Rb. Den Haag 20 augustus 2026, ECLI:NL:RBDHA:2026:23396
bewaring – 59, eerste lid, aanhef en onder a - inspanningsverplichting – ongegrond.
De uitspraak op rechtspraak.nl
Tekst
RECHTBANK DEN HAAG
Zittingsplaats Middelburg
Bestuursrecht
zaaknummer: NL26.45662
uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen
[eiser] , eiser,
V-nummer: [V-nummer] ,
(gemachtigde: mr. A.M.V. Bandhoe),
en
de minister van Asiel en Migratie, verweerder,
(gemachtigde: mr. G. Cambier).
Procesverloop
Met het bestreden besluit van 10 augustus 2026 heeft verweerder aan eiser de maatregel van vreemdelingenbewaring op grond van artikel 59, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vw opgelegd en de rechtbank daarvan in kennis gesteld.
Deze kennisgeving wordt gelijkgesteld met een door eiser ingesteld beroep. Het beroep wordt ook aangemerkt als een verzoek om schadevergoeding.
De rechtbank heeft het beroep op 19 augustus 2026 met behulp van een beeldverbinding op zitting behandeld. Eiser is verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde. Als tolk is verschenen mevrouw [tolk] . Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.
Overwegingen
Toetsingskader
1 Verweerder kan als het belang van de openbare orde of de nationale veiligheid dat vordert, de vreemdeling die geen rechtmatig verblijf heeft in vreemdelingenbewaring stellen. Verweerder stelt een vreemdeling slechts in vreemdelingenbewaring, voor zover geen minder dwingende maatregelen doeltreffend kunnen worden toegepast en de vreemdelingenbewaring blijft achterwege of wordt beëindigd, indien deze niet langer noodzakelijk is met het oog op het doel van de vreemdelingenbewaring. Deze vreemdeling kan in vreemdelingenbewaring worden gesteld op grond dat het belang van de openbare orde of nationale veiligheid dat vordert, indien a) een onderduikrisico bestaat, of b) de vreemdeling de voorbereiding van het vertrek of de uitzettingsprocedure ontwijkt of belemmert. De maatregel kan alleen worden opgelegd wegens het bestaan van een onderduikrisico, indien ten minste twee van de gronden, genoemd in artikel 5.6, tweede lid, van het Vb zich voordoen.
De aan eiser opgelegde maatregel van vreemdelingenbewaring
2 Verweerder heeft aan eiser de maatregel van vreemdelingenbewaring opgelegd. In de maatregel van vreemdelingenbewaring heeft verweerder overwogen dat de openbare orde de maatregel vordert, omdat het risico bestaat dat eiser zich aan het toezicht zal onttrekken en eiser de voorbereiding van het vertrek of de uitzettingsprocedure ontwijkt of belemmert.
3 In de maatregel heeft verweerder als gronden vermeld dat eiser:
a. Nederland niet op de voorgeschreven wijze is binnengekomen, dan wel een poging daartoe heeft gedaan, waarbij de vreemdeling zich gedurende enige tijd aan het toezicht heeft onttrokken of zich zonder toestemming tussen de lidstaten van de Europese Unie beweegt; b. eerder een besluit, kennisgeving of aanzegging heeft ontvangen waaruit de plicht de Europese Unie dan wel Nederland te verlaten blijkt en hij daaraan niet uit eigen beweging binnen de daarin besloten of gestelde termijn gevolg heeft gegeven; c. niet dan wel niet voldoende meewerkt aan het vaststellen van zijn identiteit en nationaliteit; d. in verband met zijn aanvraag om toelating onjuiste of tegenstrijdige gegevens heeft verstrekt over zijn identiteit, nationaliteit of de reis naar Nederland of een andere lidstaat; h. heeft te kennen gegeven dat hij geen gevolg zal geven aan de verplichting tot terugkeer; j. een aanvraag voor het verlenen van een verblijfsvergunning asiel heeft ingediend die niet-ontvankelijk is verklaard of is afgewezen als kennelijk ongegrond; r. geen vaste woon- of verblijfplaats heeft; s. niet beschikt over voldoende middelen van bestaan.
4 De rechtbank stelt vast dat eiser de gronden die door verweerder in de maatregel van vreemdelingenbewaring zijn opgenomen inhoudelijk niet heeft betwist. De rechtbank is van oordeel dat deze gronden juist zijn en voldoende zijn toegelicht in de maatregel van vreemdelingenbewaring. De gronden zijn toereikend om de maatregel te kunnen dragen. Daarom kan worden aangenomen dat er een risico bestaat dat eiser zal onderduiken en dat hij de voorbereiding van het vertrek of de uitzettingsprocedure ontwijkt of belemmert.
Voortvarend handelen en inspanningsverplichting
5 Eiser is voorafgaand aan de vreemdelingenbewaring strafrechtelijk gedetineerd geweest. Gemachtigde van eiser heeft ter zitting aangevoerd dat verweerder niet heeft voldaan aan zijn inspanningsverplichting door onvoldoende voorbereidingshandelingen te verrichten voor de uitzetting van eiser op het moment dat eiser in strafrechtelijke detentie zat. Nu dat volgens gemachtigde van eiser niet is gebeurd, handelt verweerder onvoldoende voortvarend.
6 De rechtbank is van oordeel dat verweerder zowel tijdens de hier relevante strafrechtelijke detentie als tijdens de vreemdelingenbewaring voldoende voortvarend heeft gewerkt aan de uitzetting van eiser en dat de inspanningsverplichting niet is geschonden. Uit het dossier volgt dat (al) tijdens de strafrechtelijke detentie van eiser op 22 juni 2026 en 7 augustus 2026 vertrekgesprekken zijn gevoerd met eiser en dat er op 3 augustus 2026 vlucht is aangevraagd waarvan op 7 augustus 2026 de vluchtgegevens zijn ontvangen. Eiser is aansluitend op zijn strafrechtelijke detentie op 10 augustus 2026 in vreemdelingenbewaring gesteld en zal op 24 augustus 2026 worden uitgezet naar Algerije. Verweerder heeft ter zitting aangegeven dat uitzetting naar Algerije bovendien langer kan duren omdat de Algerijnse autoriteiten slechts twee personen per vlucht accepteren en omdat vluchten naar Algerije een overstap vereisen waardoor er meer escorts van de Koninklijke Marechaussee zijn vereist. Hierdoor kon er volgens verweerder niet sneller gehandeld worden dan in dit geval is gebeurd. De rechtbank kan dit standpunt volgen en ziet geen aanleiding voor het oordeel dat verweerder meer of eerder handelingen had moeten verrichten.
Ambtshalve toets
7 Tot slot leidt de ambtshalve toetsing niet tot het oordeel dat de maatregel van bewaring op enig moment onrechtmatig was.
Conclusie
8 Het beroep tegen de maatregel van vreemdelingenbewaring is ongegrond. Daarom wordt ook het verzoek om schadevergoeding afgewezen.
9 Eiser krijgt geen vergoeding van zijn proceskosten.
Beslissing
De rechtbank:
- verklaart het beroep ongegrond;
- wijst het verzoek om schadevergoeding af.
Deze uitspraak is gedaan op 20 augustus 2026 door mr. E.J. Govaers, rechter, in aanwezigheid van mr. A.M. Verberne, griffier, en openbaargemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op www.rechtspraak.nl.
Deze uitspraak is bekendgemaakt op:
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met de uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen één week na de dag waarop deze uitspraak is verzonden of na de dag van plaatsing daarvan in het digitale dossier.