Rb. Den Haag 17 juli 2026, ECLI:NL:RBDHA:2026:20271

Verlenging overdrachtstermijn, gegrond.

De uitspraak op rechtspraak.nl

Tekst

RECHTBANK DEN HAAG
Bestuursrecht
zaaknummer: NL26.28770
uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen
[eiser] , V-nummer: [v-nummer] , eiser
(gemachtigde: mr. R.S. Frickus)
en
de minister van Asiel en Migratie, verweerder.

Inleiding

1 In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep van eiser tegen het bestreden besluit van 18 mei 2026. Met dat besluit heeft verweerder de termijn voor de overdracht van eiser aan Kroatië in het kader van de Dublinverordening tot twaalf maanden verlengd.

1.1 Bij het bestreden besluit van 18 mei 2026 heeft verweerder de overdrachtstermijn verlengd tot een jaar. Daaraan is ten grondslag gelegd dat eiser gevangen is gezet.

1.2 De rechtbank heeft het beroep op 9 juli 2026 op zitting behandeld. Eiser en zijn gemachtigde zijn verschenen. Verweerder is, met voorafgaand bericht, niet verschenen.

Beoordeling door de rechtbank

Waar gaat deze zaak over?

2 Eiser is geboren op [geboortedatum] 2001 en heeft een onbekende nationaliteit en is van Palestijnse afkomst. Verweerder heeft de termijn voor overdracht overeenkomstig artikel 29, tweede lid van de Dublinverordening verlengd vanwege gevangenzetting.

Wat vindt eiser in beroep?

3 Eiser betoogt dat de verlenging van de overdrachtstermijn onrechtmatig is. Hij verblijft niet in detentie, maar in een AZC en kampt met ernstige psychische klachten als gevolg van trauma’s. Volgens eiser is onvoldoende rekening gehouden met zijn medische situatie en de lopende procedure tegen het overdrachtsbesluit. Daarnaast stelt hij dat overdracht aan Kroatië een reëel risico vormt op een ernstige verslechtering van zijn gezondheid en daarmee mogelijk strijd oplevert met artikel 3 EVRM. Daarom verzoekt hij vernietiging van het verlengingsbesluit.

Wat is het oordeel van de rechtbank?

4 De rechtbank beoordeelt of verweerder de uiterlijke overdrachtstermijn op goede gronden heeft kunnen verlengen. Zij doet dat aan de hand van de beroepsgronden van eiser.

5 De rechtbank geeft eiser gelijk. Hieronder legt de rechtbank uit hoe en waarom zij tot deze conclusie is gekomen.

6 Uit artikel 29, tweede lid, van de Dublinverordening volgt dat als de overdracht niet plaatsvindt binnen de gestelde termijn van zes maanden, de verplichting voor de verantwoordelijke lidstaat om de vreemdeling over te nemen of terug te nemen komt te vervallen. De verantwoordelijkheid voor de behandeling van de asielaanvraag van die vreemdeling gaat dan over op de verzoekende lidstaat. De termijn van overdracht van de vreemdeling kan tot maximaal een jaar worden verlengd als de overdracht wegens gevangenzetting van de vreemdeling niet kon worden uitgevoerd.

6.1 Ter zitting is vastgesteld dat eiser ten tijde van het verlengingsbesluit in een VRIS-procedure zat, maar niet dat hij in strafrechtelijke detentie verbleef. Uit de door verweerder overgelegde gegevens blijkt weliswaar dat ten aanzien van eiser een VRIS-procedure liep en dat hij enige tijd heeft verbleven bij de vreemdelingenpolitie, maar daaruit volgt niet dat sprake was van gevangenzetting als bedoeld in artikel 29, tweede lid, van de Dublinverordening. Het begrip gevangenzetting moet autonoom en uniform worden uitgelegd en ziet uitsluitend op de tenuitvoerlegging van een vrijheidsstraf die in het kader van een strafprocedure is opgelegd wegens het plegen van een strafbaar feit waarvan de betrokkene schuldig is bevonden of wordt verdacht. Van een dergelijke situatie was in het geval van eiser geen sprake. Nu niet was voldaan aan de in artikel 29, tweede lid, van de Dublinverordening gestelde voorwaarde van gevangenzetting, ontbrak een rechtsgrond voor verlening van de overdrachtstermijn.

6.2 Gelet hierop heeft verweerder de overdrachtstermijn ten onrechte verlengd. Daarbij neemt de rechtbank mede in aanmerking dat verweerder ten tijde van het verlengingsbesluit nog voldoende tijd had om de overdracht van eiser binnen de reguliere overdrachtstermijn te realiseren. De enkele omstandigheden dat eiser in het kader van de VRIS-procedure in beeld was bij de vreemdelingenpolitie, maakt dit niet anders.

6.3 Nu de eerste beroepsgrond slaagt en dit reeds tot vernietiging van het bestreden besluit leidt, hoeven de overige beroepsgronden geen bespreking meer.

Conclusie en gevolgen

7 Het beroep is gegrond. Het besluit van verweerder om de overdrachtstermijn te verlengen wordt vernietigd.

8 Omdat het beroep gegrond is, bestaat aanleiding voor een proceskostenveroordeling. De rechtbank veroordeelt verweerder daarom in de door eiser gemaakte proceskosten. Deze kosten stelt de rechtbank op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vast op € 1.868,- (1 punt voor het indienen van een beroepsschrift en 1 punt voor het verschijnen ter zitting, met een waarde per punt van € 934,- en een wegingsfactor 1).

Beslissing

De rechtbank :

- verklaart het beroep gegrond;

- vernietigd het verlengingsbesluit van 18 mei 2026;

- veroordeelt verweerder in de proceskosten van eiser tot een bedrag van € 1.868,-.

Deze uitspraak is gedaan door mr. J. Holleman, (voorzieningen)rechter, in aanwezigheid van K. el Mahsini, griffier.

De beslissing is uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:

Informatie over hoger beroep

Een partij die het niet eens is met deze uitspraak op het beroep, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen een week na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.

Aangehaalde artikelen

Aangehaalde uitspraken