Rb. Den Haag 28 augustus 2026, ECLI:NL:RBDHA:2026:25379
geloofwaardigheid; Ebilum; gegrond met instandlating van de rechtsgevolgen
De uitspraak op rechtspraak.nl
Tekst
RECHTBANK DEN HAAG
Zittingsplaats Arnhem
Bestuursrecht
zaaknummer: NL26.26309
uitspraak van de enkelvoudige kamer van 28 augustus 2026 in de zaak tussen
[eiser] , v-nummer: [x] , eiser
(gemachtigde: mr. R.S. Frickus),
en
de minister van Asiel en Migratie,
(gemachtigde: mr. R.S. Helmus).
Samenvatting
1 Deze uitspraak gaat over de afwijzing van de asielaanvraag van eiser als bedoeld in artikel 28 van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw 2000). Eiser is het hier niet mee eens. Hij voert daartoe een aantal beroepsgronden aan. Aan de hand van deze beroepsgronden beoordeelt de rechtbank de afwijzing van de asielaanvraag.
1.1 De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat de afwijzing van de asielaanvraag in stand kan blijven. De minister heeft de door eiser gestelde problemen vanwege zijn beoogde opvolging als stamhoofd terecht ongeloofwaardig geacht. Het bestreden besluit bevat een motiveringsgebrek, waardoor de rechtbank het bestreden besluit zal vernietigen. Zij ziet echter aanleiding om de rechtsgevolgen van het vernietigde besluit in stand te laten. Hieronder legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.
Procesverloop
2 Eiser heeft op 9 mei 2025 een asielaanvraag ingediend. De minister heeft met het bestreden besluit van 6 mei 2026 deze aanvraag afgewezen als ongegrond.
2.1 Eiser heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit.
2.2 De rechtbank heeft het beroep op 6 juli 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: de gemachtigde van eiser en de gemachtigde van de minister.
Beoordeling door de rechtbank
3 Op deze zaak is het recht van toepassing dat gold vóór 12 juni 2026.
Het asielrelaas
4 Eiser legt aan zijn asielaanvraag het volgende ten grondslag. Eiser heeft Ghana verlaten, vanwege bedreigingen door diverse leden van een andere familie. Er is sprake van een conflict over de vraag of eiser of een lid van die andere familie het voorgaande stamhoofd op zou moeten volgen (de opvolgingskwestie). Eiser vreest dat deze andere familie hem bij terugkeer wat aan zal doen. Ook verrichtte eiser werkzaamheden in de illegale mijnbouw. Eiser vreest vervolgd te worden door de autoriteiten.
Het bestreden besluit
5 Het asielrelaas van eiser bevat volgens de minister de volgende asielmotieven: (1) identiteit, nationaliteit en herkomst en (2) eisers problemen vanwege de opvolgingskwestie.
5.1 De minister stelt zich op het standpunt dat de identiteit, nationaliteit en herkomst van eiser geloofwaardig zijn, maar dat de gestelde problemen vanwege de opvolgingskwestie niet geloofwaardig zijn. De minister merkt de angst voor vervolging door de autoriteiten vanwege eisers werkzaamheden in de illegale mijnbouw niet aan als asielmotief. De minister heeft daarom beoordeeld of eiser op grond zijn identiteit, nationaliteit en herkomst in aanmerking komt verblijfsvergunning asiel. Dat is volgens de minister niet het geval. De minister heeft de asielaanvraag daarom afgewezen.
Vindt de minister de opvolgingskwestie (het tweede asielmotief) terecht ongeloofwaardig?
6. Eiser betoogt dat de minister zijn problemen vanwege de opvolgingskwestie ten onrechte ongeloofwaardig vindt.
6.1 Omdat dit asielmotief niet volledig met objectieve documenten is onderbouwd, heeft de minister beoordeeld of het asielmotief alsnog geloofwaardig is. Dat is volgens de minister niet het geval, omdat eiser niet voldoet aan de voorwaarden van artikel 31, zesde lid, aanhef en onder c, van de Vw 2000.
6.2 De rechtbank stelt voorop dat zij, gelet op het arrest van het Hof van Justitie in Ebilum, het standpunt over de geloofwaardigheid van de door een betrokkene afgelegde verklaringen voortaan zonder enige terughoudendheid zal beoordelen. Het Hof heeft namelijk geoordeeld dat de asielrechter een volledig onderzoek moet verrichten van de relevante feitelijke elementen. De rechtbank zal daarom niet langer, wanneer zij het standpunt van de minister over de geloofwaardigheid toetst, beoordelen of de minister zich ‘niet ten onrechte’ op een bepaald standpunt heeft gesteld.
Verklaringen vormen geen samenhangend en aannemelijk geheel (voorwaarde c)
7. Eiser betoogt dat de minister zich ten onrechte op het standpunt stelt dat zijn verklaringen geen samenhangend en aannemelijk geheel vormen.
Wisselende verklaringen over wie het stamhoofd was vóór eiser dat zou moeten worden
8. De minister stelt zich op het standpunt dat eiser geen eenduidige verklaringen heeft afgelegd over hoe de opvolging van het stamhoofd verdeeld was. Eiser heeft hiervoor namelijk vier verschillende verklaringen gegeven. Eiser heeft als eerst verklaard dat zijn vader stamhoofd was en dat eiser hem moest opvolgen. Daarna heeft eiser verklaard dat eisers oom stamhoofd was en dat zijn oom tijdens het zijn van het stamhoofd is vermoord. Vervolgens heeft eiser verklaard dat zijn oom géén stamhoofd was, maar dat zijn oom enkel was aangesteld als opvolger. Tot slot heeft eiser tweemaal verklaard dat juist de ándere familie tot dan toe het stamhoofd heeft geleverd.
8.1 Eiser betoogt dat de minister zich ten onrechte op het standpunt stelt dat eiser wisselende verklaringen heeft afgelegd over wie stamhoofd was vóórdat eiser dat zou moeten worden. De minister werpt hem ten onrechte tegen dat hij vier verschillende verklaringen heeft afgelegd. Eiser heeft eerst verklaard dat zijn vader stamhoofd was en dat eiser hem moest opvolgen. Eisers uitleg hiervoor is dat de termijn van zijn vader als stamhoofd was geëindigd. Hierna werd een lid van de andere familie stamhoofd. De oom van eiser zou vervolgens de vader van eiser opvolgen als volgende in lijn van hun familie, nadat de termijn van de andere familie was beëindigd. Zijn oom is vermoord voordat hij daadwerkelijk stamhoofd is geworden. Na deze moord was eiser eerste in lijn in de plaats van zijn oom. Verder voert eiser aan dat de verklaring dat zijn oom stamhoofd was en dat hij, toen hij stamhoofd was, is vermoord niet tegenstrijdig is in vergelijking met andere verklaringen, omdat hij zich later in het nader gehoor nader heeft verduidelijkt. Eiser bedoelde dat zijn oom volgens traditie kandidaat was om stamhoofd te worden, maar nooit officieel stamhoofd is geworden, omdat hij is vermoord vanwege een conflict met de andere familie. Tot slot heeft eiser twee keer verklaard dat totdat eiser stamhoofd zou moeten worden, de troonopvolger voortkwam uit de andere familie. Dit is niet tegenstrijdig. Eiser heeft namelijk verklaard dat sprake is van een afwisselsysteem tussen de familie van eiser en de andere familie.
8.2 De beroepsgrond slaagt. Artikel 3.108d, vijfde lid, van het Vreemdelingenbesluit 2000bepaalde dat bij de beoordeling van de inwilligbaarheid van de aanvraag de door de vreemdeling tijdens de aanmeldfase afgelegde verklaringen over zijn asielmotieven niet worden betrokken. De rechtbank merkt op dat eiser dit niet als grond naar voren heeft gebracht in beroep. De rechtbank, gelet op het arrest Ebilum, doet evenwel een eigen uitputtend onderzoek van zowel de feitelijke als de juridische gronden. Dit onderzoek leidt tot het oordeel dat de minister de verklaring van eiser tijdens diens aanmeldgehoor dat zijn vader stamhoofd was voordat hij werd aangedragen en dat eiser hem moest opvolgen niet had mogen betrekken bij de beoordeling. De overgebleven verklaringen zijn naar het oordeel van de rechtbank onvoldoende om tot de conclusie te komen dat eiser op dit punt wisselend heeft verklaard. De rechtbank overweegt dat eiser weliswaar verklaart dat zijn oom stamhoofd was en is vermoord, maar dit heeft eiser later in het gehoor gecorrigeerd, door te verklaren dat zijn oom enkel was aangesteld als opvolger. De minister heeft eiser hier verder niet over bevraagd. Er is op basis van de rest van het nader gehoor geen reden om de correctie niet te aanvaarden. Gelet hierop kan op dat punt niet worden gesproken van een wisselende verklaring, nu uit eisers verklaringen voldoende duidelijk blijkt dat zijn oom nooit stamhoofd is geworden. Verder heeft eiser heeft meermaals verklaard dat er een wisselsysteem is en dat zijn familie aan de beurt was om een nieuw stamhoofd te verschaffen. De verklaringen van eiser dat de andere familie tot dan toe het stamhoofd heeft geleverd, zijn dan ook niet wisselend, maar ondersteunen de rest van de verklaringen van eiser. Dit levert een motiveringsgebrek op.
Niet kunnen verklaren wanneer en hoe vaak de bedreigingen hebben plaatsgevonden
9. De minister stelt zich op het standpunt dat eiser er niet in is geslaagd de bedreigingen concreet in de tijd te plaatsen. Ook werpt de minister eiser tegen dat hij niet kan concretiseren hoe vaak hij is bedreigd.
9.1 Eiser betoogt dat hem niet kan worden tegengeworpen dat hij de bedreigingen niet concreet in de tijd heeft kunnen plaatsen en dat hij niet heeft geconcretiseerd hoe vaak hij is bedreigd. De minister heeft bij het referentiekader van eiser weliswaar zijn achtergrond, cultuur, opleiding en/of persoonlijke omstandigheden benoemd, maar hij heeft nagelaten om te specificeren naar welke aspecten van het referentiekader hij verwijst. Daarom is onduidelijk waarom redelijkerwijs van eiser verwacht mag worden dat hij de gebeurtenissen concreter in de tijd plaatst dan hij doet of concreet benoemt hoe vaak hij is bedreigd. De inconsistenties in eisers tijdlijn zijn te wijten aan de heftige situaties die eiser tien jaar geleden heeft meegemaakt als jongvolwassene en aan zijn sociale positie. Daarbij is volgens eiser van belang dat traumatische ervaringen worden opgeslagen als onsamenhangend en emotioneel gekleurd, in plaats van chronologisch en gedetailleerd. Eiser betoogt verder dat hij wel degelijk consistent heeft verklaard dat hij drie, vier of vijf keer is bedreigd. Dit is geen tegenstrijdige verklaring, maar een realistische weergave van eisers herinneringen.
9.2 De beroepsgrond slaagt niet. Er bestaat geen rechtsregel die van de minister verlangt dat hij bij de beoordeling van de geloofwaardigheid specificeert naar welke aspecten van het referentiekader hij verwijst. De minister hanteert als referentiekader het volgende: de volwassenheid van eiser, het genoten onderwijs tot aan het eindexamen van de eerste drie jaar van de middelbare school, zijn werkzaamheden als bouwvakker en het feit dat eiser sinds 2022 zelfstandig in Europa leeft. De minister stelt zich terecht op het standpunt dat dit referentiekader betekent dat van eiser kan worden verwacht dat hij eenduidige, samenhangende en gedetailleerde verklaringen kan afleggen over zijn problemen en de redenen voor vertrek uit Ghana. Bovendien wijst de minister er terecht op dat het gebeurtenissen betreft die eiser zelf stelt te hebben meegemaakt en dat deze gebeurtenissen voor eiser tot de conclusie hebben geleid dat hij niet anders kon dan zijn land van herkomst te verlaten. De minister stelt zich in het voornemen daarom terecht op het standpunt dat niet valt in te zien dat eiser niet concreter kan verklaren wanneer deze gebeurtenissen hebben plaatsgevonden of hoe vaak het is voorgekomen dat hij is bedreigd. De minister wijst er in dat verband op dat eiser desgevraagd aangeeft niet te weten wanneer de bedreigingen hebben plaatsgevonden of wanneer deze zijn begonnen of wanneer de laatste bedreiging heeft plaatsgevonden. Ook geeft eiser aan niet te kunnen aangeven of het aan het begin of het einde van het jaar was, of in welk seizoen het gebeurde. Ook op de vraag hoeveel tijd er tussen de verschillende bedreigingen zat, geeft eiser geen concreet antwoord. Eiser verklaart enkel dat er een tijdje tussen zat, maar niet zo lang, en dat hij niet kan vertellen hoeveel tijd ertussen zat. De minister verlangt terecht dat eiser, die zijn asielmotieven aannemelijk moet maken, concreter over deze punten verklaart dan hij op deze manier heeft gedaan. Wat betreft het tijdsverloop van tien jaar sinds de bedreigingen plaatsvonden, waarop eiser ter zitting wees, stelt de minister zich terecht op het standpunt dat dit niet betekent dat hij niet van eiser mag verwachten dat hij concreet verklaart over wanneer en hoe vaak hij is bedreigd. De minister stelt verder terecht dat de verklaring dat de bedreigingen drie, vier of vijf keer hebben plaatsgevonden te algemeen is, gezien het feit dat dit de reden is geweest dat eiser zijn land van herkomst heeft verlaten.
9.3 Eiser heeft verder niet met stukken onderbouwd of op een andere manier aannemelijk gemaakt dat de heftige gebeurtenissen die hij heeft meegemaakt of, wat eiser op de zitting nog aanvoerde, zijn sociale positie, ertoe hebben geleid dat hij niet zou kunnen verklaren of wat dit op een andere manier voor de inhoud van zijn afgelegde verklaringen heeft betekend. De rechtbank ziet in het medisch advies van Medtadvies van 12 november 2025, waarin slechts wordt vermeld dat eiser door pijnlijke gebeurtenissen terugkerende gedachten heeft en het advies is om eiser op zijn gemak te stellen, geen aanleiding om hier anders over te denken. De minister erkent daarbij bovendien dat mensen die traumatische gebeurtenissen hebben meegemaakt moeite hebben met nauwkeurig verklaren en werpt eiser dan ook terecht niet tegen dat hij de exacte data niet kan benoemen. Maar de minister stelt zich terecht op het standupnt dat dit niet maakt dat eiser helemaal niets kan verklaren over wanneer de bedreigingen hebben plaatsgevonden.
Verklaringen over bedreigingen zijn summier en missen diepgang
10. Eiser betoogt dat de minister zich ten onrechte op het standpunt stelt dat de verklaringen over de verschillende bedreigingen summier zijn en diepgang missen. Eiser stelt voorop dat de minister niet betwist dat de bedreigingen hebben plaatsgevonden of wat de aard daarvan was. De minister heeft zijn standpunt dat de bedreigingen elke keer op dezelfde manier zouden hebben plaatsgevonden, niet met verwijzingen onderbouwd. Eiser heeft verklaard dat niet altijd dezelfde mensen aan zijn deur kwamen en dat de boodschap van de bedreiging telkens hetzelfde was, namelijk dat hij afstand moest doen van de troon en dat hij anders zijn leven zou kwijtraken. Met deze verklaringen heeft eiser aannemelijk gemaakt dat niet elke bedreiging op exact dezelfde wijze is gebeurd, maar dat de bedreigingen enkel dezelfde boodschap hadden. De minister had in dit kader dan ook moeten benoemen dat eiser consequent heeft verklaard over dat de bedreigingen hebben plaatsgevonden, door wie zij werden geuit, wat de inhoud van de bedreigingen was en wat de aanleiding daarvoor was.
10.1 De beroepsgrond slaagt niet. De minister heeft op zitting desgevraagd bevestigd dat zijn standpunt, anders dan eiser stelt, is dat de bedreigingen niet geloofwaardig zijn geacht. De minister stelt zich verder terecht op het standpunt dat eisers verklaringen over de verschillende bedreigingen summier zijn en diepgang missen. Eiser heeft niet inzichtelijk gemaakt door wie hij is bedreigd. Eiser kan niet benoemen of inschatten hoeveel mensen hem hebben bedreigd en eiser kan geen enkele bedreiger bij de naam noemen, zelfs de leider van de andere familie niet.Eiser is meermaals gevraagd om specifiek te verklaren hoe de bedreigingen er aan toe gingen. Ondanks deze inspanning van de minister gericht op meer en gedetailleerdere informatie over de bedreigingen heeft eiser slechts algemeen verklaard dat de bedreigers (al dan niet verschillende) bij eiser thuis kwamen en dat eiser zou worden vermoord als hij geen afstand zou nemen van het worden van het stamhoofd. Hierbij acht de minister terecht van belang dat eiser verklaart meerdere keren te zijn bedreigd, maar geen inzicht kan geven hoe dit er verschillende keren aan toe ging. De rechtbank volgt de minister dat eiser met zijn verklaringen onvoldoende inzichtelijk heeft gemaakt hoe de bedreigingen (op verschillende wijze) hebben plaatsgevonden. Eisers verklaringen zijn te algemeen en bevatten geen verschil op detailniveau. Het ligt op de weg van eiser om gedetailleerd te verklaren, om op die manier zijn relaas aannemelijk te maken. Dit heeft eiser niet gedaan. De stelling van eiser dat de minister had moeten benoemen dat hij consequent heeft verklaard over een aantal algemene zaken, treft dan ook geen doel.
Tussenconclusie
11. Omdat de grond gericht tegen de tegenwerping van de minister dat eiser wisselend verklaard heeft over wie het stamhoofd was voordat eiser stamhoofd zou moeten worden, slaagt, verklaart de rechtbank het beroep gegrond en zal zij het bestreden besluit vernietigen.
Kan de geloofwaardigheidsbeoordeling van de minister in stand blijven?
12. De rechtbank ziet aanleiding om, met inachtneming van het arrest Ebilum, te beoordelen of de rechtsgevolgen van het vernietigde besluit in stand gelaten kunnen worden. Daarbij geldt dat de rechter volgens dit arrest een eigen uitputtende en actuele beoordeling van de relevante feiten moet verrichten en niet behoeft terug te verwijzen naar de minister als een volledig onderzoek heeft plaatsgevonden. De rechtbank is van oordeel dat van een dergelijke situatie in onderhavige zaak sprake is en zal dat hierna toelichten.
13. De rechtbank oordeelt dat het wegvallen van de tegenwerping van de minister dat eiser wisselende verklaringen heeft afgelegd over wie het stamhoofd was voordat hij dat zou moeten worden, niet maakt dat het asielmotief van eiser alsnog geloofwaardig moet worden geacht. Ook oordeelt de rechtbank dat de minister geen nieuw onderzoek naar de feiten moet verrichten. De rechtbank hecht veel belang aan de gestelde bedreigingen in verband met de opvolgingskwestie, omdat deze bedreigingen de aanleiding zijn geweest voor eiser om zijn land te verlaten. Daarmee vormen ze de kern van het asielrelaas en zijn de ertegen gerichte tegenwerpingen van groot gewicht. De minister heeft eiser terecht tegengeworpen dat hij de bedreigingen niet concreet in de tijd heeft kunnen plaatsen, dat hij niet kan concretiseren hoe vaak hij is bedreigd en dat eisers verklaringen over de verschillende bedreigingen summier zijn en diepgang missen. Gelet hierop heeft de minister eiser terecht tegengeworpen dat zijn verklaringen over de bedreigingen, die de gestelde aanleiding voor het vertrek van eiser uit zijn land van herkomst waren, geen samenhangend en aannemelijk geheel vormen en daarom ongeloofwaardig worden geacht. Nu vast is komen te staan dat de bedreigingen niet geloofwaardig zijn, heeft de minister terecht het asielmotief “problemen met de andere familie in verband met de opvolgingskwestie” niet geloofwaardig geacht. De minister heeft de asielaanvraag daarom terecht als ongegrond afgewezen.
Conclusie en gevolgen
14 Het beroep is gegrond. Het besluit moet wegens strijd met artikel 3:46 van de Algemene wet bestuursrecht worden vernietigd, omdat de minister eiser ten onrechte heeft tegengeworpen dat hij wisselend verklaard heeft over wie het stamhoofd was voordat hij dat zou moeten worden. De rechtbank laat de rechtsgevolgen van het vernietigde besluit evenwel in stand, omdat zij oordeelt dat de overige tegenwerpingen de ongeloofwaardigheid van het asielmotief en daarmee de afwijzing van eisers asielaanvraag kunnen dragen. Dat betekent dat de afwijzing van eisers asielaanvraag in stand blijft.
14.1 Omdat het beroep gegrond is krijgt eiser een vergoeding van zijn proceskosten. De minister moet deze vergoeding betalen. De vergoeding bedraagt €1.868,- omdat de gemachtigde van eiser een beroepschrift heeft ingediend en aan de zitting heeft deelgenomen (1 punt per handeling met een waarde per punt van €934,- op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht).
Beslissing
De rechtbank:
verklaart het beroep gegrond;
vernietigt het besluit van 6 mei 2026;
bepaalt dat de rechtsgevolgen van het vernietigde besluit in stand blijven;
veroordeelt de minister in de proceskosten van eiser tot een bedrag van € 1.868,-.
Deze uitspraak is gedaan door mr. T.G. Noordhof, rechter, in aanwezigheid van S. Voolstra, griffier.
Uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met de uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen 1 week na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.