteit van de overgelegde stukken onvoldoende was, had de minister eiser in de gelegenheid moeten stellen om de originelen daarvan of beter leesbare exemplaren te overleggen. Ook had de minister de overgelegde stukken kunnen laten onderzoeken door Bureau Documenten en kunnen verzoeken om een vertaling van de stukken. Verder voert eiser aan dat de minister zich ten onrechte concentreert op inconsistenties in de verklaringen van eiser zonder de kern van het asielrelaas, die eruit bestaat dat eiser met de dood werd bedreigd door familieleden van de moordenaar van zijn vader, die daarvoor strafrechtelijk is vervolgd, integraal te beoordelen. Eiser worden slechts verschillen in data, details en eerdere verklaringen tegengeworpen. Daarmee miskent de minister volgens eiser dat de geloofwaardigheid van een asielrelaas volgens vaste rechtspraak moet worden beoordeeld aan de hand van een integrale waardering van alle relevante omstandigheden en niet uitsluitend op basis van afzonderlijke tegenstrijdigheden. Ook voert eiser in dit verband aan dat de minister hem ten onrechte, namelijk zonder te beoordelen of bescherming in de praktijk daadwerkelijk effectief is, tegenwerpt dat hij geen aangifte heeft gedaan in Tunesië en daaruit ten onrechte afleidt dat onvoldoende aannemelijk is geworden dat bescherming door de Tunesische autoriteiten niet beschikbaar was (en is). De minister had concreet moeten beoordelen of de Tunesische autoriteiten daadwerkelijk bereid en in staat zijn om bescherming te bieden.
7.1 Deze beroepsgrond slaagt niet. De rechtbank stelt vast dat eiser niet betwist dat hij het tweede asielmotief niet heeft onderbouwd met objectieve documenten die dit asielmotief volledig onderbouwen. De minister heeft daarom beoordeeld of eiser voldoet aan de in artikel 4, vijfde lid, van de Kwalificatieverordening opgenomen voorwaarden om het asielmotief alsnog geloofwaardig te achten. Naar het oordeel van de rechtbank komt de minister voldoende zorgvuldig, deugdelijk gemotiveerd en terecht tot de conclusie dat dat niet het geval is.
7.1.1 De rechtbank stelt voorop dat zij, gelet op het arrest van het Hof van Justitie in de zaak Ebilum, het standpunt over de geloofwaardigheid van de door een betrokkene afgelegde verklaringen voortaan zonder enige terughoudendheid beoordeelt. Het Hof van Justitie heeft namelijk geoordeeld dat de asielrechter een volledig onderzoek moet verrichten van de relevante feitelijke elementen. De rechtbank zal daarom alle onderdelen van het besluit over de geloofwaardigheid vol toetsen en afzien van het gebruik van de bewoordingen ‘niet ten onrechte’.
7.1.2 De minister werpt eiser tegen dat hij geen oprechte inspanning heeft geleverd om zijn aanvraag te staven, dat eisers verklaringen geen samenhangend en aannemelijk geheel vormen en dat eiser in grote lijnen niet als geloofwaardig kan worden beschouwd. De rechtbank stelt vast dat eiser niet al deze tegenwerpingen betwist en hij van de tegenwerpingen die hij wel betwist, slechts een klein aantal van de argumenten die de minister daaraan ten grondslag legt, bestrijdt en bovendien slechts op formele gronden. Gelet op dat wat eiser niet betwist, wat dus kennelijk niet in geschil is, terwijl dat naar het oordeel van de rechtbank de essentie van de (on)geloofwaardigheid van eisers verklaringen raakt en waarin de rechtbank de minister kan volgen, heeft de minister al terecht geconcludeerd dat geen geloof kan worden gehecht aan eisers verklaringen over zijn tweede asielmotief. Daarbij wijst de rechtbank er nog op dat de voorwaarden van artikel 4, vijfde lid, van de Kwalificatieverordening cumulatief zijn.
7.1.3 Verder kan het betoog van eiser dat de minister bij de beoordeling van de door eiser overgelegde stukken niet heeft voldaan aan zijn onderzoeksplicht, niet slagen. Eiser heeft ter onderbouwing van zijn asielrelaas zeven (klein formaat) foto’s van in het Arabisch opgestelde stukken, een foto van een overleden persoon en een foto van (wat lijkt op) een grafsteen overgelegd. Deze stukken zijn door eisers partner die in [land] verblijft naar eisers gemachtigde verstuurd. De minister heeft al in een vroeg stadium van de procedure, namelijk in het voornemen van 8 maart 2026, (onder andere) opgemerkt dat eiser niet de originelen van deze stukken heeft overgelegd, dat de stukken in het Arabisch zijn opgesteld en dat de stukken onleesbaar zijn, terwijl ook niet is toegelicht wat er in die stukken staat. Eiser heeft gedurende de besluitvormingsprocedure niet de originele exemplaren van de stukken ingebracht, en ook geen beter leesbare, vertaalde kopieën. Ook in beroep zijn deze stukken niet alsnog ingebracht. Onder die omstandigheden rust op de minister geen (nadere) plicht om de door eiser overgelegde stukken te onderzoeken. Daarbij merkt de rechtbank nog op dat uit de besluitvorming volgt dat de minister zich heeft ingespannen om de (foto’s van) stukken te laten vertalen, maar dat niet mogelijk bleek omdat de stukken niet voldoende leesbaar waren. Bij het voorgaande komt nog dat eiser niet heeft weersproken dat hij niet duidelijk kan verklaren om wat voor stukken het precies gaat en dat deze stukken niet onderbouwen dat hij wordt gezocht en bedreigd. De minister stelt zich terecht op het standpunt dat de door eiser overgelegde stukken het tweede asielmotief niet kunnen onderbouwen.
7.1.4 Ook geeft de besluitvorming er blijk van dat de minister een integrale beoordeling heeft verricht en daarbij de kern van eisers asielrelaas als uitgangspunt heeft genomen. De minister heeft acht geslagen op de verklaringen van eiser over het tweede asielmotief en de stukken die eiser in dat verband heeft overgelegd en ook betrokken wat eiser in het kader van zijn eerdere asielaanvraag naar voren heeft gebracht. De minister werpt eiser meerdere inconsistenties en tegenstrijdigheden in zijn verklaringen tegen, die eiser overigens niet (inhoudelijk) betwist, maar de tegenwerpingen van de minister zijn daartoe geenszins beperkt. Ook zijn die tegenwerpingen niet beperkt tot enkel details, maar zien deze op wezenlijke onderdelen van eisers asielrelaas.
7.1.5 De minister werpt eiser terecht tegen dat hij de Tunesische autoriteiten nooit om hulp heeft verzocht. Dat standpunt heeft de minister voldoende deugdelijk gemotiveerd. Daarbij neemt de minister terecht in aanmerking dat eiser geen aangifte heeft gedaan van de bedreigingen die hij naar gesteld heeft ontvangen en dat de Tunesische autoriteiten volgens eisers eigen verklaringen wel degelijk optraden omdat de moordenaar van zijn vader is opgepakt en veroordeeld. Op dit argument van de minister gaat eiser in zijn beroepsgronden niet in. De minister hoefde in het kader van de beoordeling van de geloofwaardigheid van eisers verklaringen niet te onderzoeken of bescherming door de Tunesische autoriteiten in de praktijk mogelijk en effectief is. Dat komt aan de orde bij de beoordeling van de zwaarwegendheid van verklaringen, als van de geloofwaardigheid daarvan wordt uitgegaan. Dat is bij eiser niet het geval.
7.1.6 Bij het voorgaande wil de rechtbank niet onopgemerkt laten dat eiser aan zijn huidige, opvolgende asielaanvraag een volledig ander asielrelaas ten grondslag legt dan wat ten grondslag lag aan zijn eerdere asielaanvraag en hij daar geen goede verklaring voor heeft gegeven.
Reëel risico op ernstige schade
8. Eiser betoogt dat de minister onvoldoende deugdelijk heeft gemotiveerd dat hij bij terugkeer naar Tunesië geen reëel risico loopt op ernstige schade. De minister beperkt zich volgens eiser in dit verband ten onrechte tot de conclusie dat geen geloof wordt gehecht aan het asielrelaas, zodat geen reëel risico bestaat op ernstige schade bij terugkeer. Daarmee ontbreekt volgens eiser een zelfstandige beoordeling van het risico op een met artikel 3 van het EVRM strijdige behandeling. De minister had, gelet op eisers verklaring dat hij vreest voor ernstige wraakacties van familieleden van [naam 2] , kenbaar moeten beoordelen of eiser in verband daarmee bij terugkeer een reëel risico loopt op ernstige schade en of de Tunesische autoriteiten daartegen bescherming kunnen bieden.
8.1 Deze beroepsgrond slaagt niet. Voor zover nodig heeft de minister beoordeeld of eiser bij terugkeer naar Tunesië een reëel risico loopt op ernstige schade. De minister heeft namelijk beoordeeld of in de geloofwaardig geachte verklaringen van eiser over zijn identiteit, nationaliteit en herkomst reden is gelegen om aan eiser internationale bescherming te verlenen en geconcludeerd dat dat niet het geval is. Die conclusie heeft eiser niet bestreden. De minister stelt zich, zoals onder 7.1 – 7.1.6 geoordeeld, terecht op het standpunt dat eisers verklaringen over de bedreigingen vanwege de moord op zijn vader ongeloofwaardig zijn. Dan bestaat er geen aanleiding om de vrees die eiser daaraan stelt te ontlenen bij terugkeer op aannemelijkheid of zwaarwegendheid te beoordelen en te beoordelen of de Tunesische autoriteiten bescherming kunnen bieden.
Afwijzing van de asielaanvraag als kennelijk ongegrond
9. Eiser betoogt dat de minister ten onrechte en onvoldoende deugdelijk gemotiveerd is overgegaan tot het afwijzen van zijn asielaanvraag als kennelijk ongegrond. Volgens eiser kan een aanvraag alleen kennelijk ongegrond worden verklaard als zonder diepgaande beoordeling evident is dat geen aanspraak bestaat op internationale bescherming. De inhoudelijke beoordeling die de minister heeft verricht verhoudt zich niet tot het afwijzen van de aanvraag als kennelijk ongegrond. Bovendien motiveert de minister onvoldoende waarom de drie door hem genoemde gronden uit artikel 30b, eerste lid, van de Vw 2000 van toepassing zijn, aldus eiser.
9.1 Deze beroepsgrond slaagt niet. De minister is terecht overgegaan tot het afwijzen van eisers asielaanvraag als kennelijk ongegrond. De minister heeft de aanvraag afgewezen als kennelijk ongegrond omdat eiser de minister heeft misleid omtrent zijn identiteit, eiser het paspoort dat hij stelt te bezitten niet heeft overgelegd, eisers verklaringen duidelijk niet overtuigend zijn en dit een opvolgende asielaanvraag is die inhoudelijk is beoordeeld en daarmee toepassing gegeven aan artikel 30b, eerste lid, aanhef en onder c, e en g, van de Vw 2000.Eisers betoog dat de minister alleen kan overgaan tot afwijzing als kennelijk ongegrond als zonder diepgaande inhoudelijke beoordeling evident is dat geen aanspraak bestaat op internationale bescherming, slaagt niet. Als zich één van de in artikel 30b, eerste lid, van de Vw 2000 genoemde gronden voortdoet, kan de minister overgaan tot het afwijzen van de asielaanvraag als kennelijk ongegrond. De minister heeft gemotiveerd dat en waarom zich in eisers geval drie van die gronden voordoen. Alleen al omdat eiser niet heeft betwist dat hij een opvolgende asielaanvraag heeft ingediend die niet niet-ontvankelijk is verklaard, is de minister terecht overgegaan tot het afwijzen van eisers asielaanvraag als kennelijk ongegrond.
Conclusie en gevolgen
10 De minister heeft de aanvraag terecht afgewezen als kennelijk ongegrond.
Het beroep is ongegrond. Dat betekent dat de afwijzing van de opvolgende asielaanvraag van eiser in stand blijft. Eiser krijgt geen vergoeding van zijn proceskosten.
Beslissing
De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. J.M. Hollebrandse, rechter, in aanwezigheid van
mr. G.T.J. Kouwenberg, griffier.
Uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met de uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen 1 week na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.