Rb. Den Haag 5 februari 2026, ECLI:NL:RBDHA:2026:1898
Bewaring asielgrond / opheffing – het horen voorafgaand aan de maatregel dient om te onderzoeken of oplegging van de maatregel met een specifiek doel en een specifieke grondslag noodzakelijk, proportioneel en evenredig is en moet dus zijn toegespitst op die grondslag. Iedere bewaringsgrondslag kent namelijk specifieke rechtmatigheidsvoorwaarden, wat onder meer de rechtvaardiging voor de zogenoemde ‘schottentheorie’ is. Verweerder moet in het onderzoek allereerst vaststellen of de vreemdeling rechtmatig verblijf heeft, of er wellicht aanknopingspunten zijn om de Dublinverordening van toepassing te achten of dat de vreemdeling een zogenoemde statushouder is. Na deze vaststelling weet verweerder of hij de vreemdeling, als deze vreemdeling geen verblijfsvergunning of andere toestemming voor verblijf heeft, moet verwijderen naar zijn land van herkomst, kan overdragen aan de verantwoordelijke lidstaat, de asielprocedure moet laten doorlopen of de vreemdeling moet aanzeggen om zich naar de statusverlenende lidstaat te begeven. Als verweerder dit is nagegaan, kan verweerder vervolgens onderzoeken of dit doel ook kan worden bereikt zonder vrijheidsontnemende maatregel. Een bewaringsmaatregel is immers een ultimum remedium om dat doel te bereiken. Nagenoeg alle vragen die aan eiser zijn gesteld zien op de vraag waarom eiser niet is teruggekeerd naar zijn land van herkomst nadat een terugkeerbesluit is vastgesteld en of hij bereid is om mee te werken aan terugkeer. Het gehoor is in het geheel niet gerelateerd aan de asielgrondslag. De maatregel is daardoor zodanig onzorgvuldig voorbereid dat dit de maatregel onrechtmatig maakt. Opheffing & invrijheidstelling & SV & PKV.
De uitspraak op rechtspraak.nl