Rb. Den Haag 1 juli 2026, ECLI:NL:RBDHA:2026:21112

Aanvraag mvv met als doel 'verblijf als familie- of gezinslid'; Beroep niet-ontvankelijk voor zover gericht tegen het niet tijdig beslissen; Beroep ongegrond voor zover gericht tegen het alsnog genomen besluit; De rechtbank is van oordeel dat verweerder zich op het standpunt heeft kunnen stellen dat eisers in onderhavige procedure niet alsnog aannemelijk hebben gemaakt dat zij al in Oeganda feitelijk behoorden tot het gezin van referente; Ook wordt niet voldaan aan de voorwaarden van paragraaf B7/3.7.1. van de Vc.

De uitspraak op rechtspraak.nl

Tekst

RECHTBANK DEN HAAG
Bestuursrecht
zaaknummer: NL25.30107
uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen
[eiser 1], V-nummer: [V-nummer 1], eiser
[eiser 2] , V-nummer: [V-nummer 2], eiser 2
hierna tezamen te noemen: eisers
(gemachtigde: mr. M.L. Hoogendoorn),
en
de minister van Asiel en Migratie, verweerder

Inleiding

1 In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep van eisers tegen het niet tijdig nemen van een besluit op hun aanvragen om afgifte van een mvv met als doel ‘verblijf als familie- of gezinslid’ en het alsnog genomen besluit waarbij deze aanvragen zijn afgewezen.

1.1 Eisers hebben op 28 maart 2024 hun mvv-aanvragen ingediend. Verweerder heeft deze aanvragen met de besluiten van 30 oktober 2024 afgewezen
(hierna: de primaire besluiten). Op 7 juli 2025 hebben eisers beroep ingesteld tegen het niet tijdig nemen van een besluit door verweerder op het bezwaar van 14 november 2024. Met het bestreden besluit van 3 oktober 2025 op het bezwaar van eisers is verweerder bij de afwijzing van de aanvraag gebleven.

1.2 De rechtbank heeft het beroep op 9 juni 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: [referente] (referente) en de gemachtigde van eisers. Verweerder is met bericht van verhindering niet verschenen.

Beoordeling door de rechtbank

Waar gaat deze zaak over?

2 Eisers zijn halfbroers van elkaar. Zij hebben een andere biologische moeder, maar dezelfde biologische vader. Eiser is geboren op [geboortedatum 1] 2009 en eiser 2 is geboren op [geboortedatum 2] 2009. Ze hebben de Oegandese nationaliteit. Eisers hebben op 18 januari 2019 mvv-aanvragen ingediend met als doel “verblijf als familie- of gezinslid bij [referente]” (referente). De biologische vader van eisers is de stiefvader van referente. Eisers zijn naar eigen zeggen door hun biologische moeders achtergelaten na het overlijden van hun biologische vader in 2012. Referente zou sinds 2013 de zorg dragen voor eisers. De aanvragen zijn afgewezen in het besluit van 15 april 2021. Het bezwaar van eisers is ongegrond verklaard in het besluit van 6 februari 2023. Het door eisers ingestelde beroep is op 10 oktober 2023 niet-ontvankelijk verklaard.

Eisers hebben op 28 maart 2024 de nu voorliggende mvv-aanvragen ingediend met als doel “verblijf als familie- of gezinslid bij [referente]” (referente).

2.1 Verweerder heeft de aanvragen afgewezen, omdat eisers niet voldoen aan de voorwaarden voor verlening van de mvv’s, zoals bedoeld in artikel 3.28 van het Vreemdelingenbesluit 2000 (Vb) en paragraaf B7/3.7.1 van de Vreemdelingencirculaire 2000 (Vc). Volgens verweerder is namelijk niet gebleken dat eisers geen aanvaardbare toekomst hebben in Oeganda. De afwijzing van de aanvragen levert volgens verweerder geen schending op van artikel 8 van het EVRM, omdat geen sprake is van een beschermenswaardig familie- en gezinsleven tussen eisers en referente.
Wat vinden eisers in beroep?
3. Eisers zijn het niet eens met het bestreden besluit. Verweerder heeft bij de beoordeling van het bezwaar ten onrechte geen acht geslagen op hetgeen door referente is verklaard tijdens de gehoren in de asielprocedure en tijdens de hoorzitting in de eerdere bezwaarprocedure inzake de mvv-aanvraag voor eisers. Referente heeft tijdens de asielprocedure namelijk verklaard over de feitelijke gezinsband voor vertrek uit Oeganda. Verder kunnen eisers zich niet verenigen met het standpunt van verweerder dat de voogdijbeschikkingen niet kunnen aantonen dat er sprake is geweest van een feitelijke gezinsband nu de beschikkingen geruime tijd nadat referente in Nederland is gearriveerd tot stand zijn gekomen. Deze voogdijbeschikkingen kunnen namelijk niet los worden gezien van de eerdere vastgestelde rechtelijke toekenning van de pleegzorg. Tot slot had het op de weg van verweerder gelegen om te volgen dat niemand meer voor eisers wil zorgen vanwege hun verwantschap met referente, een lesbische vrouw. Bij verweerder is namelijk bekend dat de wetgeving ten aanzien van homoseksualiteit zo stringent is dat een burger al strafbaar is als men weet dat iemand homoseksueel is en dit niet meldt bij de autoriteiten. Eisers vinden dat verweerder een te zware bewijslast op referente legt.
Wat is het oordeel van de rechtbank?
Het beroep gericht tegen het niet tijdig beslissen
4. Omdat eisers eerst een beroep tegen het niet tijdig nemen van een besluit hebben ingediend, en op dit beroep nog geen uitspraak is gedaan, zal de rechtbank hier eerst op ingaan.
5. Eisers hebben verweerder met de brief van 17 juni 2025 in gebreke gesteld. Uit het bestreden besluit blijkt dat tussen partijen niet in geschil is dat op dat moment de beslistermijn was verstreken en de ingebrekestelling gelet daarop geldig was. Op 3 oktober 2025 heeft verweerder alsnog op de aanvragen van eisers beslist. Omdat verweerder inmiddels heeft beslist, is het belang van eisers bij een beoordeling van het beroep niet tijdig beslissen op hun aanvragen komen te vervallen. Het beroep is daarom, voor zover gericht tegen het niet tijdig beslissen, niet-ontvankelijk. Nu tussen partijen niet in geschil is dat de beslistermijn door verweerder is overschreden en pas na deze overschrijding een besluit op de aanvragen van eisers is genomen, ziet de rechtbank wel aanleiding om verweerder te veroordelen in de proceskosten van eisers voor het beroep tegen het niet tijdig beslissen.
6. Het beroep tegen het niet tijdig nemen van een besluit heeft ook betrekking op het alsnog genomen besluit, tenzij dit geheel aan het beroep tegemoet komt. Eisers kunnen zich niet verenigen met het genomen besluit. Verweerder is dan ook niet volledig aan het beroep van eisers tegemoetgekomen. Het beroep van eisers tegen het niet tijdig nemen van een besluit is daarom van rechtswege ook gericht tegen het bestreden besluit. De rechtbank gaat hierna in op de beroepsgronden van eisers tegen het bestreden besluit. Het beroep gericht tegen het alsnog genomen besluit
7. De rechtbank is van oordeel dat het beroep van eisers ongegrond is. Hierna legt de
rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.

7.1 Op grond van artikel 3.28, eerste lid, van het Vreemdelingenbesluit 2000 (Vb) kan de verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd onder een beperking verband houdend met verblijf als familie- of gezinslid worden verleend aan de minderjarige vreemdeling:
a. die als pleegkind in Nederland wil verblijven in het gezin van één of meer Nederlanders of vreemdelingen met rechtmatig verblijf, als bedoeld in artikel 8, onder a tot en met e, dan wel l, van de Vw 2000; en
b. die naar het oordeel van verweerder in het land van herkomst geen aanvaardbare toekomst heeft.
In paragraaf B7/3.7 van de Vreemdelingencirculaire 2000 (Vc) zijn de voorwaarden verder uitgewerkt. Daarin wordt onderscheid gemaakt tussen een situatie waarin het pleegkind in het land van herkomst nog geen deel uitmaakte van het gezin van de aspirant-pleegouders (paragraaf B7/3.7.1 van de Vc) en een situatie waarin het pleegkind in het land van herkomst al feitelijk behoorde tot het gezin van de pleegouders en hier nog steeds toe behoort (paragraaf B7/3.7.2 van de Vc).

7.2 De vraag ligt voor of de situatie van eisers valt onder de reikwijdte van paragraaf B7/3.7.1 van de Vc of paragraaf B7/3.7.2. van de Vc.
Wordt er voldaan aan de voorwaarden van paragraaf B7/3.7.2. van de Vc? 8. Volgens paragraaf B7/3.7.2 van de Vc neemt verweerder aan dat een pleegkind geen aanvaardbare toekomst in het land van herkomst heeft als het kind in het land van herkomst al feitelijk behoorde tot het gezin van de pleegouder(s) en hier nog steeds toe behoort en minimaal een jaar in het land van herkomst is verzorgd en opgevoed door de pleegouder(s), omdat de eigen ouders overleden zijn of niet in staat waren om voor het kind te zorgen.

8.1 Allereerst is van belang dat verweerder in het besluit van 6 februari 2023 heeft vastgesteld dat referente niet aannemelijk heeft gemaakt dat er op het moment van haar inreis in Nederland een pleegouder-pleegkindrelatie bestond tussen haar en eisers. Het daartegen ingestelde beroep is niet-ontvankelijk verklaard, zodat die beslissing in rechte vaststaat.

8.2 De rechtbank is van oordeel dat verweerder zich op het standpunt heeft kunnen stellen dat eisers in onderhavige procedure niet alsnog aannemelijk hebben gemaakt dat zij al in Oeganda feitelijk behoorden tot het gezin van referente. Eisers hebben in onderhavige procedure voogdijbeschikkingen daterend van 22 december 2023 overgelegd. Verweerder heeft erop kunnen wijzen dat uit deze voogdijbeschikkingen niet kan worden afgeleid dat er sprake was van een feitelijke gezinsband in de tijd dat referente nog in Oeganda woonde. De beschikkingen dateren immers van na het vertrek van referente naar Nederland en over het verleden zeggen deze beschikkingen niets. Het betoog van eisers dat de voogdijbeschikkingen niet los kunnen worden gezien van de eerder vastgestelde rechtelijke toekenning van de pleegzorg, leidt niet tot een ander oordeel. Het overgelegde document ‘Power of attorney’ van 2019 is namelijk geen bewijs van juridische voogdij, maar een notarieel opgemaakte verklaring. 8.3. Verweerder heeft zich, gelet op het voorgaande, op het standpunt kunnen stellen dat er geen sprake is van een situatie zoals bedoeld in paragraaf B7/3.7.2. van de Vc.
Wordt er voldaan aan de voorwaarden van paragraaf B7/3.7.1. van de Vc? 9. Volgens paragraaf B7/3.7.1 van de Vc is, in het geval het kind in het land van herkomst nog geen deel uitmaakte van het gezin van de aspirant-pleegouder, geen sprake van een aanvaardbare toekomst als er zodanige omstandigheden zijn, dat het kind niet of bezwaarlijk door in het land van herkomst wonende naaste bloed- of aanverwanten kan worden verzorgd.

9.1 De rechtbank is van oordeel dat verweerder zich op het standpunt heeft kunnen stellen dat eisers niet voldoen aan de voorwaarden van paragraaf B7/3.7.1 van de Vc. Eén van de voorwaarden is dat het pleegkind een bloed- of aanverwant van de referent moet zijn als bedoeld in artikel 1:3 van het Burgerlijk Wetboek. Hiervan is geen sprake. Eisers zijn namelijk de gestelde stiefbroers van referente en kunnen daarom niet worden aangemerkt als pleegkinderen in de zin van artikel 3.28 van het Vb. Nu dit één van een aantal cumulatieve voorwaarden betreft, komt de rechtbank niet meer toe aan een bespreking van de overige vereisten.
8 EVRM
10. Eisers hebben geen beroepsgronden ingediend tegen de conclusie van verweerder dat er geen sprake is van gezinsleven in de zin van artikel 8 van het EVRM. De rechtbank zal hier daarom geen oordeel over vellen.

Conclusie en gevolgen

11 Het beroep is niet-ontvankelijk voor zover gericht tegen het niet tijdig beslissen. Eisers krijgen hiervoor wel een vergoeding van hun proceskosten. Deze kosten worden op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht vastgesteld op € 467,-.

12 Het beroep, voor zover gericht tegen het alsnog genomen besluit, is ongegrond. Dat betekent dat het bestreden besluit in stand blijft. Eisers krijgen in zoverre geen vergoeding van hun proceskosten.

Beslissing

De rechtbank:

verklaart het beroep, voor zover het is gericht tegen het niet tijdig nemen van een besluit, niet-ontvankelijk;
verklaart het beroep, voor zover het gericht is tegen het bestreden besluit, ongegrond;
veroordeelt verweerder in de proceskosten van eisers tot een bedrag van € 467,-.

Deze uitspraak is gedaan door mr. B. van Dokkum, rechter, in aanwezigheid van mr.S.M.H. van der Velden, griffier.

De beslissing is uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:

Informatie over hoger beroep

Een partij die het niet eens is met deze uitspraak op het beroep, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen vier weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.

Aangehaalde artikelen