Rb. Den Haag 3 september 2026, ECLI:NL:RBDHA:2026:25359

grensdetentie - art. 6, derde lid - beroep ongegrond

De uitspraak op rechtspraak.nl

Tekst

RECHTBANK DEN HAAG
Zittingsplaats Arnhem
Bestuursrecht
zaaknummer: NL26.47989
uitspraak van de enkelvoudige kamer 3 september 2026 in de zaak tussen
[eiser] , v-nummer: [x] , eiser
(gemachtigde: mr. A. Habib-Portier),
en
de ambtenaar belast met de grensbewaking, de ambtenaar,
(gemachtigde: mr. N. Mikolajczyk).

Procesverloop

1 Bij besluit van 19 augustus 2026 (bestreden besluit) is aan eiser met toepassing van artikel 6, derde lid, van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw 2000) een vrijheidsontnemende maatregel opgelegd. De rechtbank is daarvan in kennis gesteld.

1.1 Deze kennisgeving wordt gelijkgesteld met een door eiser ingesteld beroep. Dit beroep moet tevens worden aangemerkt als een verzoek om toekenning van schadevergoeding.

1.2 De rechtbank heeft het beroep op 28 augustus 2026 op zitting behandeld. Hieraan heeft deelgenomen: eiser en zijn gemachtigde en de gemachtigde van de ambtenaar.

1.3 De rechtbank heeft het onderzoek op zitting geschorst. Daarbij is de ambtenaar in de gelegenheid gesteld om stukken in te dienen. Eiser is in de gelegenheid gesteld om daarop te reageren.

1.4 De rechtbank heeft met toestemming van partijen afgezien van een nadere zitting en heeft het onderzoek gesloten op 31 augustus 2026.

Overwegingen

Toetsingskader

2 Indien de rechtbank bij de beoordeling van het beroep van oordeel is dat de toepassing of tenuitvoerlegging van de maatregel in strijd is met de Vw 2000 dan wel bij afweging van alle daarbij betrokken belangen niet gerechtvaardigd is, verklaart zij op grond van artikel 94, zesde lid, van de Vw 2000 het beroep gegrond.

3 Op grond van artikel 5.5, tweede lid, van het Vreemdelingenbesluit 2000 (Vb 2000) wordt een vrijheidsontnemende maatregel op grond van artikel 6, derde lid, van de Vw 2000 opgelegd in het kader van het grensbewakingsbelang. Deze wordt niet opgelegd of voortgezet indien sprake is van bijzondere individuele omstandigheden die vrijheidsontneming onevenredig bezwarend maken.

Onvolledig procesdossier

4 Eiser voert aan dat de ambtenaar onzorgvuldig heeft gehandeld door een onvolledig dossier over te leggen. De ambtenaar heeft namelijk na de zitting diverse stukken overgelegd, meer dan waar om gevraagd is. De ambtenaar werd enkel verzocht om de antwoorden van de ambtenaar op de door de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (Afdeling) gestelde vragen te sturen, met de uitspraak in de zaak NL26.43644. Verder zou de ambtenaar de stukken inzake het strafrechtelijk voortraject uploaden.

4.1 Het betoog van eiser slaagt niet. Eiser heeft op zitting vragen gesteld over het (strafrechtelijk) voortraject en meer in het bijzonder over het moment waarop de asielaanvraag is ingediend. De ambtenaar heeft stukken overgelegd die hier op zien. Daarbij gaat het om de resultaat bevraging systeem op basis van biometrie, aanwijzing removal order, het M122-A formulier van 16 augustus 2026, het besluit opleggen grensweigering, het proces-verbaal nader gehoor VRIS en strafrechtelijke contextinformatie. Gesteld noch gebleken is dat deze informatie onvolledig is. Nu de ambtenaar deze informatie heeft overgelegd voor het sluiten van het onderzoek op 31 augustus 2026 is reeds hierom geen sprake van een onvolledig procesdossier. Daarbij merkt de rechtbank op dat eiser de kans heeft gehad om op deze informatie te reageren en dat hij ook van deze mogelijkheid gebruik heeft gemaakt. De beroepsgrond slaagt niet.
Wanneer heeft eiser zijn asielwens geuit?
5. Eiser voert verder aan dat uit het dossier niet blijkt wanneer hij zijn asielwens kenbaar heeft gemaakt. Na aankomst op Schiphol, op 16 augustus 2026, is hij in eerste instantie strafrechtelijk aangehouden omdat hij in het bezit was van een vals paspoort. Eiser voert aan dat het had kunnen zijn dat hij toen ook kenbaar heeft gemaakt dat hij asiel wenste aan te vragen. Of dit het geval is blijkt niet uit de strafrechtelijke contextinformatie. Hieruit blijkt enkel dat hij op 16 augustus 2026 om 18.00 uur is aangehouden, maar niet wanneer hij is heengezonden en of hij wellicht tijdens het strafrechttraject al een asielwens heeft geuit.

5.1 De rechtbank oordeelt als volgt. Op de zitting heeft de ambtenaar gewezen op het proces-verbaal van bevindingen weigering. Daarin staat op pagina 3 dat eiser op 16 augustus 2026 om 20:08 uur in verzekering is gesteld in het belang van het onderzoek. Vervolgens zou eiser op 18 augustus 2026 om 18:29 uur zijn asielwens hebben geuit volgens het proces-verbaal van bevindingen. Uit het proces-verbaal blijkt dus wanneer eiser zijn asielwens heeft geuit. Afgezien daarvan is de rechtbank echter van oordeel dat voor de beoordeling van de rechtmatigheid van de maattegel niet van belang is op welke datum eiser zijn asielwens heeft geuit. Immers, als eiser tijdens het strafrechtelijke voortraject te kennen heeft gegeven dat hij asiel wenst aan te vragen, heeft dat niet tot gevolg dat eiser per direct vanaf dat moment in vreemdelingenbewaring geplaatst had moeten worden. Dat eiser op 18 augustus 2026 aan de afdeling Asiel is overgedragen, is een beslissing van de Koninklijke Marechaussee (Kmar). Bovendien blijkt uit rechtspraak van de Afdeling dat de vreemdelingenrechter het strafrechtelijk voortraject van de bewaring niet mag toetsen. De rechtbank ziet dan ook geen aanleiding om meer strafrechtelijke stukken aan het dossier te laten toevoegen. De beroepsgrond slaagt niet.
Heeft de ambtenaar de screeningsprocedure op een onjuiste wijze doorlopen?
6. Eiser betoogt dat de motivering in het kader van de kwetsbaarheid onjuist en onzorgvuldig is. Eiser heeft gebruik gemaakt van een vals paspoort. Gelet op eisers jeugdige leeftijd, het feit dat hij op doorreis was naar Dublin en het feit dat hij op de zitting heeft verklaard dat hij wilde gaan werken in Bulgarije, had de KMar tot het kennelijke oordeel moeten leiden dat eiser een slachtoffer is van mensenhandel en daarom kwetsbaar is. De kans is namelijk groot dat de familie onder druk wordt gezet om de reissom terug te betalen en dat hij daarom moest gaan werken. De screening heeft daarom niet op de juiste wijze plaatsgevonden. Bovendien is Schiphol als screeningslocatie ongeschikt.

6.1 De rechtbank overweegt als volgt. Uit het proces-verbaal van bevindingen Screeningsverordening blijkt dat op 19 augustus 2026, door een wachtmeester van de Kmar, om 07:40 uur een screening bij eiser is afgenomen. Uit het verslag van het gehoor voorafgaande aan het opleggen van de maatregel blijkt dat eiser gelijktijdig en door dezelfde wachtmeester is gehoord over het opleggen van de maatregel. Uit het bestreden besluit blijkt dat de maatregel vervolgens op 19 augustus 2026, om 12:29 uur aan eiser is opgelegd. Dat is dus nadat de (eerste) screening is afgenomen.

6.2 De rechtbank stelt vast dat de screening van de kwetsbaarheid heeft plaatsgevonden en dat het voorlopige oordeel is dat eiser geen bijzondere behoeften heeft. De ambtenaar heeft in het gehoor voorafgaand aan de oplegging van de maatregel aan eiser gevraagd of er bijzondere omstandigheden zijn die maken dat zijn vrijheid niet kan worden ontnomen. Eiser heeft aangegeven dat er geen spoedeisende omstandigheden zijn die aanleiding geven om zijn asielprocedure in vrijheid te doorlopen. Aan het eind van het gehoor heeft de verbalisant zijn eigen bevindingen genoteerd en heeft hij aangegeven dat er geen onmiddellijk identificeerbare lichamelijke of geestelijke handicap en geen zichtbare of merkbare psychische of fysieke trauma’s zijn waargenomen of aangevoerd. Ook heeft de verbalisant genoteerd dat hem geen indicatoren onderkend zijn die het aannemelijk maken dat eiser het slachtoffer is van mensenhandel. De juistheid van die voorlopige conclusie kan worden betwist in de asielprocedure. Van belang is wel dat de ambtenaar voorafgaand aan zijn afweging om de vrijheidsontnemende maatregel op te leggen, adequaat heeft beoordeeld of eiser detentiegeschikt is en of een lichter middel in dit geval op zijn plaats is. Beide aspecten moet de ambtenaar vervolgens ook in zijn afweging betrekken. Of dat goed is gebeurd, beoordeelt de rechtbank hierna onder 7. Aan de stelling dat Schiphol geen geschikte screeningslocatie is gaat de rechtbank voorbij, omdat deze stelling niet is onderbouwd.
Had de ambtenaar moeten volstaan met het toepassen van een lichter middel?
7. Eiser betoogt dat de ambtenaar had moeten volstaan met het toepassen van een lichter middel. Er zijn duidelijk aanwijzingen voor mensenhandel, gelet op eisers jonge leeftijd, het reizen met een vals paspoort en de stelling op zitting dat hij wilde gaan werken in Bulgarije terwijl hij op doorreis was naar Dublin. Gelet hierop had de ambtenaar moeten volstaan met het toepassen van een lichter middel.

7.1 De rechtbank constateert dat de ambtenaar bij zijn beslissing om deze vrijheidsontnemende maatregel op te leggen aan het grensbewakingsbelang een groot en doorslaggevend gewicht heeft toegekend. Dat mocht de ambtenaar volgens de rechtbank ook doen. De rechtbank wijst er in dit verband op dat op grond van het bepaalde in artikel 10, vierde lid, aanhef en onder d, van de hernieuwde Opvangrichtlijn een verzoeker in bewaring mag worden gehouden om in het kader van een grensprocedure een beslissing te nemen over het recht van de verzoeker om het grondgebied te betreden. Het opleggen van een lichter middel heeft tot gevolg dat eiser feitelijk toegang tot Nederland verkrijgt, omdat toepassing van een lichter middel aan de buitengrens niet mogelijk is. Het grensbewakingsbelang kan daarom in beginsel enkel worden veiliggesteld met het opleggen van een vrijheidsontnemende maatregel. Uit het gehoor voorafgaand aan de bewaring blijkt niet dat eiser detentieongeschikt is of dat zich anderszins bijzondere omstandigheden voordoen. Verder heeft de ambtenaar er op zitting terecht op gewezen dat eiser heeft verklaard dat zijn ouders zijn reis hebben geregeld. Dat hij met een vals paspoort heeft gereisd maakt, gelet op deze verklaring, niet automatisch dat sprake is van mensensmokkel. Alhoewel de rechtbank het met eiser eens is dat hij nog jong is (21 jaar), maakt dit niet dat de ambtenaar had moeten volstaan met een lichter middel. Eiser is immers meerderjarig. De rechtbank is dan ook van oordeel dat de ambtenaar niet heeft hoeven volstaan met toepassing van een lichter middel.
Leidt ambtshalve toetsing tot een ander oordeel?
8. Los van de door eisers aangevoerde gronden, ziet de rechtbank in de door de ambtenaar en eisers verstrekte gegevens verder geen grond om te komen tot het oordeel dat de toepassing of tenuitvoerlegging van de vrijheidsontnemende maatregelen op enig moment onrechtmatig is geweest.

Conclusie en gevolgen

9 Het beroep is ongegrond. Daarom wordt ook het verzoek om schadevergoeding afgewezen. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank:

- verklaart het beroep ongegrond;

- wijst het verzoek om schadevergoeding af.

Deze uitspraak is gedaan door mr. A.S. Gaastra, rechter, in aanwezigheid van mr. B. Göbel, griffier.

De uitspraak is uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State binnen één week na de dag van bekendmaking.

Aangehaalde artikelen

Aangehaalde uitspraken