Rb. Den Haag 5 augustus 2026, ECLI:NL:RBDHA:2026:21912
Asiel, Georgië, aanvraag afgewezen als kennelijk ongegrond, problemen door het onderzoek van Georgische regering ongeloofwaardig. Beroep ongegrond, problemen terecht ongeloofwaardig gevonden, geen nadere onderbouwing, verklaringen gebaseerd op vermoedens.
De uitspraak op rechtspraak.nl
Tekst
RECHTBANK DEN HAAG
Zittingsplaats Amsterdam
Bestuursrecht
Zaaknummers: NL25.61464 (beroep)
NL25.61465 (voorlopige voorziening)
V-nummer: [v-nummer]
uitspraak van de enkelvoudige kamer en de voorzieningenrechter in de zaken tussen
[eiser] ,
geboren op [geboortedag] 1984, van Georgische nationaliteit, eiser/verzoeker (hierna: eiser)
(gemachtigde: mr. M.B. van den Toorn-Volkers),
en
de minister van Asiel en Migratie, de minister
(gemachtigde: mr. W.A. Kleingeld).
Procesverloop
1 In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank/voorzieningenrechter (hierna: de rechtbank) het beroep van eiser tegen de afwijzing van zijn asielaanvraag en zijn verzoek om een voorlopige voorziening.
1.1 Eiser heeft op 25 november 2025 een opvolgende aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd ingediend. De minister heeft met het besluit van 7 december 2025 deze aanvraag in de algemene procedure afgewezen als kennelijk ongegrond. Eiser heeft hiertegen beroep ingesteld bij de rechtbank. Ook heeft hij verzocht om een voorlopige voorziening die ertoe strekt zijn uitzetting te verbieden totdat op zijn beroep is beslist.
1.2 De rechtbank heeft het beroep en het verzoek om een voorlopige voorziening op 13 juli 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben eiser, de gemachtigde van eiser, de gemachtigde van de minister en A. Djavakhadze als tolk in de Georgische taal deelgenomen.
Beoordeling door de rechtbank
Toetsingskader
2 Per 12 juni 2026 is het Asiel- en Migratiepact inwerking getreden. In dat kader is de Vreemdelingenwet 2000 met de Uitvoerings- en implementatiewet Asiel- en migratiepact 2026 (de Uitvoerings- en implementatiewet) gewijzigd. Op grond van artikel IX, zesde lid, onder b, van de Uitvoerings- en implementatiewet, zijn de artikelen van de Vreemdelingenwet 2000 zoals deze gold tot 12 juni 2026 op eisers aanvraag van toepassing omdat deze aanvraag is ingediend vóór 12 juni 2026. In deze uitspraak hebben de verwijzingen naar de Vreemdelingenwet 2000 dan ook betrekking op de wetsversie die geldig was tot 12 juni 2026.
3 Daarnaast zijn er met dit pact diverse richtlijnen omgezet naar verordeningen. Onder meer de Kwalificatierichtlijn is ingetrokken en vervangen door de Kwalificatieverordening. De Kwalificatieverordening kent geen overgangsrecht. Omdat de rechtbank een volledig en ex nunc onderzoek dient te verrichten, zal de rechtbank uitgaan van het recht zoals dat gold ten tijde van het sluiten van het onderzoek. Dit betekent dat de rechtbank zal toetsen aan de Kwalificatieverordening.
Waar gaat deze zaak over?
Vorige procedure
4 Op 25 mei 2024 heeft eiser een eerste asielaanvraag ingediend. Hieraan heeft hij ten grondslag gelegd dat hij in Georgië te vrezen heeft vanwege zijn politieke activiteiten en overtuiging. De minister heeft die aanvraag op 27 juni 2024 afgewezen als kennelijk ongegrond omdat Georgië een veilig land van herkomst is. Eiser heeft tegen de afwijzing beroep ingesteld. Op 24 november 2024 heeft de minister dit besluit tot afwijzing ingetrokken naar aanleiding van een arrest van het Europees Hof van Justitie. De asielaanvraag is vervolgens opnieuw beoordeeld en is op 1 mei 2025 afgewezen als ongegrond. Daarbij is aan eiser een terugkeerbesluit opgelegd. Eiser heeft daartegen geen beroep ingesteld. Het besluit van 1 mei 2025 staat dus in rechte vast.
5 De onderhavige zaak gaat over de opvolgende asielaanvraag van eiser.
Het asielrelaas
6 Eiser heeft aan zijn asielaanvraag ten grondslag gelegd dat hij in Georgië te vrezen heeft omdat er een onderzoek is ingesteld naar de verkiezingen van 2023. Eiser was tijdens die verkiezingen betrokken bij de voorlichting en heeft in dat kader mensen geprobeerd over te halen om op de persoon van de regeringspartij te stemmen. Bij terugkeer vreest eiser dat hij valse verklaringen moet afleggen waarvoor hij vals beschuldigd zou kunnen worden.
Het bestreden besluit
7 Het asielrelaas van eiser bestaat volgens de minister uit de volgende asielmotieven:
identiteit, nationaliteit en herkomst; en
problemen door het onderzoek van de Georgische regering.
7.1 De minister vindt eisers identiteit, nationaliteit en herkomst geloofwaardig. De problemen door het onderzoek van de Georgische regering vindt de minister niet geloofwaardig. Eiser heeft zijn verklaringen onvoldoende met documenten onderbouwd. Hij krijgt niet het voordeel van de twijfel omdat de verklaringen van eiser over dit asielmotief volgens de minister geen samenhangend en aannemelijk geheel vormen. Tot slot heeft eiser niet aannemelijk gemaakt dat hij voor wat betreft het geloofwaardig geachte asielmotief een vrees voor vervolging heeft of een reëel risico op ernstige schade loopt bij terugkeer naar Georgië. De minister heeft de asielaanvraag van eiser afgewezen als kennelijk ongegrond omdat zijn asielaanvraag een opvolgende aanvraag is, die niet niet-ontvankelijk is verklaard. De minister heeft aan eiser een inreisverbod van twee jaar opgelegd.
Wat vindt eiser in beroep?
8. Eiser is het niet eens met de afwijzing van zijn asielaanvraag en voert aan de minister onvoldoende gemotiveerd heeft waarom de problemen door het onderzoek niet geloofwaardig zijn. Eiser heeft namelijk voldoende toegelicht dat er binnen de regeringspartij onderzoek heeft plaatsgevonden naar banden met de oppositiepartij. Daarnaast loopt er een intern onderzoek naar de verkiezingen van de burgemeester van zijn gemeente. Eiser was bij die verkiezingen actief betrokken. Bij terugkeer loopt eiser het risico betrokken te worden bij het onderzoek en zonder duidelijke reden gearresteerd te worden.
Wat is het oordeel van de rechtbank?
9. De rechtbank beoordeelt of de minister de aanvraag van eiser kon afwijzen als kennelijk ongegrond. Zij doet dat aan de hand van de beroepsgronden van eiser. De rechtbank geeft eiser geen gelijk. Hieronder legt de rechtbank dat uit.
Verzoek om aanhouding
10. Op de zitting heeft de gemachtigde verzocht om de zaak voor de duur van één jaar aan te houden, zodat het onderzoek afgerond kan worden en de vrees van eiser daarmee is weggenomen. Ook kan eiser in de tussentijd documenten overleggen die onderbouwen dat twee collega’s in het kader van het onderzoek zijn opgepakt. De rechtbank ziet geen aanleiding om de behandeling van de zaak aan te houden. Daarbij acht de rechtbank van belang dat eiser niet heeft geconcretiseerd welke documenten dan precies zullen worden overgelegd. Bovendien is eiser al geruime tijd op de hoogte van het belang van documenten, eiser heeft namelijk in mei 2024 al zijn eerste asielaanvraag ingediend waarin hij hetzelfde asielmotief heeft aangedragen. Dat eiser in de war was en sinds het indienen van zijn opvolgende aanvraag een periode in bewaring heeft gezeten, maakt dit niet anders. Eiser heeft ook sinds zijn vrijlating geen stappen ondernomen om aan documenten te komen en had ten tijde van de bewaring een advocaat die hem daar ook mee had kunnen helpen. Ook ziet de rechtbank geen aanleiding om de afronding van het onderzoek af te wachten. Zoals hieronder nader zal worden toegelicht, heeft eiser niet onderbouwd dat een dergelijk onderzoek op dit moment plaatsvindt en hoe lang dat onderzoek dan nog zal duren.
Problemen door het onderzoek van de Georgische regering
11. Naar het oordeel van de rechtbank heeft de minister de problemen door het onderzoek van de Georgische regering terecht niet geloofwaardig gevonden. De minister heeft voldoende gemotiveerd waarom de problemen vanwege het onderzoek niet geloofwaardig zijn. Dat eiser aanvoert dat hij voldoende heeft toegelicht dat er binnen de regeringspartij een onderzoek plaatsvindt, maakt het oordeel niet anders. Zonder nadere onderbouwing heeft eiser met deze stelling immers niet aannemelijk gemaakt dat een dergelijk onderzoek plaatsvindt en dat hij daardoor problemen ervaart. De minister heeft dan ook terecht gesteld dat eisers verklaringen over het onderzoek gebaseerd zijn op vermoedens. Voor zover eiser in beroep stelt dat hij in zijn gemeente politiek actief was en hij in die rol mensen overtuigd heeft om te stemmen, betreft dit een herhaling van wat eiser eerder al in de procedure heeft verklaard over de reden van zijn asielaanvraag. Hieruit blijkt niet waarom eiser van mening is dat het bestreden besluit onjuist is. Op de zitting heeft eiser ook aangevoerd dat het nader gehoor gebrekkig is geweest gelet op het groot aantal ingediende correcties en aanvullingen. De rechtbank volgt dit betoog niet. Uit het verslag van het nader gehoor begrijpt de rechtbank dat er opheldering is gevraagd over de positie van eiser, omdat de kandidaat die eiser heeft gesteund ook is verkozen. Dat de minister opheldering heeft gevraagd over de precieze vrees van eiser, is naar het oordeel van de rechtbank juist zorgvuldig geweest. Van een gebrekkig gehoor is dan ook geen sprake.
Gegronde vrees voor vervolging en reëel risico loopt op ernstige schade
12. Gelet op het oordeel dat eisers gestelde problemen door het onderzoek van de Georgische regering niet geloofwaardig zijn, heeft de minister terecht gesteld dat eiser voor wat betreft dit asielmotief geen gegronde vrees heeft voor vervolging en geen reëel risico loopt op ernstige schade.
Conclusie en gevolgen
13 Gelet op het voorgaande, komt de rechtbank tot de conclusie dat de minister de aanvraag terecht heeft afgewezen als kennelijk ongegrond. Het beroep is ongegrond. Dat betekent dat de afwijzing van de asielaanvraag van eiser in stand blijft.
14 Omdat op het beroep is beslist, bestaat er geen aanleiding meer voor het treffen van een voorlopige voorziening. De voorzieningenrechter wijst het verzoek daarom af.
15 Eiser krijgt geen vergoeding van zijn proceskosten.
Beslissing
De rechtbank in de zaak geregistreerd onder nummer NL25.61464:
- verklaart het beroep ongegrond.
De voorzieningenrechter in de zaak geregistreerd onder nummer NL25.61465:
- wijst het verzoek om een voorlopige voorziening af.
Deze uitspraak is gedaan door mr. A.E.J.M. Gielen, (voorzieningen)rechter, in aanwezigheid van mr. L.C.C. Bakx, griffier.
De uitspraak is uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met de uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen 1 week na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen. Tegen de uitspraak op het verzoek om een voorlopige voorziening staat geen rechtsmiddel open.