Rb. Den Haag 14 augustus 2026, ECLI:NL:RBDHA:2026:22676

Beroep ongegrond. Inreisverbod voor 2 jaar terecht door verweerder uitgevaardigd.

De uitspraak op rechtspraak.nl

Tekst

RECHTBANK DEN HAAG
Zittingsplaats Groningen
Bestuursrecht
zaaknummer: AWB 26/1807
uitspraak van de enkelvoudige kamer van 14 augustus 2026 in de zaak tussen
[eiser] , eiser,
V-nummer: [v-nummer]
en
de minister van Asiel en Migratie
(gemachtigde: mr. R.M. Koning).

Samenvatting

1 Deze uitspraak gaat over het aan eiser uitgevaardigde inreisverbod voor de duur van twee jaar. Eiser is het daar niet mee eens. Hij voert daartoe een aantal beroepsgronden aan. Mede aan de hand van deze beroepsgronden beoordeelt de rechtbank of de minister het inreisverbod terecht aan eiser heeft uitgevaardigd.

1.1 De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat de minister terecht het inreisverbod aan eiser heeft uitgevaardigd. Eiser krijgt dus geen gelijk en het beroep is ongegrond. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.

Procesverloop

2 Eiser is geboren op [geboortedatum] en heeft de Turkse nationaliteit. Eiser is het Schengengebied binnen gekomen met een Pools visum, geldig tot 28 september 2023. Eiser stelt op 12 september 2023 in Polen een nieuwe visumaanvraag te hebben ingediend, die op enig moment is afgewezen.

2.1 Op 6 april 2025 was reeds aan eiser een terugkeerbesluit opgelegd. Eiser heeft de verplichting terug te keren naar Turkije, binnen een termijn van vier weken. Gebleken is dat eiser niet of niet langer rechtmatig in Nederland verblijft omdat hij bij binnenkomst niet heeft voldaan aan de verplichtingen waaraan hij bij grensoverschrijding is onderworpen. Eiser heeft namelijk geen geldig grensoverschrijdingsdocument, is daarmee niet op de voorgeschreven wijze Nederland binnengekomen, heeft geen vaste woon- of verblijfplaats en beschikt niet over voldoende middelen van bestaan.

2.2 Op 12 november 2025 heeft eiser zich gemeld op Schiphol met een temporary pasport. Eiser was in het bezit van een instapkaart voor een reis naar Turkije. De brigade grensbewaking heeft geconstateerd dat eiser geen rechtmatig verblijf meer heeft in Nederland. Eiser was in het bezit van een reisdocument dat was afgegeven in een Schengenlidstaat op 12 november 2025. In het document was geen Schengenvisum geplaatst en er was geen registreerde visumaanvraag op eisers naam bekend. Omdat de duur van de overschrijding van de vrije termijn niet kon worden vastgesteld, is deze aangemerkt als een overschrijding van de vrije termijn met meer dan 90 dagen.

2.3 Op 12 november 2025 is aan eiser een voornemen bekend gemaakt om hem een inreisverbod op te leggen voor de duur van twee jaar, omdat eiser de vrije termijn heeft overschreden met meer dan drie maanden.

2.4 Op 14 november 2025 is eiser teruggekeerd naar Turkije.

2.5 Op 6 december 2025 heeft eiser zijn zienswijze gegeven op het voornemen.

2.6 Met het bestreden besluit van 2 januari 2026 is aan eiser een inreisverbod opgelegd als bedoeld in artikel 66a, tweede lid, van de Vw 2000 omdat de vrije termijn als bedoeld in artikel 3.3. van het Vb 2000 met meer dan drie maanden is overschreden en eiser Nederland niet onmiddellijk hoeft te verlaten. Er is geen sprake meer van rechtmatig verblijf omdat de rechtmatigheid van het verblijf sinds het verlopen van het eerder aangebrachte Poolse visum in september 2023 niet aangetoond kan worden. Het inreisverbod geeft geen belemmering om nauw contact te onderhouden met de broer van eiser in Duitsland.

2.7 Eiser heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit.

2.8 De rechtbank heeft het beroep op 9 juli 2026 op zitting behandeld. Hieraan heeft de gemachtigde van de minister deelgenomen. Eiser is niet verschenen. Het onderzoek ter zitting is gesloten.

Beoordeling door de rechtbank

Toetsingskader

3 Het is voor vreemdelingen die voor een verblijf van niet langer dan 90 dagen naar Nederland zijn gekomen toegestaan om 90 dagen in Nederland te verblijven (de vrije termijn). De minister kan een inreisverbod uitvaardigen tegen een vreemdeling die de vrije termijn met meer dan drie dagen heeft overschreden en die Nederland niet onmiddellijk hoeft te verlaten. De duur van het inreisverbod bedraagt ten hoogste twee jaren. In het geval dat de vrije termijn met meer dan 90 dagen is overschreden, wordt een inreisverbod uitgevaardigd voor de duur van twee jaar. De minister kan om humanitaire of andere redenen afzien van het uitvaardigen van een inreisverbod. Aan een vreemdeling wordt geen inreisverbod uitgevaardigd als dit een schending van artikel 8 van het EVRM betekent.

Standpunt eiser 4. Eiser erkent dat hij de vrije termijn voor zijn verblijf in Nederland heeft overschreden. Eiser wijst op het feit dat hij geen bedreiging vormt voor de openbare orde of de openbare veiligheid. Eiser heeft in oktober 2025 een arbeidsovereenkomst getekend met een in Duitsland gevestigde werkgever. Eiser kon op 1 februari 2026 beginnen. Eiser kan nu echter niet aan het werk. Eiser heeft sinds februari 2025 een stabiele en oprechte relatie met een Duitse staatsburger. Zij willen trouwen en een gezin stichten. Door het inreisverbod kan hij zijn gezinsleven niet uitoefenen. Daarom wordt artikel 8 van het EVRM geschonden. Eiser voert aan dat hij altijd heeft voldaan aan de visumvoorwaarden. Eiser verzoekt om het inreisverbod op te heffen, of in ieder geval terug te brengen naar één jaar.

Het oordeel van de rechtbank

5 De rechtbank stelt in de eerste plaats vast dat eiser geen rechtsmiddelen heeft aangewend tegen het op 6 april 2025 opgelegde terugkeerbesluit. Het terugkeerbesluit staat dan ook in rechte vast.

5.1 Eiser heeft (in elk geval) per 14 november 2025 voldaan aan de terugkeerverplichting.

5.2 Vervolgens stelt de rechtbank vast dat eiser niet betwist dat hij de vrije termijn voor zijn verblijf in Nederland heeft overschreden.

5.3 Nu vast staat dat eiser de vrije termijn heeft overschreden, bestond voor de minister de mogelijkheid om aan eiser een inreisverbod op te leggen en – gegeven de omstandigheden zoals hiervoor weergegeven – daaraan de duur van twee jaar te verbinden.

5.4 Het is de rechtbank niet gebleken dat het uitvaardigen van een inreisverbod een schending van artikel 8 van het EVRM oplevert. Eiser heeft wel aangevoerd dat hij door het inreisverbod zijn gezinsleven met zijn Duitse partner niet kan voortzetten, maar heeft deze stelling onvoldoende onderbouwd. De rechtbank betrekt daarbij dat eiser ten tijde van het gehoor in het kader van het opleggen van het terugkeerbesluit niets heeft verklaard over een partner of relatie. Eiser verklaarde destijds zelfs dat er geen bijzondere omstandigheden waren op grond waarvan van het opleggen van het terugkeerbesluit zou moeten worden afgezien. Dat eiser thans stelt werk te hebben maar door het inreisverbod feitelijk niet aan het werk kan, maakt niet dat nu wel sprake is van bijzondere omstandigheden.

5.5 Het is de rechtbank ook niet gebleken dat de minister om andere redenen had moeten afzien van het uitvaardigen van het inreisverbod. De (overige) beroepsgronden slagen evenmin.

Conclusie en gevolgen

6 Het beroep is ongegrond. Dat betekent dat de minister aan eiser terecht het inreisverbod heeft uitgevaardigd. Er zijn geen proceskosten die voor vergoeding in aanmerking komen.

Beslissing De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan door mr. A.G.D. Overmars, rechter, in aanwezigheid van mr.S. Derks, griffier. Uitgesproken in het openbaar op 14 augustus 2026.

griffier
rechter

Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:

Informatie over hoger beroep

Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen vier weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.

Aangehaalde artikelen