Rb. Den Haag 31 augustus 2026, ECLI:NL:RBDHA:2026:25381
Asiel- en migratiebeheerverordening; Roemenië; interstatelijk vertrouwensbeginsel; beroep ongegrond
De uitspraak op rechtspraak.nl
Tekst
RECHTBANK DEN HAAG
Zittingsplaats Arnhem
Bestuursrecht
zaaknummer: NL26.38038
uitspraak van de enkelvoudige kamer van 31 augustus 2026 in de zaak tussen
[eiser] , v-nummer: [x] , eiser
(gemachtigde: mr. M. Drenth),
en
de minister van Asiel en Migratie.
Samenvatting
1 Deze uitspraak gaat over het niet in behandeling nemen van de asielaanvraag van eiser. De minister heeft deze aanvraag met het bestreden besluit van 2 juli 2026 niet in behandeling genomen omdat Roemenië verantwoordelijk is voor de behandeling daarvan.
1.1 De rechtbank heeft partijen laten weten dat zij een zitting niet nodig vindt en gevraagd of partijen het daarmee eens zijn. Omdat partijen daarna niet om een zitting hebben gevraagd, heeft de rechtbank het onderzoek gesloten en de zaak niet behandeld op een zitting.
Beoordeling door de rechtbank
2 De rechtbank beoordeelt het niet in behandeling nemen van de asielaanvraag van eiser. Zij doet dat aan de hand van de argumenten die eiser heeft aangevoerd, de beroepsgronden.
2.1 De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat het beroep ongegrond is. Dat betekent dat eiser ongelijk krijgt en het niet in behandeling nemen van zijn aanvraag in stand blijft. Hieronder legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.
Totstandkoming van het besluit
3. De Europese Unie heeft gezamenlijke regelgeving vastgesteld voor het bepalen van de lidstaat die verantwoordelijk is voor de behandeling van een verzoek om internationale bescherming. Ten tijde van het indienen van het verzoek van eiser was die regelgeving neergelegd in de Dublinverordening. Met ingang van 12 juni 2026 is de Dublinverordening ingetrokken en is de Asiel- en migratiebeheerverordening (Amb-verordening) van toepassing geworden. Uit de rechtspraak van het Hof van Justitie volgt dat nieuw recht in beginsel onmiddellijke werking heeft en in beginsel ook van toepassing is op alle lopende procedures. Dit ligt slechts anders, wanneer de nieuwe regel gepaard gaat met bijzondere overgangsbepalingen of wanneer het stadium waarin de betreffende procedure zich bevindt daartoe aanleiding geeft. In artikel 84 van de Amb-verordening zijn overgangsbepalingen opgenomen. Het tweede lid van dit artikel bepaalt dat voor verzoeken die vóór 12 juni 2026 zijn geregistreerd, de verantwoordelijke lidstaat wordt aangewezen aan de hand van de criteria van de Dublinverordening. Deze overgangsbepaling ziet dus uitsluitend op de aanwijzing van de verantwoordelijke lidstaat aan de hand van de verantwoordelijkheidscriteria. Voor het overige is vanaf 12 juni 2026 de Amb-verordening van toepassing.
3.1 In dit geval heeft Nederland op grond van artikel 12, eerste lid, van de Dublinverordening bij Roemenië een verzoek om overname gedaan. Roemenië heeft dit verzoek geaccepteerd.
Mag de minister voor Roemenië uitgaan van het interstatelijk vertrouwensbeginsel?
4. Eiser betoogt dat de minister ten onrechte voor Roemenië van het interstatelijk vertrouwensbeginsel is uitgegaan. De minister moet afzien van overdracht, omdat er in Roemenië ernstige tekortkomingen zijn in de asielprocedure en opvangvoorzieningen. Eiser vreest in Roemenië zonder opvang te geraken, in vreemdelingenbewaring te belanden en teruggestuurd te worden naar Oeganda. Asielaanvragen worden verder stilzwijgend ingetrokken waardoor asielzoekers gedwongen worden om een herhaalde asielaanvraag in te dienen. Hierdoor ontstaat er ook een risico op verlies van toegang tot opvang en zorg. Rechtsbijstand is verder evenmin gegarandeerd. Ook is er onvoldoende toegang tot medische en sanitaire voorzieningen voor personen met een beperking, zoals eiser. Ter onderbouwing van zijn betoog verwijst eiser naar het AIDA-rapport (update 2024). Verder stelt eiser dat, vanwege zijn homoseksuele gerichtheid, voor hem persoonlijk ook niet uitgegaan kan worden van het interstatelijk vertrouwensbeginsel. Hij is hierdoor namelijk kwetsbaarder dan een gemiddelde jongeman. Eiser voert aan dat de houding tegenover LHBTI-personen in Roemenië vijandig te noemen is, het homohuwelijk verboden is en de overheid nauwelijks wettelijke bescherming biedt. Ter onderbouwing van dit standpunt verwijst eiser naar de pagina over Roemenië van de ILGA World Monitor en de Europe Rainbow Map van het ILGA.
4.1 Het interstatelijk vertrouwensbeginsel houdt in dat de minister er als uitgangspunt op mag vertrouwen dat andere lidstaten zich houden aan hun verplichtingen uit het Unierecht en mensenrechtenverdragen. Het ligt daarom op de weg van eiser om aannemelijk te maken dat Roemenië dit niet doet. Gelet op het arrest Jawo van het Hof van Justitie ligt de drempel hiervoor bijzonder hoog. Deze drempel is bereikt als de onverschilligheid van de autoriteiten van de lidstaat tot gevolg zou hebben dat een persoon die volledig afhankelijk is van overheidssteun, buiten zijn wil en eigen keuzes om, terechtkomt in een toestand van zeer verregaande materiële deprivatie die hem niet in staat stelt te voorzien in zijn meest elementaire behoeften. Een grote onzekerheid of een sterke verslechtering van de levensomstandigheden van de betrokken persoon is onvoldoende.
4.2 De beroepsgrond van eiser slaagt niet. De rechtbank is van oordeel dat de minister voor Roemenië nog steeds mag uitgaan van het interstatelijk vertrouwensbeginsel. De minister heeft in dit kader terecht gewezen op rechtspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (Afdeling) die dit bevestigt. In haar uitspraak van 3 juni 2026 heeft de Afdeling nogmaals bevestigd dat voor Roemenië van het interstatelijk vertrouwensbeginsel kan worden uitgegaan. De Afdeling neemt de motivering over van de aan die uitspraak ten grondslag liggende uitspraak van deze rechtbank, zittingsplaats Rotterdam, waarin ook het AIDA-rapport (update 2024) is betrokken. De rechtbank oordeelde dat het AIDA-rapport geen aanknopingspunten biedt voor de conclusie dat de asielprocedure in Roemenië fundamentele systeemfouten bevat waardoor niet meer van dit interstatelijk vertrouwen kan worden uitgegaan. De rechtbank ziet in onderhavige procedure in hetgeen eiser heeft aangevoerd geen reden om tot een ander oordeel te komen. Eiser heeft de problemen in de asielprocedure en opvangvoorzieningen in Roemenië ook niet op een andere manier onderbouwd.
4.3 Ook het betoog van eiser dat er onvoldoende medische en sanitaire voorzieningen zijn voor personen met een beperking zoals hijzelf maakt dit niet anders. Voor zover eiser wat betreft zijn beperking doelt op zijn schouderklachten, heeft de minister zich terecht op het standpunt gesteld dat eiser deze klachten niet met medische documenten onderbouwd. De minister mag verder verwachten dat Roemenië de medische problemen van eiser net zo goed kan behandelen. Eiser heeft onvoldoende onderbouwd dat hij in Roemenië geen toegang tot adequate medische en sanitaire voorzieningen zou hebben.
4.4 Ook de gestelde homoseksuele gerichtheid van eiser maakt niet dat in het geval van eiser voor Roemenië niet van het interstatelijk vertrouwensbeginsel kan worden uitgegaan. De minister stelt zich terecht op het standpunt dat eiser niet aannemelijk heeft gemaakt dat personen met een homoseksuele gerichtheid een slechtere positie hebben in de asielprocedure in Roemenië dan anderen. Hoewel uit de door eiser aangehaalde bronnen kan worden afgeleid dat eiser tegen problemen aan kan lopen bij het functioneren in de Roemeense samenleving, is dat onvoldoende om te spreken van een onmenselijke of vernederende situatie zoals bedoeld in artikel 3 van het EVRM en artikel 4 van het EU Handvest.
4.5 Bij het voorgaande neemt de rechtbank in aanmerking dat de Roemeense autoriteiten met het claimakkoord hebben toegezegd dat zij het verzoek om internationale bescherming van eiser in behandeling zullen nemen in overeenstemming met de op Roemenië rustende internationale verplichtingen. Bovendien heeft de minister terecht gesteld dat wanneer eiser problemen ervaart na overdracht aan Roemenië, hij daarover dient te klagen bij de (hogere) Roemeense autoriteiten. Eiser heeft niet aannemelijk gemaakt dat dit voor hem onmogelijk of bij voorbaat zinloos is.
4.6 Met betrekking tot de stelling van eiser dat hij vreest vanuit Roemenië te worden teruggestuurd naar Oeganda (indirect refoulement) overweegt de rechtbank dat, nu er voor Roemenië kan worden uitgegaan van het interstatelijk vertrouwensbeginsel, in het kader van deze procedure niet beoordeeld kan worden of eiser bij overdracht aan Roemenië een risico loopt op indirect refoulement. Dit volgt uit rechtspraak van het Hof van Justitie en de Afdeling. Ook onder de nieuwe Amb-verordening is die rechtspraak onverkort van toepassing. De beroepsgrond slaagt niet.
Conclusie en gevolgen
5 Het beroep is ongegrond. Eiser krijgt ook geen vergoeding van zijn proceskosten.
Beslissing
De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. J.M. Hollebrandse, rechter, in aanwezigheid van mr. D.J. Deitz, griffier.
De uitspraak is uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met de uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen twee weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.
Aangehaalde artikelen
Aangehaalde uitspraken
- ABRvS 3 juni 2026, ECLI:NL:RVS:2026:3141
- Rb. Den Haag 19 mei 2026, ECLI:NL:RBDHA:2026:15050
- HvJ EU 6 maart 2025, C-575/23, ECLI:EU:C:2025:141
- ABRvS 22 juli 2024, ECLI:NL:RVS:2024:2970
- ABRvS 17 juli 2024, ECLI:NL:RVS:2024:2938
- ABRvS 12 juni 2024, ECLI:NL:RVS:2024:2359
- ABRvS 21 maart 2024, ECLI:NL:RVS:2024:1176
- ABRvS 6 maart 2024, ECLI:NL:RVS:2024:912
- ABRvS 8 januari 2024, ECLI:NL:RVS:2024:27
- ABRvS 27 december 2023, ECLI:NL:RVS:2023:4844
- HvJ EU 30 november 2023, C-228/21, ECLI:EU:C:2023:934
- HvJ EU 19 maart 2019, C-163/17, ECLI:EU:C:2019:218
- Gerecht EU 27 juni 2017, T-151/16, ECLI:EU:T:2017:437