Rb. Den Haag 11 augustus 2026, ECLI:NL:RBDHA:2026:22482
Voorlopige voorziening hangende beroep. De minister is voornemens om verzoeker op 12 augustus 2026 over te dragen aan Kroatië in het kader van de Asiel- en Migratieverordening. Ondanks dat er geen sprake is van een gedwongen uitzetting, neemt de voorzieningenrechter aan dat er sprake is van spoedeisend belang. Verzoeker loopt het risico om in bewaring te worden gezet wanneer hij niet meewerkt aan zijn uitzetting. Hoewel dit als zodanig onzeker is, doet dit mogelijke vooruitzicht afbreuk aan het gestelde vrijwillige karakter van de overdracht. De voorzieningenrechter wijst de voorlopige voorziening toe, omdat de belangen van verzoeker door zijn psychische problematiek zwaarder wegen dan die van de minister.
De uitspraak op rechtspraak.nl
Tekst
RECHTBANK DEN HAAG
Zittingsplaats Amsterdam
Bestuursrecht
Zaaknummer: NL26.42807
V-nummer: [V nummer]
uitspraak van de voorzieningenrechter in de zaak tussen
[verzoeker] , verzoeker,
geboren op [geboortedatum] 1997, van Syrische nationaliteit
(gemachtigde: mr. C.E. Stassen-Buijs),
en
de minister van Asiel en Migratie, de minister
(gemachtigde: mr. R. Radema).
Procesverloop
Bij besluit van 8 juli 2026 (het bestreden besluit) heeft de minister de aanvraag van verzoeker tot het verlenen van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd niet in behandeling genomen, omdat Kroatië verantwoordelijk is voor de behandeling daarvan.
Verzoeker heeft op 13 juli 2026 tegen het bestreden besluit beroep ingesteld. Op 29 juli 2026 heeft verzoeker verder de voorzieningenrechter verzocht om een voorlopige voorziening te treffen.
Daarnaast heeft verzoeker een kennisgeving overgelegd van 10 augustus 2026 waarin aan verzoeker kenbaar is gemaakt dat er voor hem op [datum] om [tijdstip] uur een vlucht is geboekt naar [plaats], Kroatië.
De minister heeft een verweerschrift ingediend waarin hij onder andere heeft laten weten zich te verzetten tegen de toewijzing van het verzoek om een voorlopige voorziening.
Verzoeker heeft een nadere reactie op het verweerschrift ingediend.
De voorzieningenrechter doet op grond van artikel 8:83, vierde lid, van de Awb uitspraak zonder zitting.
Overwegingen
1 Op grond van artikel 8:81, eerste lid, van de Awb kan de voorzieningenrechter van de rechtbank die bevoegd is of kan worden in de hoofdzaak op verzoek een voorlopige voorziening treffen als onverwijlde spoed, gelet op de betrokken belangen, dat vereist. Het oordeel van de voorzieningenrechter heeft een voorlopig karakter en bindt de rechtbank in een (eventueel) bodemgeding niet.
2 Verzoeker vraagt de voorzieningenrechter om te bepalen dat overdracht op [datum] 2026 achterwege blijft en dat hij de behandeling van zijn beroep in Nederland mag afwachten. Ondanks dat geen sprake is van een gedwongen overdacht stelt verzoeker zich op het standpunt dat sprake is van spoedeisend belang. Als verzoeker niet meewerkt, kan hij in bewaring worden gesteld en alsnog gedwongen worden overgedragen. Niet alleen de overdracht zelf, maar ook de dreiging daarvan en de dreigende vrijheidsbeneming, kan een ernstige en onomkeerbare verslechtering van zijn gezondheid opleveren. Verzoeker kampt namelijk met (ernstige) geestelijke gezondheidsproblemen. Verzoeker stelt zich op het standpunt dat het beroep redelijke kans van slagen heeft gezien de jurisprudentie van verschillende rechtbanken over het arrest C. K. van het Hof van Justitie van 16 februari 2017. Verder verklaart verzoeker drie keer slachtoffer te zijn geweest van pushbacks en dat hij door de Kroatische autoriteiten is mishandeld. Hij stelt zich daarom op het standpunt dat niet van het interstatelijk vertrouwensbeginsel kan worden uitgegaan ten aanzien van Kroatië.
3 De minister stelt zich primair op het standpunt dat geen sprake is van spoedeisend belang, omdat geen sprake is van gedwongen overdracht. Verzoeker hoeft namelijk niet mee te werken aan de geplande overdracht. Dat weigeren mee te werken aan de overdracht kan leiden tot nadelige gevolgen, is een toekomstige onzekere gebeurtenis. Secundair stelt de minister zich op het standpunt dat het beroep geen redelijke kans van slagen heeft. Recente jurisprudentie laat zien dat er ten aanzien van Kroatië nog steeds kan worden uitgegaan van het interstatelijk vertrouwensbeginsel. Verzoeker heeft verder niet aangetoond dat er sprake is van een bijzondere ernst van zijn gezondheidstoestand en dat overdacht kan leiden tot aanzienlijke en onomkeerbare gevolgen zoals bedoeld in het arrest C.K.
4 Naar het oordeel van de voorzieningenrechter is er sprake van spoedeisend belang. Ondanks dat geen sprake is van een gedwongen overdracht, wordt die medewerking wel van verzoeker verlangd. Daarbij kan het niet meewerken aan de overdracht uiteindelijk leiden tot de inbewaringstelling van verzoeker. Dit heeft de minister ook erkend in zijn verweerschrift. Hoewel dit als zodanig onzeker is, doet dit mogelijke vooruitzicht afbreuk aan het gestelde vrijwillige karakter van de overdracht. Nu niet al op voorhand is toegezegd dat verzoeker bij het niet meewerken aan de geplande overdacht niet in bewaring zal worden gesteld, kan niet worden gezegd dat een spoedeisend belang in zijn geheel ontbreekt.
5 De voorzieningenrechter ziet aanleiding om het verzoek toe te wijzen. De belangen van verzoeker wegen gezien zijn geestelijke gezondheidsproblemen naar het oordeel van de voorzieningenrechter zwaarder dan de belangen van de minister. De behandelaren van verzoeker hebben op 16 juli 2026 verklaard dat hij is gediagnosticeerd met PTSS en een depressieve stoornis. Verzoeker krijgt op dit moment ondersteuning van een sociaal psychiatrisch verpleegkundige en cognitieve gedragstherapie van een psycholoog ter voorbereiding op traumatherapie. Daarvoor staat hij momenteel op een wachtlijst. Hoewel de behandelaren over de eventuele gevolgen van een overdracht aan Kroatië geen informatie kunnen verstrekken, omdat het niet binnen de kaders van de behandeling valt. Geven de behandelaren wél aan dat verzoeker bekend is met destructief gedrag in de vorm van automutilatie en hongerstaking. Bij het staken van de huidige behandeling bestaat er volgens de behandelaren een risico op een toename in de ernst van symptomen. Een verdere escalatie en verslechtering van verzoekers psychische en lichamelijke gezondheid kan daarom niet worden uitgesloten. Verder wordt aangegeven dat verzoeker vanuit de aanwezige PTSS met veelvuldig trauma een zeer hoge lijdensdruk ervaart en hij suïcidale ideaties en wanhoop uit. Dit speelt nog nadrukkelijker als er toename is van stress. Dat uit het journaal van de huisarts van 19 januari 2026 volgt dat verzoeker niet suïcidaal zou zijn, doet daar niets aan af. Verzoeker was toen net twee dagen in Nederland en was toen nog niet onder behandeling. Bovendien is de minister ook bekend met de (mogelijke) problematiek van verzoeker. Als bijlage bij het verweerschrift heeft de minister namelijk twee memo’s van het Ketenbreed Calamiteitenteam (KTC) van maart en juni 2026 toegevoegd. Hieruit volgt dat er twee meldingen zijn binnen gekomen die betrekking hebben op suïcide dreiging, een poging tot suïcide, automutilatie, honger en/of dorststaking en/of psycho- sociale problematiek.
6 De voorzieningenrechter wijst het verzoek om voorlopige voorziening daarom toe, schorst het bestreden besluit, bepaalt dat de overdrachtstermijn wordt opgeschort en dat verzoeker niet mag worden overgedragen aan Kroatië tot een week nadat op het beroep tegen het bestreden besluit is beslist.
7 De voorzieningenrechter veroordeelt de minister in de door verzoeker gemaakte proceskosten. Deze kosten stelt de voorzieningenrechter op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vast op € 934,00 (1 punt voor het indienen van het verzoekschrift met een waarde per punt van € 934,- en een wegingsfactor 1).
Beslissing
De voorzieningenrechter:
- treft de voorlopige voorziening dat het bestreden besluit wordt geschorst en dat verzoeker niet mag worden overgedragen aan Kroatië tot een week nadat is beslist op het beroep; en,
- veroordeelt de minister in de proceskosten van verzoeker tot een bedrag van € 934,00.
Deze uitspraak is gedaan door mr. Y. Moussaoui, voorzieningenrechter, in aanwezigheid van mr. R. Hol, griffier.
De uitspraak is uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:
Tegen deze uitspraak staat geen hoger beroep of verzet open.