Rb. Den Haag 31 juli 2026, ECLI:NL:RBDHA:2026:21618

Bewaring – artikel 59, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vw – gronden – lichter middel – beroep ongegrond

De uitspraak op rechtspraak.nl

Tekst

RECHTBANK DEN HAAG
Zittingsplaats Utrecht
Bestuursrecht
zaaknummer: NL26.40787
uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen
[eiser] , V-nummer: [V-nummer] , eiser
(gemachtigde: mr. H.K. Jap A Joe),
en
de minister van Asiel en Migratie, de minister
(gemachtigde: mr. W. Vrooman).

Samenvatting

1 Deze uitspraak gaat over de maatregel van vreemdelingenbewaring die aan eiser is opgelegd. Deze maatregel is opgelegd op grond van artikel 59, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vreemdelingenwet 2000. Eiser is het niet eens met die maatregel. Hij voert daartegen beroepsgronden aan. Onder meer aan de hand van deze beroepsgronden beoordeelt de rechtbank de rechtmatigheid van die maatregel en de vraag of aan eiser een schadevergoeding moet worden toegekend.

1.1 De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat het beroep ongegrond is. Het opleggen van de maatregel van vreemdelingenbewaring is niet onrechtmatig. De maatregel van vreemdelingenbewaring voldoet aan de voorwaarden. De minister hoefde niet te kiezen voor een lichter middel. Er is dus geen reden voor het toekennen van een schadevergoeding. Hieronder legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit heeft.

1.2 In deze uitspraak gebruikt de rechtbank de volgende afkortingen voor de wet- en regelgeving:
Vw: Vreemdelingenwet 2000
Vb: Vreemdelingenbesluit 2000

Procesverloop

2 Met het bestreden besluit van 20 juli 2026 heeft de minister aan eiser de maatregel van vreemdelingenbewaring opgelegd en de rechtbank daarvan in kennis gesteld.

2.1 Deze kennisgeving wordt gelijkgesteld met een door eiser ingesteld beroep. Het beroep wordt ook aangemerkt als een verzoek om schadevergoeding.

2.2 De rechtbank heeft het beroep op 27 juli 2026 met behulp van een beeldverbinding op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiser, de gemachtigde van eiser, J. Allachi als tolk en de gemachtigde van de minister.

Beoordeling door de rechtbank

Toetsingskader

3 De minister kan als het belang van de openbare orde of de nationale veiligheid dat vordert, de vreemdeling die geen rechtmatig verblijf heeft in vreemdelingenbewaring stellen. De minister stelt een vreemdeling slechts in vreemdelingenbewaring, voor zover geen minder dwingende maatregelen doeltreffend kunnen worden toegepast en de vreemdelingenbewaring blijft achterwege of wordt beëindigd, indien deze niet langer noodzakelijk is met het oog op het doel van de vreemdelingenbewaring. Deze vreemdeling kan in vreemdelingenbewaring worden gesteld op grond dat het belang van de openbare orde of nationale veiligheid zulks vordert, indien a) een onderduikrisico bestaat, of b) de vreemdeling de voorbereiding van het vertrek of de uitzettingsprocedure ontwijkt of belemmert. De maatregel kan alleen worden opgelegd wegens het bestaan van een onderduikrisico, indien ten minste twee van de gronden, genoemd in artikel 5.6, tweede lid, van het Vb zich voordoen.

De aan eiser opgelegde maatregel van vreemdelingenbewaring

4 De minister heeft aan eiser de maatregel van vreemdelingenbewaring opgelegd. In deze maatregel staat dat de openbare orde de maatregel vordert, omdat het risico bestaat dat eiser zich aan het toezicht zal onttrekken en eiser de voorbereiding van het vertrek of de uitzettingsprocedure ontwijkt of belemmert.

4.1 In de maatregel heeft de minister als gronden vermeld dat eiser:
a. Nederland niet op de voorgeschreven wijze is binnengekomen, dan wel een poging daartoe heeft gedaan, waarbij de vreemdeling zich gedurende enige tijd aan het toezicht heeft onttrokken of zich zonder toestemming tussen de lidstaten van de Europese Unie beweegt; b. eerder een besluit, kennisgeving of aanzegging heeft ontvangen waaruit de plicht de Europese Unie dan wel Nederland te verlaten blijkt en hij daaraan niet uit eigen beweging binnen de daarin besloten of gestelde termijn gevolg heeft gegeven; c. niet dan wel niet voldoende meewerkt aan het vaststellen van zijn identiteit en nationaliteit; j. een aanvraag voor het verlenen van een verblijfsvergunning asiel heeft ingediend die niet-ontvankelijk is verklaard of is afgewezen als kennelijk ongegrond; p. zich niet aan een of meer andere voor hem geldende verplichtingen van hoofdstuk 4 van het Vb heeft gehouden; r. geen vaste woon- of verblijfplaats heeft; s. niet beschikt over voldoende middelen van bestaan.
5. De minister heeft ter zitting de grond onder 2a laten vallen.
6. Eiser betwist de grond onder 2s. De rechtbank stelt vast dat de overige gronden van de maatregel van vreemdelingenbewaring niet zijn betwist. Over deze niet-betwiste gronden heeft deze rechtbank en zittingsplaats bij uitspraak van 17 juli 2026 reeds een oordeel gegeven. Eiser heeft geen nieuwe feiten of omstandigheden naar voren gebracht op grond waarvan de rechtbank tot een ander oordeel zou moeten komen. De rechtbank oordeelt dan ook dat deze gronden feitelijk juist en voor zover nodig voldoende gemotiveerd zijn om een onderduikrisico aan te nemen en daarmee de maatregel van vreemdelingenbewaring te kunnen dragen. De rechtbank laat de door eiser betwiste grond om die reden verder onbesproken.
Lichter middel
7. Eiser stelt dat de minister had moeten volstaan met het opleggen van een lichter middel dan de maatregel van vreemdelingenbewaring, bijvoorbeeld een meldplicht. Het opleggen van een lichter middel is nog niet eerder geprobeerd en dient alsnog te worden toegepast.
8. De rechtbank is van oordeel dat de minister voldoende heeft gemotiveerd dat niet
kon worden volstaan met het opleggen van een lichter middel. Deze rechtbank en zittingsplaats heeft bij de hierboven genoemde uitspraak van 17 juli 2026 reeds het oordeel gegeven dat de minister niet heeft hoeven volstaan met de oplegging van een lichter middel. Hierbij is onder meer gewezen op de gronden van de maatregel en de motivering waaruit een onderduikrisico volgt, de omstandigheid dat eiser eerder met onbekende bestemming is vertrokken, niet over documenten beschikt en dat een eerder lichter middel niet heeft geleid tot eisers vertrek. Eiser heeft geen nieuwe feiten of omstandigheden naar voren gebracht op grond waarvan de rechtbank tot een ander oordeel zou moeten komen. Eiser heeft ter zitting verklaard dat hij in 2023 niet met onbekende bestemming is vertrokken, maar is gearresteerd. Ook dit geeft de rechtbank geen aanleiding voor een ander oordeel, nu eiser volgens het proces-verbaal van ophouding en onderzoek van 20 juli 2026 heeft verklaard dat hij zich ook aan het toezicht zal onttrekken indien hij hierdoor in Nederland kan blijven en hij dit later niet heeft bestreden. De beroepsgrond slaagt niet.
Leidt ambtshalve toetsing tot een ander oordeel?
9. Los van de door eiser aangevoerde gronden, ziet de rechtbank in de door de minister en eiser verstrekte gegevens geen grond om te komen tot het oordeel dat aan de rechtmatigheidsvoorwaarden voor deze maatregel niet is voldaan. De verklaring van eiser tijdens het gehoor voorafgaande aan de inbewaringstelling op 20 juli 2026, dat hij bang is dat ze hem gaan doodmaken en dat de regering in Egypte hem niet gaat helpen, geeft de rechtbank geen aanleiding voor het oordeel dat eiser niet kan worden uitgezet wegens een mogelijke schending van het refoulementverbod of wegens strijd met het bepaalde in artikel 3 van het EVRM, nu de minister zijn herhaalde asielaanvraag van 1 juli 2026 bij besluit van 19 juli 2026 niet-ontvankelijk heeft verklaard, en in de verklaringen van 20 juli 2026 geen aanknopingspunten hoefde te zien voor de conclusie dat om die reden geen zicht op uitzetting zou bestaan, of dat er sprake zou zijn van nieuwe feiten en omstandigheden ten opzichte van de aan zijn aanvraag van 1 juli 2026 ten grondslag liggende asielmotieven.

Conclusie en gevolgen

10 Het beroep tegen de maatregel van vreemdelingenbewaring is ongegrond. Daarom wordt ook het verzoek om schadevergoeding afgewezen. Eiser krijgt geen vergoeding van zijn proceskosten.

Beslissing

De rechtbank:

- verklaart het beroep ongegrond;

- wijst het verzoek om schadevergoeding af.

Deze uitspraak is gedaan door mr. P. Bruins, rechter, in aanwezigheid van S.N. Lekatompessij, griffier.

Uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:

31 juli 2026

Informatie over hoger beroep

Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met de uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen één week na de dag waarop deze uitspraak is verzonden of na de dag van plaatsing daarvan in het digitale dossier.

Aangehaalde artikelen

Aangehaalde uitspraken