Rb. Den Haag 22 juli 2026, ECLI:NL:RBDHA:2026:21384

visum kort verblijf, Iran, ISS-document, economische en sociale binding, visa Dubai, beroep ongegrond.

De uitspraak op rechtspraak.nl

Tekst

RECHTBANK DEN HAAG
Zittingsplaats Middelburg
Bestuursrecht
zaaknummer: AWB 25/16230
uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen
[eiseres] , eiseres
V-nummer: [V-nummer]
(gemachtigde: [gemachtigde] ),
en
de minister van Buitenlandse Zaken, verweerder,
(gemachtigde: mr. E. Spijkerman).

Procesverloop

Eiseres heeft een aanvraag ingediend voor visum kort verblijf. Verweerder heeft deze aanvraag met het besluit van 12 december 2024 afgewezen. Met het bestreden besluit van 21 juli 2025 op het bezwaar van eiseres is verweerder bij de afwijzing van de aanvraag gebleven.

Eiseres heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit.

Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.

De rechtbank heeft het beroep op 17 juni 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: de gemachtigde van eiseres en de gemachtigde van verweerder.

Overwegingen

1 Eiseres is geboren op [geboortedag] 1985 en heeft de Iraanse nationaliteit. Zij heeft op 3 december 2024 een aanvraag ingediend om afgifte van een visum kort verblijf om op bezoek te gaan bij haar partner [persoon] (referent).

2 Bij het bestreden besluit heeft verweerder het bezwaar van eiseres kennelijk ongegrond verklaard. Verweerder stelt dat het doel en de omstandigheden van het voorgenomen verblijf van eiseres onvoldoende zijn aangetoond dan wel aannemelijk zijn gemaakt. De relatie tussen eiseres en referent is niet met objectieve bewijsstukken aannemelijk gemaakt. Verder is de sociale en economische binding van eiseres met Iran onvoldoende aangetoond, dan wel gering gebleken. Eiseres is veertig jaar en zij heeft geen kinderen waarvoor zij de verantwoordelijkheid draagt. Dat haar ouders en zus in Iran verblijven maakt niet dat de sociale binding met Iran voldoende sterk is. Niet gebleken is dat haar ouders daadwerkelijk hulpbehoevend zijn en dat eiseres voor hen zorgt. Over de economische binding overweegt verweerder dat eiseres dit onvoldoende heeft aangetoond. Uit de bankverklaringen blijkt niet hoe de hoge saldi zijn opgebouwd en dat er maandelijkse stortingen van onder andere haar salaris en de gestelde huurinkomsten hebben plaatsgevonden. De recente hoge stortingen op de rekeningen staan niet in verhouding tot het gestelde inkomen van eiseres. Eiseres heeft verder geen ISS-document overgelegd waaruit blijkt dat zij in Iran werkzaam is. Verder is niet gebleken dat zij voor de ontvangst van de huur en het bezit van onroerend goed in Iran, aldaar aanwezig moet zijn. Gelet hierop bestaat bij verweerder redelijke twijfel over het voornemen van eiseres om vóór het verstrijken van het visum Nederland weer te verlaten.

3 Eiseres voert daartegen aan dat het doel van haar verblijf in Nederland, het bezoeken van haar partner is. Inmiddels zijn zij gehuwd. Verweerder stelt ten onrechte dat eiseres niet voor het aflopen van haar visum zal terugkeren naar Iran. Eiseres heeft een zeer goede band met haar ouders, haar zus en de rest van de familie en ook heeft zij twee katten. Haar ouders zijn daarnaast afhankelijk van haar. Eiseres heeft verder economische binding met Iran, vanwege haar werk en het bezit van onroerend goed. Vanwege dit bezit is de aanwezigheid van eiseres in Iran vereist in het geval van administratieve of financiële handelingen. Ook ontvangt zij huurinkomsten uit de verhuur van haar appartement. Uit de verklaring van haar werkgever van 5 oktober 2025 volgt dat eiseres sinds 5 juli 2020 werkzaam is als administratief en financieel manager bij [werkgever] en dat zij salaris ontvangt. Ten aanzien van de bankafschriften stelt eiseres dat zij een gezamenlijk bankrekening heeft met haar ouders, dit is cultureel gezien gebruikelijk in Iran. Dit geldt ook voor het overboeken van de hoge bedragen naar haar lopende rekening bij Bank Melli. Vanwege cybercriminaliteit is het gebruikelijk dat grote bedragen niet op een rekening blijven staan die dagelijks gebruikt wordt. Om aan te tonen dat eiseres over vermogen beschikt zijn deze bedragen overgeboekt en na indiening van de aanvraag zijn de bedragen weer naar de spaarrekening overgemaakt. Eiseres heeft daarnaast van 10 december 2017 tot en met 1 augustus 2018 in [plaats 1] gewoond op grond van verschillende visa. Zij is na afloop van de aan haar verstrekte en verlengde visa weer teruggekeerd naar Iran. Eiseres heeft er geen belang bij om niet tijdig terug te keren naar Iran omdat eiseres en referent in de toekomst heen en weer willen kunnen reizen tussen Nederland en Iran.

4 Eiseres heeft ter onderbouwing van haar standpunten de volgende voor de beoordeling van dit beroep relevante documenten in bezwaar en beroep overgelegd:

Bankafschriften van zowel lopende als spaarrekeningen bij vier verschillende banken in Iran;
Twee brieven van Keshavarzi-bank van 30 november 2024 over het saldo op haar twee rekeningen bij deze bank;
Rekeningoverzicht van Melli Bank in Iran van 6 oktober 2025;
Rekeningoverzicht van Bank Pasargad in Iran van 11 oktober 2025;
Eigendomsakte van een appartement in [plaats 2] , Iran;
Verhuurovereenkomsten ten aanzien van haar appartement van 20 november 2024 en van 6 september 2025;
Eigendomsakte van een vrijstaande woning met grond in [plaats 3] , Iran;
Werkgeversverklaring van 21 november 2024 van [werkgever] ;
Werkgeversverklaring van 5 oktober 2025 van [werkgever] ;
Loonstroken over de maanden september tot en met november 2024;
Een brief van eiseres over haar totale inkomen;
Drie visa voor [plaats 1] , geldig van 10 december 2017 tot en met 1 augustus 2018;

5 Bij het verweerschrift heeft verweerder laten weten dat hij de relatie tussen eiseres en referent niet meer betwist en dat hij de afwijzingsgrond ‘doel en omstandigheden van het voorgenomen verblijf’ niet langer handhaaft. Wel handhaaft verweerder dat sprake is van vestigingsgevaar in Nederland. Ook met de nieuwe door eiseres overgelegde documenten heeft zij onvoldoende economische binding met Iran aangetoond. Eiseres heeft tot op heden het vereiste ISS-document niet overgelegd waaruit blijkt dat zij werkt. Dat eiseres huurinkomsten ontvangt en onroerend goed bezit is onvoldoende. Immers dit bezit kan ook vanuit het buitenland worden beheerd, verhuurd en verkocht. Aangaande de sociale binding merkt verweerder op dat eiseres niet heeft onderbouwd dat haar ouders afhankelijk zijn van haar. Daarnaast is niet gebleken van een zodanige sociale binding dat tijdige terugkeer naar Iran gewaarborgd is. Dat eiseres eerder een visum heeft gehad voor [plaats 1] betrekt verweerder niet bij de beoordeling, omdat [plaats 1] niet valt binnen het Schengengebied. Verweerder concludeert dat één afwijzingsgrond voldoende is om de afgifte van een visum te weigeren en dat het beroep ongegrond is.

De rechtbank overweegt als volgt

6 Ingevolge artikel 32, eerste lid, van de Visumcode wordt een visum geweigerd indien er redelijke twijfel bestaat over de echtheid van de door de aanvrager overgelegde bewijsstukken of over de geloofwaardigheid van de inhoud ervan, de betrouwbaarheid van de verklaringen van de aanvrager of zijn voornemen om het grondgebied van de lidstaten te verlaten vóór het verstrijken van de geldigheid van het aangevraagde visum.

7 Op grond van artikel 14 van de Visumcode is het aan de aanvrager om met documenten en informatie aannemelijk te maken dat wordt voldaan aan de voorwaarden voor visumverlening. Uit artikel 32, tweede lid, van de Visumcode volgt dat de afwijzende beslissing en de redenen voor de afwijzing van de visumaanvraag kenbaar worden gemaakt door middel van het standaardformulier van bijlage VI bij de Visumcode. Uit het arrest Koushkaki blijkt dat verweerder veel beoordelingsruimte heeft bij het beantwoorden van de vraag of een vreemdeling voldoet aan de voorwaarden van artikel 32, eerste lid, van de Visumcode en de beoordeling van de relevante feiten. Daardoor mag de rechtbank het oordeel alleen terughoudend toetsen. De rechtbank beoordeelt het beroep aan de hand van de feiten en omstandigheden zoals die zich voordeden ten tijde van het bestreden besluit (ex tunc-toetsing)

8 De rechtbank is van oordeel dat verweerder voldoende heeft gemotiveerd dat de economische binding van eiseres met Iran niet zodanig sterk is dat terugkeer naar Iran is gewaarborgd. Eiseres heeft verscheidene documenten overgelegd waaruit blijkt dat zij sinds 5 juli 2020 werkzaam is bij [werkgever] en dat zij sindsdien alle haar salarisbetalingen heeft ontvangen. Verweerder overweegt echter terecht dat eiseres niet het voor Iran vereiste ISS-document heeft overgelegd of een verklaring van haar werkgever waaruit volgt dat zij niet verzekerd is en zij om die reden een dergelijk document niet kan overleggen. De stelling van eiseres ter zitting dat een dergelijke verzekering in Iran niet verplicht is en de economische situatie in Iran maakt dat vele werknemers in Iran niet verzekerd zijn, heeft zij niet onderbouwd. Over de documenten waaruit blijkt dat eiseres onroerend goed bezit en huurinkomsten ontvangt heeft verweerder kunnen overwegen dat uit de door eiseres overgelegde bankafschriften niet blijkt dat eiseres daadwerkelijk huurinkomsten ontvangt. Daarbij heeft verweerder kunnen overwegen dat het bezit van onroerend goed op zichzelf niet maakt dat tijdige terugkeer naar Iran is gegarandeerd. Eiseres stelt in haar beroepschrift weliswaar dat haar aanwezigheid in Iran vereist is in het geval van financiële of administratieve kwesties ten aanzien van het onroerend goed, echter zij heeft deze stelling niet onderbouwd. Ten aanzien van de bankafschriften heeft verweerder kunnen overwegen dat daaruit niet blijkt hoe de hoge saldi zijn opgebouwd en evenmin blijkt daaruit dat maandelijks het salaris van eiseres is gestort. De rechtbank overweegt dat het aan eiseres is om hierin inzicht te verschaffen en dat heeft zij onvoldoende gedaan.

9 Verweerder heeft verder redelijkerwijs kunnen overwegen dat eiseres niet een zodanig sociale binding heeft met Iran dat tijdige terugkeer naar Iran redelijkerwijs gewaarborgd is. Verweerder heeft in dat verband kunnen overwegen dat eiseres geen kinderen heeft en wat dat betreft geen verantwoordelijkheid draagt voor een eigen gezin. Ook is niet onderbouwd dat eiseres, voor zover moet worden aangenomen dat zij hulpbehoevend zijn, zorg draagt voor haar in Iran verblijvende ouders en dat niemand anders deze eventuele zorg over zou kunnen nemen.

10 Nu verweerder heeft kunnen twijfelen aan de intentie van eiseres om voor het verstrijken van het visum terug te keren naar Iran, kan het enkele feit dat eiseres visa heeft gehad voor [plaats 1] , los van de vraag of relevant is dat dit geen visa zijn geweest voor het Schengengebied, niet leiden tot een ander oordeel.

Conclusie en gevolgen

11 Het beroep is ongegrond. Eiseres krijgt daarom het griffierecht niet terug. Zij krijgt ook geen vergoeding van haar proceskosten.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan op 22 juli 2026 door mr. W.H. Bel, rechter, in aanwezigheid van mr. S.D.C.J. Verheezen, griffier en openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op www.rechtspraak.nl

griffier
Rechter

Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:

Tegen deze uitspraak staat geen hoger beroep of verzet open.

Aangehaalde uitspraken