Rb. Den Haag 27 augustus 2026, ECLI:NL:RBDHA:2026:24324
8:57; pkv afgewezen; geen sprake van tegemoetkomen
De uitspraak op rechtspraak.nl
Tekst
RECHTBANK DEN HAAG
Zittingsplaats Arnhem
Bestuursrecht
zaaknummer: NL25.50352
uitspraak van de enkelvoudige kamer van 27 augustus 2026 in de zaak tussen
[verzoeker] , v-nummer: [x] , verzoeker
(gemachtigde: mr. M.J.A. Rinkes),
en
de minister van Asiel en Migratie.
Inleiding
1 In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het verzoek van verzoeker om een veroordeling van de minister in de proceskosten.
1.1 Bij besluit van 14 oktober 2025 heeft de minister verzoeker laten weten dat hij zal worden overgedragen aan Zwitserland. Verzoeker heeft tegen dit besluit beroep ingesteld.
1.2 De minister heeft meermalen bericht – laatstelijk bij bericht van 13 januari 2026 – dat het besluit van 14 oktober 2025 is ingetrokken. In reactie daarop heeft verzoeker laten weten dat hij zijn beroep intrekt en de rechtbank verzocht om de minister te veroordelen in de proceskosten.
1.3 De rechtbank heeft de minister in de gelegenheid gesteld te reageren op het verzoek om veroordeling in de proceskosten. De minister heeft de rechtbank meegedeeld dat hij zich verzet tegen een veroordeling in de proceskosten.
1.4 De rechtbank heeft partijen laten weten dat zij een zitting niet nodig vindt en gevraagd of zij het daarmee eens zijn. Omdat partijen daarna niet om een zitting hebben gevraagd, heeft de rechtbank het onderzoek gesloten en de zaak niet behandeld op een zitting.
Beoordeling door de rechtbank
2 De rechtbank wijst het verzoek om proceskostenveroordeling af. Zij legt hierna uit hoe zij tot dit oordeel komt.
Wanneer wordt een bestuursorgaan in de proceskosten veroordeeld?
3 Als een beroep wordt ingetrokken omdat het bestuursorgaan geheel of gedeeltelijk aan de indiener van het beroepschrift is tegemoetgekomen, kan de bestuursrechter op verzoek van de indiener dat bestuursorgaan bij afzonderlijke uitspraak veroordelen in de proceskosten.
Is de minister aan verzoeker tegemoetgekomen?
4 De rechtbank moet dus beoordelen of de minister geheel of gedeeltelijk aan verzoeker is tegemoetgekomen.
4.1 De minister stelt dat hij het besluit van 14 oktober 2025 heeft ingetrokken, omdat verzoeker niet binnen de uiterste overdrachtstermijn is overgedragen aan Zwitserland. De minister verzet zich tegen een veroordeling in de proceskosten, omdat geen sprake is van tegemoetkomen aan verzoeker. De minister is enkel tot opname in de nationale procedure overgegaan, omdat de overdracht van verzoeker geen doorgang meer kon vinden in verband met overschrijding van de uiterste overdrachtstermijn. De intrekking van de beschikking is daarom enkel het gevolg van tijdsverloop en daarmee een veranderde omstandigheid die zich ten tijde van het besluit niet voordeed. De minister verwijst hierbij naar een aantal uitspraken van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (Afdeling).
4.2 Verzoeker betoogt dat wel sprake is van tegemoetkomen. De uitspraken van de Afdeling waar de minister naar verwijst zijn namelijk niet van toepassing, omdat de minister na een eerdere claim op Bulgarije vervolgens op Zwitserland heeft geclaimd. Er is dus niet enkel sprake van tijdsverloop. Verder had de minister verzoeker tijdig over kunnen dragen. Het afwachten van de voorlopige voorziening is puur gebaseerd op een ‘gentlemensagreement’. Het verlopen van de overdrachtstermijn is daarom aan de minister te wijten.
4.3 De rechtbank volgt, onder verwijzing naar de door de minister aangehaalde rechtspraak van de Afdeling, de minister in zijn standpunt dat verzoekers proceskosten niet voor vergoeding in aanmerking komen. De minister heeft het besluit van 14 oktober 2025 ingetrokken omdat op grond van artikel 29, tweede lid, van de Dublinverordening de overdracht niet binnen de gestelde termijn kon plaatsvinden. Hiermee is de minister niet tegemoetgekomen aan het beroep van verzoeker. Het alsnog in behandeling nemen van de asielaanvraag is namelijk geen tegemoetkoming, maar enkel een gevolg van tijdsverloop. De omstandigheid dat de minister eerder bij Bulgarije heeft geclaimd of de vraag aan wie het tijdsverloop te wijten is maakt dit niet anders. Daarbij geldt ook dat het gegeven dat de verantwoordelijkheid voor de behandeling van de asielaanvraag vanwege de ‘chain rule’ gedurende de procedure van Bulgarije naar Zwitserland is verschoven niet een omstandigheid is die de minister valt aan te rekenen.
4.4 De rechtbank wijst het verzoek daarom af.
Beslissing
De rechtbank wijst het verzoek om vergoeding van de proceskosten af.
Deze uitspraak is gedaan door mr. J.M. Hollebrandse, rechter, in aanwezigheid van mr. D.J. Deitz, griffier.
De uitspraak is uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met de uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.