Rb. Den Haag 13 februari 2026, ECLI:NL:RBDHA:2026:20800
Asiel; verweerder heeft de pas in beroep ingediende medische stukken niet hoeven betrekken bij ambtshalve beoordeling art. 64 Vw; verweerder heeft gestelde problemen ongeloofwaardig kunnen vinden; verweerder heeft de asielaanvraag kennelijk ongegrond kunnen afwijzen op grond van art. 30b, lid 1, onder e, Vw; van strijd met art. 3:2 en 3:46 Awb niet gebleken; beroep ongegrond; verzoek om voorlopige voorziening afgewezen.
De uitspraak op rechtspraak.nl
Tekst
RECHTBANK DEN HAAG
Bestuursrecht
zaaknummers: NL25.60338 en NL25.60339
uitspraak van de enkelvoudige kamer en de voorzieningenrechter in de zaak tussen
[eiser] , V-nummer: [v-nummer] , eiser/verzoeker (hierna: eiser)
(gemachtigde: mr. B. Manawi),
en
de minister van Asiel en Migratie, verweerder
(gemachtigde: mr. J. Amakodo).
Inleiding
1 In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep van eiser tegen de afwijzing van zijn asielaanvraag en beoordeelt de voorzieningenrechter zijn verzoek om een voorlopige voorziening. Eiser heeft op 19 november 2025 een aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd ingediend. Verweerder heeft met het bestreden besluit van 4 december 2025 deze aanvraag in de algemene procedure afgewezen als kennelijk ongegrond.
1.1 De rechtbank heeft het beroep en het verzoek om een voorlopige voorziening op 3 februari 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiser, de gemachtigde van eiser, K. van Wezel als tolk en de gemachtigde van verweerder.
Beoordeling door de rechtbank
Waar gaat deze zaak over?
Het asielrelaas
2 Eiser stelt te zijn geboren op [geboortedatum] 1969 en de Colombiaanse nationaliteit te hebben. Hij heeft het volgende aan zijn asielaanvraag ten grondslag gelegd. Eiser heeft al ongeveer 20 jaar een eigen onderneming waarmee hij handelt in kleding en schoenen. Sinds 10 september 2025 wordt eiser via dreigpamfletten en spraakberichten afgeperst door Los Costeños, een drugsbende. Naar aanleiding van de eerste dreigementen heeft eiser hen twee miljoen pesos betaald, maar geweigerd om het daarna geëiste bedrag van vijf miljoen pesos te betalen en om andere ondernemers tot betaling te bewegen. Daarbij is ook eisers dochter bedreigd, als eiser hen niet zou helpen. Eiser heeft zijn dochter naar zijn zus gestuurd en zelf zeven dagen ondergedoken gezeten bij zijn moeder voordat hij is gevlucht. Bij terugkeer vreest eiser door Los Costeños vermoord te worden.
Het bestreden besluit
3 Verweerder heeft twee asielmotieven uit het asielrelaas van eiser herleid. Verweerder vindt zijn identiteit, nationaliteit en herkomst geloofwaardig. Dat eiser problemen heeft met Los Costeños vindt verweerder niet geloofwaardig. Verweerder werpt eiser hiervoor tegen dat hij zijn asielmotief niet met objectieve documenten heeft onderbouwd en dat zijn verklaringen geen aannemelijk en samenhangend geheel vormen. Eiser is dan ook geen vluchteling in de zin van het Vluchtelingenverdrag en verweerder neemt geen reëel risico op ernstige schade in de zin van artikel 3 van het EVRM aan bij terugkeer. Verweerder wijst eisers asielaanvraag daarbij af als kennelijk ongegrond omdat hij kennelijk inconsequente en tegenstrijdige verklaringen heeft afgelegd. Tot slot legt verweerder eiser een terugkeerbesluit op zonder vertrektermijn en een inreisverbod voor twee jaar.
Wat vindt eiser in beroep?
4 Eiser is het niet eens met het bestreden besluit en voert hiertoe het volgende aan. Hij stelt zich op het standpunt dat het bestreden besluit in strijd is met artikelen 3:2 en 3:46 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb). Verweerder heeft eisers aanvraag niet af kunnen wijzen als kennelijk ongegrond, omdat er geen sprake is van innerlijke of evidente tegenstrijdigheden. Verweerder heeft enkel gewezen op detailverschillen. Daarbij miskent deze lezing van verweerder de verdiepende aard van de gehoren. Latere aanvullingen of precisering van verklaringen doen niet zonder meer afbreuk aan de geloofwaardigheid. Ook heeft eiser in het bestreden besluit op één punt van zijn zienswijze gelijk gekregen, namelijk dat zijn verklaring over de afgifte van het geldbedrag niet wisselend is geweest. Dit had voor verweerder aanleiding moeten zijn om de kennelijk ongegrondverklaring te laten vallen. Het is daarnaast niet gebleken dat verweerder de verklaringen van eiser in onderlinge samenhang heeft beoordeeld en verweerder heeft onvoldoende gemotiveerd waarom de verklaringen van eiser over de inhoud van de dreigpamfletten ongeloofwaardig zouden zijn. Het voorgenoemde maakt ook dat het terugkeerbesluit en het inreisverbod niet zijn gebaseerd op een deugdelijke juridische grondslag.
Wat is het oordeel van de rechtbank?
Artikel 64 van de Vw
5 Kort voor de zitting heeft eiser gewezen op zijn medische omstandigheden, namelijk hypertensie (hoge bloeddruk) en knieproblematiek na een eerdere complexe breuk. Eiser is recent tweemaal gevallen. Voor deze omstandigheden is medische controle noodzakelijk en mogelijk ook een specialistisch (operatief) vervolgtraject. Eiser heeft de rechtbank verzocht verweerder op te dragen medisch advies in te winnen bij het BMA, nu hij van mening is dat hij niet in staat is te reizen of Nederland te verlaten zonder ernstige gevolgen voor zijn gezondheid.
5.1 Verweerder moet bij een eerste asielaanvraag in beginsel ambtshalve toetsen aan artikel 64 van de Vw, namelijk of de vreemdeling in aanmerking komt voor uitstel van vertrek op grond van zijn medische omstandigheden. De ambtshalve toetsing heeft in dit geval ook plaatsgevonden. Verweerder heeft zich, bij gebrek aan medische informatie, naar het oordeel van de rechtbank terecht op het standpunt gesteld dat ten tijde van het nemen van het bestreden besluit, er geen aanleiding bestond om een BMA-advies op te vragen. Eiser heeft pas in beroep medische stukken overgelegd en een beroep gedaan op zijn medische situatie. Verweerder heeft de door eiser overgelegde stukken, te weten een uitdraai van zijn medisch dossier, in dit stadium niet (meer) in de beoordeling hoeven te betrekken. Gelet hierop ziet de rechtbank dan ook geen aanleiding om het onderzoek te heropenen en verweerder op te dragen over te gaan tot nader medisch onderzoek. Het staat eiser vrij om een aparte aanvraag in te dienen voor uitstel van vertrek op grond van zijn medische omstandigheden.
Geloofwaardigheidsbeoordeling
6. Verweerder heeft de door eiser gestelde problemen met Los Costeños ongeloofwaardig bevonden. Hiervoor heeft hij eiser tegen kunnen werpen dat hij zijn asielrelaas onvoldoende heeft onderbouwd met objectieve documenten. Eiser heeft namelijk weliswaar drie dreigpamfletten overgelegd, maar dit zijn zwart-wit kopieën en niet de originelen. Hoewel verweerder de inhoud wel in de beoordeling heeft meegenomen, kunnen deze niet op echtheid worden onderzocht. Ook het uittreksel van de Colombiaanse Kamer van Koophandel is slechts een kopie die zich niet voor nader onderzoek leent. Verder heeft eiser verklaard over spraakberichten en geschreven bedreigingen van de bende via Whatsapp en reacties van eiser daarop. Eiser heeft deze berichten in eerste instantie niet overgelegd, omdat hij de telefoon waarop deze berichten zijn ontvangen en verstuurd, niet heeft meegenomen bij zijn vertrek uit Colombia. Na het uitbrengen van het voornemen heeft eiser alsnog een Whatsappbericht overgelegd en aangekondigd twee spraakberichten naar verweerder te zullen sturen. Verweerder heeft zich echter op het standpunt kunnen stellen dat eiser niet heeft onderbouwd van wie het Whatsappbericht afkomstig is en dat de afzender van een spraakbericht niet zonder meer is vast te stellen. Verweerder heeft hieraan en aan de documenten die eiser heeft ingebracht dus weinig waarde kunnen toekennen.
6.1 Verder heeft verweerder eiser tegen kunnen werpen dat zijn verklaringen geen aannemelijk en samenhangend geheel vormen. Zo heeft eiser wisselend verklaard over welke bedreigingen hij heeft gekregen. Eiser verklaarde eerst in het aanmeldgehoor dreigberichten te hebben gekregen en dat zij persoonlijk bij hem langs zijn geweest, maar hij heeft niets gezegd over dreigpamfletten. In het nader gehoor heeft eiser in eerste instantie alleen verklaard over dreigpamfletten en vertelde hij pas later dat hij ook spraakberichten heeft ontvangen. Eiser heeft daarbij wisselend verklaard over de spraakberichten, omdat eiser eerst één spraakbericht noemde en pas later een tweede. Ook over de inhoud van het eerste spraakbericht heeft eiser wisselend verklaard, omdat hij eerst verklaarde dat daarin niets over de te betalen twee miljoen pesos werd gezegd, maar later verklaarde dat dit wel in dat bericht werd gezegd. Verweerder kon eiser verder tegenwerpen dat hij wisselend heeft verklaard over de inhoud van de dreigpamfletten door te verklaren dat in het eerste pamflet stond dat hij moest betalen, maar dat dit niet uit de vertaling ervan bleek. Over het derde pamflet verklaarde eiser dat daarin stond dat hij vijf miljoen pesos moest betalen, maar dit bleek ook niet uit de vertaling. Daarbij blijkt daaruit niet dat dit pamflet afkomstig is van Los Costeños, nu daarin een ander logo en een andere bendenaam vermeld staat. Pas nadat eiser met het verschil tussen de vertaling en zijn verklaring werd geconfronteerd, verklaarde hij dat de vijf miljoen pesos in het tweede spraakbericht wordt genoemd. Dat, zoals eiser stelt, het nader gehoor een verdiepend karakter heeft kan de rechtbank volgen. Dit neemt echter niet weg dat verweerder wel van eiser mag verwachten dat hij consistent en aannemelijk verklaart over wat hem is overkomen. Verweerder heeft deze verklaringen wel degelijk wisselend en inconsistent kunnen vinden, te meer nu zijn latere verklaringen niet overeenkomen met zijn vrije relaas en zijn verklaringen ook niet met zijn eigen bewijsmateriaal overeenkomen. Dit gaat verder dan een verdieping van eerdere verklaringen of detailverschillen over de bedreigingen die eiser ontvangen stelt te hebben. Dit raakt bovendien de kern van zijn asielrelaas en de grondslag van zijn vrees bij terugkeer.
6.2 Eisers verklaringen over de handelswijze van zijn bedreigers heeft verweerder verder ook niet logisch hoeven vinden, nu er geen reden lijkt te zijn waarom ze eiser niet persoonlijk zouden aanspreken en bedreigen. De stelling dat ze bang zouden zijn dat eiser een wapen zou hebben heeft verweerder niet zonder meer hoeven volgen, nu dit nergens uit blijkt. Bovendien heeft eiser volgens zijn verklaring de twee miljoen pesos in opdracht van deze volgens hem machtige bende in persoon afgegeven, wat niet rijmt met de gestelde vrees van de bende voor bewapening van de kant van eiser. Daarnaast heeft verweerder het onbegrijpelijk kunnen achten dat eiser geen verder onderzoek heeft gedaan naar wie zijn bedreigers precies zijn, waarom ze hem willen en wat hij kan verwachten en dat hij geen aangifte heeft gedaan bij de autoriteiten, te meer nu uit algemene landeninformatie blijkt dat de Colombiaanse autoriteiten bescherming kunnen bieden tegen bendes. Voor zover eiser heeft verklaard dat dit gevaarlijk is omdat de bende infiltranten heeft bij de politie, heeft verweerder eiser kunnen tegenwerpen dat hij dit niet nader heeft onderbouwd.
6.3 De rechtbank volgt eiser niet in het betoog dat verweerder de beoordeelde elementen en asielmotieven niet of onvoldoende in samenhang heeft beoordeeld. Eiser heeft ter zitting aangevoerd dat in samenhang bezien de kern van zijn relaas – namelijk de bedreigingen en problemen daardoor – vast staat. Eiser gaat hiermee echter voorbij aan de eerder benoemde inconsistenties in zijn verklaringen. Naar het oordeel van de rechtbank heeft verweerder het asielmotief van eiser op grond hiervan dan ook ongeloofwaardig kunnen vinden.
Kennelijk ongegrond
7. Zoals de rechtbank hiervoor heeft overwogen, raken de inconsistenties in zijn verklaringen de kern van eisers asielrelaas en de grondslag van zijn gestelde vrees bij terugkeer. Dat eiser naar aanleiding van zijn zienswijze in een punt door verweerder wordt gevolgd, heeft verweerder niet tot een andere conclusie over de geloofwaardigheid hoeven leiden. Verweerder heeft er op kunnen wijzen dat dit geen afbreuk doet aan de overige tegenwerpingen. Eiser is er namelijk alleen in gevolgd dat hij, achteraf bezien, niet inconsistent heeft verklaard over de datum waarop hij de twee miljoen pesos zou hebben betaald. Staan blijft echter dat eiser inconsistent heeft verklaard over de bedreigingen, de spraakberichten, de inhoud van de spraakberichten en de inhoud van de dreigpamfletten. Verweerder heeft hiervan kunnen vinden dat die maken dat aan eisers verklaring alle overtuigingskracht wordt ontnomen met betrekking tot de vraag of hij in aanmerking komt voor verlening van een asielvergunning, en de aanvraag van eiser kunnen afwijzen als kennelijk ongegrond.
7.1 Gelet op het voorgaande zijn het terugkeerbesluit en inreisverbod terecht opgelegd. De rechtbank ziet ook geen grond voor het oordeel dat het bestreden besluit in strijd is met de artikelen 3:2 en 3:46 van de Awb.
Conclusie en gevolgen
8 Verweerder heeft de aanvraag op goede gronden afgewezen als kennelijk ongegrond. Dat betekent dat het beroep ongegrond is en het bestreden besluit in stand blijft.
8.1 Omdat op het beroep is beslist, bestaat er geen aanleiding meer voor het treffen van een voorlopige voorziening. De voorzieningenrechter wijst het verzoek daarom af.
8.2 Eiser krijgt geen vergoeding van zijn proceskosten.
Beslissing
De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
De voorzieningenrechter wijst het verzoek om een voorlopige voorziening af.
Deze uitspraak is gedaan door mr. C.W. Griffioen, (voorzieningen)rechter, in aanwezigheid van mr. H.S. van Wessel, griffier.
De beslissing is uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak op het beroep, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen een week na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.