Rb. Den Haag 21 augustus 2026, ECLI:NL:RBDHA:2026:23982
Verzoek om een voorlopige voorziening. Tijdelijke bescherming afgewezen. Verlies van opvangvoorzieningen. Tijdelijke bescherming in een andere lidstaat. Verzoek afgewezen.
De uitspraak op rechtspraak.nl
Tekst
RECHTBANK DEN HAAG
Zittingsplaats Middelburg
Bestuursrecht
zaaknummer: NL26.47464
uitspraak van de voorzieningenrechter in de zaak tussen
[verzoekster] , verzoekster
V-nummer: [V-nummer]
(gemachtigde: mr. V.M. Oliana),
en
de minister van Asiel en Migratie, verweerder
(gemachtigde: [gemachtigde] ).
Procesverloop
In het besluit van 3 augustus 2026 (het primaire besluit) heeft verweerder de aanvraag van verzoekster om verlening van tijdelijke bescherming afgewezen.
Verzoekster heeft bij verweerder bezwaar gemaakt tegen het primaire besluit. Zij heeft verder de voorzieningenrechter verzocht om een voorlopige voorziening te treffen.
Verzoekster heeft de voorzieningenrechter verzocht om met voorrang op het verzoek te beslissen.
Verweerder heeft op verzoek van de voorzieningenrechter een verweerschrift ingediend.
De voorzieningenrechter doet uitspraak buiten zitting op grond van artikel 8:83, vierde lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb).
Beoordeling door de voorzieningenrechter
1 Verzoekster stelt te zijn geboren op [geboortedag] 1968 en de Oekraïense nationaliteit te hebben. Zij heeft op 3 augustus 2026 bij verweerder om tijdelijke bescherming gevraagd zoals bedoeld in de Richtlijn 2001/55/EG (RTB). Na de inval in Oekraïne door Rusland heeft de Raad van de Europese Unie besloten om aan ontheemden uit Oekraïne onder voorwaarden tijdelijke bescherming te verlenen op grond van de RTB.
2 In het primaire besluit heeft verweerder deze aanvraag afgewezen omdat verzoekster blijkens het Temporary Protection Platform (TPP) al tijdelijke bescherming heeft in Polen, en omdat zij niet afhankelijk is van een gezinslid dat in Nederland tijdelijke bescherming heeft.
3 Verzoekster voert daartegen in bezwaar aan dat verweerder geen uittreksel uit het TPP heeft overgelegd of anderszins heeft onderbouwd dat zij in Polen tijdelijke bescherming heeft. Dit volgt volgens haar ook niet uit de door haar overgelegde stukken, te weten haar paspoort en een brief van de Oekraïense autoriteiten. Verder voert verzoekster aan dat uit artikel 11 van de RTB volgt dat een persoon die in een andere lidstaat tijdelijke bescherming heeft niet door een volgende lidstaat van tijdelijke bescherming kan worden uitgesloten. Hierbij beroept zij zich op het arrest van het Hof van Justitie van de Europese Unie van 27 februari 2025, ECLI:EU:C:2025:133, in de zaak Krasiliva, en op overweging 4 van het Uitvoeringsbesluit (EU) 2025/1460 van 15 juli 2025.
4 Het verzoek om een voorlopige voorziening strekt ertoe te bepalen dat verzoekster niet gedurende de bezwaarprocedure mag worden uitgezet, en dat zij tot vier weken nadat op het bezwaarschrift is beslist wordt behandeld als ware zij rechthebbende van de RTB zodat zij recht op gemeentelijke opvangvoorzieningen en toegang tot de arbeidsmarkt behoudt.
5 Verweerder stelt zich op het standpunt dat er geen sprake is van spoedeisend belang. Mocht de gemeentelijke opvang worden beëindigd, dan kan verzoekster zich namelijk wenden tot het Centraal Orgaan opvang asielzoekers voor opvang. Subsidiair stelt verweerder zich op het standpunt dat het bezwaar geen redelijke kans van slagen heeft. Als bijlage bij het verweerschrift heeft verweerder alsnog een registratie uit het TPP overgelegd. Verzoekster heeft niet aannemelijk gemaakt dat zij geen tijdelijke bescherming heeft in Polen. Uit artikel 11 van de RTB en overweging 4 van het Uitvoeringsbesluit (EU) 2025/1460 volgt niet dat aan verzoekster tijdelijke bescherming moet worden verleend.
De voorzieningenrechter oordeelt als volgt.
6 Op grond van artikel 8:81, eerste lid, van de Awb kan de voorzieningenrechter van de bestuursrechter die bevoegd is of kan worden in de hoofdzaak op verzoek een voorlopige voorziening treffen indien onverwijlde spoed dat gelet op de betrokken belangen vereist.
7 Duidelijk is dat de gemeente Geertruidenberg verzoekster op 22 augustus 2026 om 17:00 uur uit de gemeentelijke opvang wil verwijderen omdat verweerder heeft vastgesteld dat zij niet onder de RTB valt. Gelet hierop is de vereiste onverwijlde spoed gegeven. Dit biedt de voorzieningenrechter gelet op artikel 8:83, vierde lid, van de Awb de mogelijkheid om buiten zitting uitspraak te doen. Dat er mogelijkheden bestaan voor verzoekster om via een andere procedure een andere vorm van opvang te verkrijgen doet hieraan niet af en betreft bovendien een toekomstige onzekere gebeurtenis.
8 Anders dan verzoekster aanvoert, volgt uit artikel 11 van de RTB, overweging 4 van het Uitvoeringsbesluit (EU) 2025/1460 en het arrest in de zaak Krasiliva niet dat tijdelijke bescherming ook moet worden verleend aan iemand die dat al heeft in een andere lidstaat. Verweerder heeft met de bijlage bij het verweerschrift aangetoond dat verzoekster in Polen al tijdelijke bescherming heeft. Uit de door verzoekster overgelegde stukken kan niet het tegendeel worden afgeleid. Uit de stempels in haar paspoort en de brief van de Oekraïense autoriteiten volgt namelijk alleen wanneer zij Polen is in- en uitgereisd. Naar het voorlopig oordeel van de voorzieningenrechter heeft het bezwaar van verzoekster daarom geen redelijke kans van slagen.
9 Het verzoek om een voorlopige voorziening moet worden afgewezen.
10 Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.
Beslissing
De voorzieningenrechter wijst het verzoek om een voorlopige voorziening af.
Deze uitspraak is gedaan op 21 augustus 2026 door mr. W.H. Bel, voorzieningenrechter, in aanwezigheid van mr. A.S. Hamans, griffier, en openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op www.rechtspraak.nl. Het dictum is telefonisch doorgegeven aan de gemachtigde van verweerder op 21 augustus 2026 om 15:30 uur. De gemachtigde van verzoekster was rond dit tijdstip niet telefonisch bereikbaar.
Deze uitspraak is bekendgemaakt op:
Tegen deze uitspraak staat geen hoger beroep of verzet open.