Rb. Den Haag 7 augustus 2026, ECLI:NL:RBDHA:2026:24362

Bewaring artikel 59b, eerste lid, aanhef en onder a en b, beroep ongegrond en verzoek om schadevergoeding afgewezen. Juiste grondslag – gronden – lichter middel – zicht op uitzetting – voortvarend handelen – ambtshalve toetsing.

De uitspraak op rechtspraak.nl

Tekst

RECHTBANK DEN HAAG
Bestuursrecht
zaaknummer: NL26.43151
uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen
[eiser], V-nummer: [V-nummer], eiser
(gemachtigde: mr. P. Langereis)
en
de minister van Asiel en Migratie, verweerder
(gemachtigde: mr. A.E. van der Burg).

Procesverloop

1 Met het bestreden besluit van 29 juli 2026 heeft verweerder aan eiser op grond van artikel 59b, eerste lid, aanhef en onder a en b, van de Vreemdelingenwet 2000 de maatregel van vreemdelingenbewaring opgelegd en de rechtbank daarvan in kennis gesteld.

1.1 Deze kennisgeving wordt gelijkgesteld met een door eiser ingesteld beroep. Het beroep wordt ook aangemerkt als verzoek om schadevergoeding.

1.2 Partijen hebben toestemming gegeven om de zaak schriftelijk te behandelen. De gemachtigde van eiser heeft op 3 augustus 2026 de gronden van het beroep ingediend. Verweerder heeft hierop op 5 augustus 2026 gereageerd. De rechtbank heeft het onderzoek op 6 augustus 2026 gesloten.

Overwegingen

De aan eiser opgelegde maatregel van vreemdelingenbewaring

2 Verweerder heeft aan eiser de maatregel van vreemdelingenbewaring opgelegd. In deze maatregel staat dat de maatregel nodig is, omdat een concreet aanknopingspunt bestaat voor een overdracht als bedoeld in de Asiel- en migratiebeheerverordening. In de maatregel staat verder dat de openbare orde de maatregel vordert, omdat er een onderduikrisico bestaat. Ook is de maatregel opgelegd omdat eiser een gevaar vormt voor de nationale veiligheid of openbare orde omdat eiser in verband met een misdrijf door de Duitse autoriteiten op 16 januari 2026 is gesignaleerd in het SIS terzake een terrorisme gerelateerde activiteit gepleegd op 16 januari 2026.

2.1 In de maatregel heeft verweerder als gronden vermeld dat eiser:
a. Nederland niet op de voorgeschreven wijze is binnengekomen of een poging daartoe heeft gedaan, waarbij de vreemdeling zich gedurende enige tijd aan het toezicht heeft onttrokken of zich zonder toestemming tussen de lidstaten van de Europese Unie beweegt;
c. niet dan wel niet voldoende meewerkt aan het vaststellen van zijn identiteit en nationaliteit;
p. zich niet aan een of meer andere voor hem geldende verplichtingen van hoofdstuk 4 heeft gehouden;
r. geen vaste woon- of verblijfplaats heeft;
s. niet beschikt over voldoende middelen van bestaan.
Wat voert eiser aan in beroep?
3. Allereerst voert eiser aan dat de grondslag voor de maatregel, artikel 59b van de Vw, onjuist is omdat eiser kenbaar heeft gemaakt dat hij geen asiel wil aanvragen in Nederland. Ten tweede betoogt eiser dat verweerder verschillende gronden onvoldoende heeft gemotiveerd en/of ten onrechte aan de maatregel ten grondslag heeft gelegd. Ten derde is volgens eiser niet gebleken dat verweerder voldoende voortvarend heeft gehandeld. Ten vierde is er volgens eiser geen zicht op uitzetting. Ten slotte is de maatregel onevenredig bezwarend.
Wat is het oordeel van de rechtbank?
Heeft verweerder de juiste grondslag gebruikt?
4. De rechtbank stelt vast dat verweerder de maatregel heeft opgelegd op grond van artikel 59b, eerste lid, aanhef en onder a en b, van de Vreemdelingenwet. De rechtbank is van oordeel dat deze grondslag juist is, omdat eiser op 29 juli 2026 een M35-H Aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning asiel heeft ondertekend. Het stond eiser vrij om dit niet te doen.
Kunnen de door verweerder vermelde gronden de maatregel dragen?
5. De rechtbank stelt vast dat de gronden p, r, en s niet zijn bestreden. Naar het oordeel van de rechtbank kunnen deze gronden en de daarop gegeven motivering van verweerder de maatregel dragen nu deze gronden al voldoende zijn om ten aanzien van eiser het risico op onderduiken aan te nemen. Gelet hierop hoeven de door eiser bestreden gronden niet meer worden besproken.
Had verweerder moeten volstaan met een lichter middel?
6. Gelet op wat hiervoor is besproken, mocht verweerder afzien van toepassing van een lichter middel. Dat eiser een asielaanvraag heeft ingediend en stelt bereid te zijn om te voldoen aan een meldplicht, geeft geen aanleiding voor een andere conclusie. Hetzelfde geldt voor de omstandigheid dat eiser in een isoleercel is geplaatst vanwege het risico op zelfbeschadiging en dat hij schurft heeft gekregen. Verweerder heeft de medische omstandigheden van eiser in de maatregel betrokken en er terecht op gewezen dat er voldoende medische voorzieningen zijn in het detentiecentrum. Ook heeft verweerder zich in de maatregel terecht op het standpunt gesteld dat er geen andere feiten of omstandigheden zijn aangevoerd die maken dat de maatregel onevenredig bezwarend is.
Is er voldoende zicht op uitzetting?
7. De rechtbank volgt eiser niet in zijn betoog dat er onvoldoende zicht op uitzetting is. Zicht op uitzetting is namelijk in het geval van eiser, omdat hij nog in de asielprocedure zit, immers geen voorwaarde.
Heeft verweerder voldoende voortvarend gehandeld?
8. De rechtbank volgt eiser niet in zijn betoog dat verweerder onvoldoende voortvarend heeft gehandeld omdat verweerder geen vertrekhandelingen heeft verricht. Hierbij is van belang dat verweerder in het verweerschrift terecht stelt dat verweerder niet verplicht is om vertrekhandelingen te verrichten terwijl de asielaanvraag wordt behandeld.
Leidt ambtshalve toetsing tot een ander oordeel?
9. Los van de door eiser aangevoerde gronden, ziet de rechtbank in de door verweerder en eiser verstrekte gegevens geen grond om te komen tot het oordeel dat aan de rechtmatigheidsvoorwaarden voor deze maatregel niet is voldaan.

Conclusie en gevolgen

10 Het beroep tegen de maatregel van vreemdelingenbewaring is ongegrond. Daarom wordt ook het verzoek om schadevergoeding afgewezen. Eiser krijgt geen vergoeding van zijn proceskosten.

Beslissing

De rechtbank:

- verklaart het beroep ongegrond;

- wijst het verzoek om schadevergoeding af.

Deze uitspraak is gedaan door mr. M.D. Gunster, rechter, in aanwezigheid van

mr. J.F. Elzenaar, griffier.

Uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:

Informatie over hoger beroep

Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met de uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen één week na de dag waarop deze uitspraak is verzonden of na de dag van plaatsing daarvan in het digitale dossier.

Aangehaalde artikelen

Aangehaalde uitspraken