Rb. Den Haag 3 juni 2026, ECLI:NL:RBDHA:2026:15661
Koop/aanneming (installaties voor kassen). Eindvonnis na deskundigenonderzoek. Deel klachten te laat (art. 7:23 BW). Gedeeltelijke ontbinding voor gebreken, vaststellen omvang ontbinding. Geschil over wie procespartij is (v.o.f. of vennoot?). Uitleg processtukken.
De uitspraak op rechtspraak.nl
Tekst
vonnis
RECHTBANK DEN HAAG
Team handel
zaaknummer / rolnummer: C/09/522385 / HA ZA 16-1322
Vonnis van 3 juni 2026
in de zaak van
LEK INSTALLATIETECHNIEK B.V., te Ter Aar,
eiseres in conventie,
verweerster in reconventie,
advocaat mr. D.Th.J. van der Klei te Den Haag,
tegen
1. [partij B sub1] VOF (in liquidatie), voorheen handelend onder de naam ‘ [handelsnaam 1] ’, te [vestigingsplaats] ,
2. [partij B sub 2], voorheen handelend onder de naam ‘ [handelsnaam 2]’, te [vestigingsplaats] ,
gedaagden in conventie,
eisers in reconventie,
advocaat mr. J.M. van Rongen te Heerenveen.
Eiseres in conventie (tevens verweerster in reconventie) wordt hierna ‘Lek’ genoemd.
Gedaagden in conventie (tevens eisers in reconventie) worden hierna afzonderlijk – in lijn met alle eerdere tussenvonnissen – ‘ [partij B sub1] ’ en ‘ [partij B sub 2] ’ genoemd en samen ‘ [gedaagden] ’. Hierbij wordt benadrukt dat met gedaagde sub 1, afgekort aangeduid als ‘ [partij B sub1] ’ [partij B sub1] (voorheen genaamd: [handelsnaam 1] ) is bedoeld, en niet [vennoot 1] , de vennoot van die firma. De rechtbank gaat hier in dit vonnis nog nader op in.
1 De procedure
1.1 In het tussenvonnis van 21 oktober 2020 zijn TNO (afdeling Bouw, Infra en Maritiem/Glastuinbouw) (‘TNO’) en FW Techniek-Consultancy B.V. (‘FW Techniek’) door de rechtbank tot deskundigen benoemd om antwoord te geven op de in dat vonnis geformuleerde vragen. De rechtbank heeft sindsdien de volgende tussenvonnissen en (rol)beslissingen gewezen:
het tussenvonnis van 30 november 2022, waarin een aanvullend voorschot voor het onderzoek van TNO is bepaald;
het tussenvonnis van 30 november 2024, waarin een tweede aanvullend voorschot voor het onderzoek van TNO is bepaald en aan TNO een extra termijn is verleend voor het indienen van het definitieve rapport;
de rolbeslissing van 12 maart 2025, waarin een verzoek van [gedaagden] tot ontslag van TNO als deskundige is afgewezen;
het tussenvonnis van 30 juli 2025, waarin de kosten van het deskundigenonderzoek van TNO zijn begroot, op basis van (thans) artikel 191, eerste lid van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (Rv).
De partijstukken waarop deze beslissingen zijn gebaseerd zijn in de tussenvonnissen en de rolbeslissingen genoemd.
1.2 FW Techniek heeft op 23 april 2021 zijn definitieve deskundigenrapport ingediend. TNO heeft op 15 mei 2025 haar definitieve rapport ingeleverd. Die rapporten (met alle bijlagen) behoren tot de processtukken. De rechtbank heeft op 23 juni 2025 instructies voor het verdere vervolg van de procedure gegeven en bepaald dat een mondelinge behandeling zal plaatsvinden. Voorafgaand aan die mondelinge behandeling zijn de volgende stukken door partijen ingediend:
de akte in conventie tot wijziging van eis en/of gronden ex art. 130 Rv van Lek van 18 december 2024, met producties XII (1 t/m 6);
de conclusie na deskundigenbericht van Lek van 15 oktober 2025, met producties XIII (1 t/m 8);
de conclusie na deskundigenbericht van [gedaagden] van 15 oktober 2025, tevens akte bezwaar tegen wijziging/vermeerdering eis in conventie tevens wijziging/vermeerdering van eis in reconventie, met producties M1 t/m M27;
de antwoordakte na deskundigenbericht tevens conclusie van repliek inzake punten 3 en 4 (eiswijziging Lek en de vorderingsgerechtigheid van [gedaagden] ) van Lek van 10 december 2025, met producties XIII (9 t/m 18) en XIV (0 t/m 21);
de antwoordakte van [gedaagden] van 10 december 2025, met producties M28 t/m M31;
de antwoordakte (op onderdelen 6, 7 en 8 en producties XIV van de akte van Lek van 10 december 2025) van [gedaagden] van 14 januari 2026, met producties M32 t/m M35;
de voorwaardelijke conclusie van [gedaagden] tot oproeping van een derde ex artikel 118 Rv) van [gedaagden] van 14 januari 2026;
de incidentele conclusie van antwoord van Lek van 28 januari 2026, met producties XIV (22 en 23).
De rechtbank heeft op 31 oktober, 3 november en 19 december 2025 naar aanleiding van bezwaren van partijen een aantal regiebeslissingen genomen, waarbij onder meer is bepaald dat bepaalde onderdelen van de door Lek ingediende conclusies, akten en producties worden geweigerd en dat de eiswijziging in reconventie van [gedaagden] wordt toegestaan.
1.3 Op 6 februari 2026 is een mondelinge behandeling gehouden. De advocaten van partijen hebben het woord gevoerd aan de hand van schriftelijke spreekaantekeningen, die ter zitting zijn overhandigd en tot de processtukken behoren. De griffier heeft aantekeningen gemaakt van wat verder ter zitting is besproken en naar voren is gebracht. De aantekeningen zijn aan het griffiedossier toegevoegd.
1.4 Voorafgaand aan de mondelinge behandeling (op 27 januari 2026) zijn door Lek nog aanvullende producties XV (1 t/m 4, met bijlagen) toegezonden. De rechtbank heeft ter zitting bepaald dat deze producties worden toegestaan en tot de processtukken horen, maar dat [gedaagden] nog gelegenheid krijgen om daarop schriftelijk te reageren, indien die stukken de doorslag kunnen geven bij de beoordeling van de vorderingen.
1.5 De datum voor vonnis is bepaald op vandaag.
2 De verdere beoordeling (in conventie en in reconventie)
2.1 De rechtbank heeft in het eerste inhoudelijke tussenvonnis van 14 maart 2018 (‘het Tussenvonnis’) al meerdere beslissingen gegeven. Nog niet beantwoord is de vraag in hoeverre sprake is van een toerekenbare tekortkoming aan de kant van Lek en of die tekortkoming [gedaagden] recht geeft op gedeeltelijke ontbinding en schadevergoeding. De rechtbank zal in dit vonnis verder ingaan op die vraag, aan de hand van de deskundigenrapporten van TNO en FW Techniek en de standpunten die partijen hierover hebben ingenomen.
2.2 Voordat wordt toegekomen aan dit geschilpunt, ligt nog een aantal andere geschilpunten ter beslechting voor, te weten (1) de toelaatbaarheid van de eiswijziging in conventie van Lek, (2) de hoedanigheid en identiteit van procespartij [partij B sub1] , (3) de door Lek betwiste vorderingsgerechtigheid van [gedaagden] en (4) het verzoek van Lek om terug te komen van meerdere bindende eindbeslissingen in het Tussenvonnis.
2.3 Over deze vier geschilpunten wordt als volgt beslist.
De eiswijziging in conventie van 18 december 2024 wordt deels geweigerd, deels toegestaan
2.4 Lek heeft op 18 december 2024 een akte tot wijziging van (gronden van) de eis in conventie ingediend. [gedaagden] hebben bezwaar gemaakt tegen de wijziging van eis. De rechtbank beslist ten aanzien daarvan als volgt.
De eiswijziging van vordering III (waarin thans een deelbetaling van € 10.000 voor de kosten van Lek wordt gevorderd) wordt toegestaan. Daartegen hebben [gedaagden] ook geen bezwaar. Zij voeren wel inhoudelijk verweer.
De toevoeging in vordering I ‘mede ex artikel 18 K’ (het Wetboek van Koophandel; WvK) wordt niet toegestaan, omdat dit neerkomt op een ontoelaatbare wijziging of uitbreiding van de hoedanigheid en identiteit van de gedaagde procespartij (zie hierna, r.o. 2.6 - 2.10)
De toevoeging ‘waaronder de (meerwerk)facturen van Lek (…) weer overgelegd en toegelicht bij wijziging van eis en/of gronden’ in vordering I en II wordt evenmin toegestaan, omdat dit feitelijk een verzoek van Lek betreft om het meerwerk alsnog toe te lichten en te onderbouwen. Over het meerwerk is al een bindende eindbeslissing gegeven in het Tussenvonnis. Van die beslissing wordt niet teruggekomen en er is dus geen ruimte voor Lek om bij deze rechtbank verder debat over het meerwerk te voeren (zie hierna, r.o. 2.19).
Gedaagde/eiser in reconventie onder sub 1 is de VOF [partij B sub1] (in liquidatie)
2.5 Tussen partijen is een geschil ontstaan over de hoedanigheid en identiteit van de procespartij gedaagde sub 1 (tevens eiser in reconventie sub 1), die tot voor kort in de processtukken en de tussenvonnissen afgekort is aangeduid als ‘ [partij B sub1] ’. Lek stelt dat zij niet [partij B sub1] , voorheen handelend onder de naam ‘ [handelsnaam 1] ’ (‘de VOF’) heeft gedagvaard, maar diens vennoot [vennoot 1] , op basis van zijn hoofdelijke aansprakelijkheid op basis van artikel 18 WvK. Dat houdt volgens Lek ook in dat [vennoot 1] (de vennoot) geen vordering in reconventie kan instellen op basis van de overeenkomst van 30 mei 2012. Op grond van artikel 136 Rv en artikel 7A:1655 van het Burgerlijk Wetboek (BW) kan alleen de VOF dat, aldus Lek. [gedaagden] betwisten het door Lek ingenomen standpunt. Volgens [partij B sub1] is uitsluitend de VOF de in rechte betrokken procespartij en niet [vennoot 1] zelf, in zijn hoedanigheid van vennoot.
2.6 De vraag wat de hoedanigheid en identiteit van een betrokken gedaagde procespartij is, vergt uitleg van de processtukken van partijen. Hierbij fungeert de wilsvertrouwensleer als maatstaf. Het gaat er om wat de betrokkenen uit die processtukken hebben begrepen of althans redelijkerwijs hadden moeten begrijpen (artikelen 3:33, 3:35 en 3:59 BW). Daarbij geldt ook dat strenge eisen worden gesteld aan de duidelijkheid van het dagvaardingsexploot, in verband met de aard van dat stuk en de belangen van de wederpartij. Een eisende partij moet dus helder omschrijven wat de hoedanigheid en identiteit is van de eisende partij en van de gedaagde partij en die omschrijving weegt zwaar bij de beoordeling van de vraag welke (rechts)persoon in rechte is betrokken.
2.7 Tussen partijen is niet in geschil dat één van de twee overeenkomsten van 30 mei 2012 (‘de overeenkomsten’) – die de basis vormen van alle vorderingen in deze procedure – is gesloten tussen Lek en de VOF (toen nog geheten: [handelsnaam 1] ). De VOF had twee vennoten: [vennoot 1] en zijn echtgenote [vennoot 2] ’). Lek heeft op basis van de overeenkomsten een vordering tot betaling van facturen ingesteld. Uit het exploot van dagvaarding blijkt dat Lek als gedaagde partij 1 heeft gedagvaard: ‘[vennoot 1] voorheen h.o.d.n. [handelsnaam 1]’, in de dagvaarding vervolgens verkort aangeduid als ‘ [partij B sub1] ’. Deze partijomschrijving is niet heel duidelijk: enerzijds wordt de naam van de vennoot genoemd ( [vennoot 1] ), anderzijds wordt verwezen naar de handelsnaam van de VOF ( [handelsnaam 1] ). Uit de toelichting van het geschil en de vordering in de dagvaarding blijkt echter onmiskenbaar dat het de bedoeling van Lek is geweest om de wederpartij te dagvaarden met wie zij destijds de overeenkomst heeft gesloten. Niet ter discussie staat dat dit de VOF was, toen handelend onder de naam [handelsnaam 1] (en sinds 1 augustus 2015 handelend onder de naam ‘ [partij B sub1] ’). Voor Lek moet ook duidelijk zijn geweest dat de contractspartij [handelsnaam 1] een vennootschap onder firma was, want Lek heeft bij de dagvaarding als productie 4 een uittreksel uit het handelsregister van de VOF overgelegd en zij werd bijgestaan door een advocaat. Nergens uit de dagvaarding blijkt dat het Lek voor ogen heeft gestaan om niet de contractuele wederpartij (de VOF voorheen handelend onder de naam [handelsnaam 1] ), maar haar vennoot [vennoot 1] in rechte te betrekken, op basis van zijn hoofdelijke aansprakelijkheid op grond van artikel 18 WvK. Artikel 18 WvK wordt in de dagvaarding ook nergens genoemd.
2.8 Partij [partij B sub1] is vervolgens in het geding verschenen en heeft (samen met [partij B sub 2] ) op 25 januari 2017 een conclusie van antwoord (tevens conclusie van eis in reconventie) ingediend. In de kop van die conclusie staat dat deze mede is genomen namens “[vennoot 1] h.o.d.n. [partij B sub1]”, in de conclusie vervolgens (evenals in de dagvaarding) afgekort als ‘ [partij B sub1] ’. Weliswaar is ook in de partijomschrijving in de kop van de conclusie niet met zoveel woorden toegevoegd dat partij [partij B sub1] een vennootschap onder firma is, maar uit de inhoud van de conclusie blijkt dat het de VOF is die is verschenen. Immers, [partij B sub1] was op dat moment de handelsnaam van de VOF. Daarnaast is in de conclusie opgemerkt dat partij [partij B sub1] de overeenkomst met Lek heeft gesloten en dat [vennoot 1] zijn onderneming uitoefent vanuit een vennootschap onder firma. Uit de conclusie blijkt op geen enkele wijze dat [partij B sub1] het zo heeft begrepen dat niet de contractant (de VOF), maar (alleen) hijzelf in hoedanigheid van vennoot was gedagvaard. Bovendien heeft [partij B sub1] in de conclusie van 25 januari 2017 diverse vorderingen in reconventie ingesteld, eveneens op basis van de tussen Lek en de VOF gesloten overeenkomst. Lek heeft daarop met een conclusie van antwoord in reconventie gereageerd. In dit antwoord heeft Lek nergens als verweer aangevoerd dat [partij B sub1] de vorderingen in reconventie niet kan instellen, omdat Lek niet de VOF had gedagvaard, maar [partij B sub1] in zijn hoedanigheid van vennoot. Ook tijdens de mondelinge behandeling van 19 september 2017 is dat verweer niet gevoerd.
2.9 [partij B sub1] mocht dan ook ervan uitgaan dat tussen partijen niet in geschil was wie door Lek als procespartij in rechte was betrokken, namelijk de contractuele wederpartij bij de overeenkomst: de VOF [partij B sub1] , voorheen handelend onder de naam [handelsnaam 1] . Dat de rechtbank in de eerdere tussenvonnissen de procespartij heeft omschreven als ‘ [vennoot 1] ’ (en niet als [partij B sub1] ), vloeit voort uit het feit dat Lek in de dagvaarding zelf onvoldoende duidelijk tot uitdrukking heeft gebracht dat zij een vennootschap onder firma had gedagvaard en dat de hoedanigheid, de identiteit of de vorderingsgerechtigheid van partij [partij B sub1] tot voor kort nooit een onderwerp van geschil zijn geweest. Uit het voorgaande volgt evenwel dat de gedingstukken geen andere uitleg toelaten dan dat de VOF de door Lek gedagvaarde procespartij is en dat de VOF een vordering in reconventie heeft ingesteld. Het stond [gedaagden] dan ook vrij om de onduidelijkheid in de partijnaam in haar latere conclusie van 15 oktober 2025 te rectificeren en te verduidelijken dat procespartij is: ‘ [partij B sub1] VOF’ (in liquidatie), teneinde te voorkomen dat in een latere (executie)fase onduidelijkheden bestaan ten aanzien van de vraag tussen welke partijen het vonnis rechtskracht heeft.
2.10 Het voorgaande betekent ook dat Lek de grondslag van haar vordering in conventie nu niet kan uitbreiden door in een eiswijziging toe te voegen dat deze mede is gebaseerd op artikel 18 WvK. Lek heeft alleen de VOF gedagvaard en niet (tevens) diens vennoot [vennoot 1] . Uitbreiding of wijziging van de grondslag van de vordering naar een vordering tegen de vennoot op grond van artikel 18 WvK zou neerkomen op een ontoelaatbare wijziging van de hoedanigheid en identiteit van de in rechte betrokken procespartij.
2.11 De rechtbank zal geen gevolg geven aan de voorwaardelijke vordering tot oproeping van [vennoot 2] in dit geding. De VOF is in conventie en in reconventie procespartij. Weliswaar is de VOF sinds 25 september 2019 ontbonden en in liquidatie, maar ook een ontbonden VOF in vereffening kan zelfstandig als eisende en werende partij blijven optreden. De VOF (in liquidatie) is in deze procedure vertegenwoordigd door haar voormalig vennoot en (thans) medevereffenaar [vennoot 1] , die van zijn medevennoot en medevereffenaar [vennoot 2] een schriftelijke volmacht heeft verkregen om namens de VOF op te treden en alles te doen wat hij in het kader van de vereffening van de VOF noodzakelijk acht, met – voor zover nodig – bekrachtiging van alle eerdere door hem namens de VOF verrichte rechtshandelingen. Er bestaat geen noodzaak of aanleiding om [vennoot 2] in het geding te betrekken.
[gedaagden] zijn nog steeds vorderingsgerechtigd
2.12 Lek heeft betoogd dat [gedaagden] niet langer gerechtigd zijn tot hun vorderingen in reconventie, aangezien alle activa van de VOF op 25 november 2019 zijn overgedragen aan [de BV 1] B.V. Hetzelfde is op 20 december 2023 gebeurd met de activa van de eenmanszaak [handelsnaam 2] , die zijn ingebracht in [de BV 2] B.V. (hierna samen met [de BV 1] B.V.: ‘de BV’s). Aannemelijk is dat bij die overdracht ook de gestelde vorderingen in reconventie op Lek zijn meegenomen, aldus Lek. Dit betoog wordt niet gevolgd. De rechtbank licht dit toe.
2.13 Vast staat dat de contractuele rechtsverhouding tussen de VOF en Lek en tussen [partij B sub 2] en Lek niet aan de BV’s is overgedragen, want daarvoor is op grond van artikel 6:159 BW toestemming nodig van Lek, die – zo is niet in geschil – niet is gegeven.
2.14 Evenmin is sprake van overdracht van de vorderingen in reconventie aan een derde (besloten vennootschappen van [gedaagden] ). Op grond van artikel 3:94 BW zijn voor de overdracht van vorderingen noodzakelijk (1) een daartoe bestemde akte en (2) mededeling daarvan aan de debiteur. Overdracht van een vordering vereist een titel: een verbintenisrechtelijke overeenkomst waarbij de oorspronkelijke schuldeiser (de cedent) zich verplicht om een vordering aan een ander (de cessionaris) over te dragen.
Indien in een akte melding wordt gemaakt van een over te dragen vordering, maar daarvoor geen overeenkomst tussen partijen bestaat, gaat die vordering dus niet over, omdat dan niet aan het vereiste van een geldige titel is voldaan. Voor de uitleg van de vraag of een overdracht van een vordering is overeengekomen, is de tekst van de cessie-akte niet beslissend; het komt aan op de betekenis die de betrokken partijen (cedent en cessionaris) aan de akte mochten toekennen en wat zij in verband daarmee redelijkerwijs van elkaar mochten verwachten (Haviltex-maatstaf). In dit geval stelt Lek dat uit de oprichtingsakten van de BV’s volgt dat de vorderingen op Lek aan de BV’s zijn overgedragen, maar dat staat daar nergens met zoveel woorden. Bovendien hebben zowel de gestelde cedenten ( [partij B sub1] en [partij B sub 2] ) als de gestelde cessionarissen (de BV’s) betwist dat tussen hen is overeengekomen dat de vorderingen op Lek aan de BV’s worden gecedeerd. Van een titel (een verbintenisrechtelijke afspraak) tot overdracht van de vorderingen is dus niet gebleken. Bovendien is nooit mededeling aan Lek gedaan van een cessie van de vordering aan de BV’s, zodat ook daarom geen sprake kan zijn van een rechtsgeldige cessie. De op 23 november 2024 door de besloten vennootschappen van [partij B sub1] zekerheidshalve verstuurde stuitingsbrief kan niet als een mededeling van cessie worden opgevat. In die brief valt namelijk nergens te lezen dat de besloten vennootschappen de in deze procedure ingestelde vorderingen op Lek hebben overgenomen.
2.15 Evenmin slaagt het verweer van Lek dat [gedaagden] niet vorderingsgerechtigd zijn, omdat zij hun vorderingen op Lek aan de Rabobank hebben verpand en de inningsbevoegdheid van de vorderingen is overgegaan op de bank. Lek heeft niet concreet onderbouwd dat de vorderingen zijn verpand aan de bank. Bovendien blijft een pandgever bevoegd tot het vorderen van nakoming en innen van een vordering, zolang het pandrecht niet aan de schuldenaar van de vordering is medegedeeld (artikel 3:246, eerste lid BW). Gesteld noch gebleken is dat op enig moment aan Lek is medegedeeld dat de vorderingen van [gedaagden] op Lek aan de bank zijn verpand. Anders dan Lek betoogt, is de vermelding van een pandrecht van de Rabobank in een gedeponeerde publicatiejaarrekening geen mededeling van het pandrecht aan de debiteur als bedoeld in artikel 3:246, eerste lid BW. Bovendien verwijst Lek hiertoe naar een publicatiejaarrekening 2016 van [bedrijfsnaam 1] B.V., die geen vordering op Lek heeft.
2.16 De rechtbank is dus van oordeel dat [gedaagden] nog steeds gerechtigd zijn tot hun vorderingen in reconventie. [gedaagden] kunnen dan ook nog steeds gedeeltelijke ontbinding van de overeenkomsten en terugbetaling wegens ongedaanmaking vorderen. Wel staat vast dat [gedaagden] de door Lek verkochte en geïnstalleerde installaties inmiddels hebben overgedragen aan de BV’s. De rechtbank zal hierna nog ingaan op de vraag of, en zo ja welke, gevolgen die overdracht heeft voor de door [gedaagden] gevorderde ontbindingsschade (bestaande uit herstelkosten).
Er wordt niet teruggekomen van bindende eindbeslissingen in het Tussenvonnis
2.17 Het Tussenvonnis bevat meerdere beslissingen over door partijen opgeworpen (juridische) geschilpunten. Die beslissingen zijn uitdrukkelijk en zonder voorbehoud gegeven en kwalificeren daarmee als bindende eindbeslissingen. Zo heeft de rechtbank – voor zover thans van belang – geoordeeld dat de vordering van Lek in conventie niet toewijsbaar is voor zover deze betrekking heeft op betwist meerwerk, wegens onvoldoende onderbouwing daarvan door Lek. Het gaat dan ten opzichte van [partij B sub1] om een bedrag van € 2.839,66 dat niet toewijsbaar is en ten opzichte van [partij B sub 2] om een bedrag van € 58.762,35 (Tussenvonnis, r.o. 4.3). Verder heeft de rechtbank – ten aanzien van de vorderingen in reconventie – verworpen het beroep van Lek op niet-ontvankelijkheid omdat een in artikel 23, vierde lid AV voorgeschreven bindend advies procedure door een deskundige zou moeten worden gevolgd (Tussenvonnis, r.o. 4.5). Ook is geoordeeld dat Lek medio 2015 in verzuim was, omdat Lek geen gevolg heeft gegeven aan de ingebrekestellingen van 21 mei 2015 (mits [gedaagden] erin slagen het in de ingebrekestellingen genoemde tekortschieten van Lek te bewijzen), en dat [gedaagden] wel op 22 maart 2013 de betaling van facturen mochten opschorten, maar Lek andersom niet bevoegd was om tot opschorting over te gaan vanwege het uitblijven van betaling door [gedaagden] (Tussenvonnis, r.o. 4.8 en 4.15).
Ten slotte heeft de rechtbank het beroep van Lek op het experimentele karakter van de overeenkomsten en de parallellen met een volgens Lek vergelijkbare overeenkomsten uit een scheidsrechterlijk vonnis, verworpen (Tussenvonnis, r.o. 4.23).
2.18 De rechtbank is in het verdere verloop van deze procedure in beginsel aan al deze bindende eindbeslissingen gebonden. Deze gebondenheid is gericht op beperking van het debat en is uit het oogpunt van de goede procesorde positief te waarderen. Op die gebondenheid bestaat een uitzondering. De rechter kan van een bindende eindbeslissing terugkomen indien blijkt dat die beslissing berust op een onjuiste juridische of feitelijke grondslag, bijvoorbeeld als dit oordeel was gegrond op een onhoudbare feitelijke lezing van een of meer gedingstukken, welke lezing, bij handhaving, zou leiden tot een einduitspraak waarvan de rechter overtuigd is dat die ondeugdelijk zou zijn.
2.19 Lek heeft de rechtbank verzocht om terug te komen van de eerdere gegeven bindende eindbeslissingen over het meerwerk, het oudste verzuim, het recht op opschorting, het experimentele karakter en de bindend advies clausule. Lek heeft echter geen feiten of omstandigheden aangedragen waaruit blijkt dat die beslissingen berustten op een onjuiste juridische of feitelijke grondslag. Voor het heropenen van het debat over die beslispunten is geen plaats. Ten aanzien het beroep van Lek op de bindend adviesclausule van artikel 23, vierde lid AV geldt dat de rechtbank in r.o. 4.5 van het Tussenvonnis die bepaling heeft uitgelegd en heeft geconcludeerd dat die bepaling niet ertoe leidt dat [gedaagden] niet-ontvankelijk moeten worden verklaard in hun vorderingen in reconventie. Lek is het niet eens met dat oordeel, maar heeft geen feiten en omstandigheden gesteld waaruit volgt dat sprake is van een juridische misslag. Er is dus geen grond om van die beslissing terug te komen.
2.20 De rechtbank blijft dus bij de beslissingen die in het Tussenvonnis zijn gegeven en neemt deze bij de verdere beoordeling tot uitgangspunt.
Nieuwe klachten [gedaagden] (CO2-transportleiding, stikstofvoorraadvat, materiaal LBK’s), schending klachtplicht
2.21 [gedaagden] hebben in hun conclusie na deskundigenbericht een aantal ‘nieuwe’ non-conformiteiten in de door Lek geleverde installaties aan de orde gesteld, waar volgens Lek nog niet eerder met zoveel woorden over is geklaagd. Het betreft de volgende klachten:
De luchtbehandelingskasten (LBK’s) van het ventilatiesysteem zijn volgens [gedaagden] niet in het afgesproken materiaal uitgevoerd. In de overeenkomsten staat dat de wanden van de LBK’s zijn opgebouwd uit aluminium extrusie profielen en dat de panelen in de LBK’s sandwichpanelen zijn met aan beide zijden aluminium en gecoat plaatmateriaal. In plaats van aluminium zijn (goedkopere) stalen platen gebruikt. Dit is in het rapport van Nebest van 1 oktober 2025 vastgesteld (productie M21 [gedaagden] ). De stalen platen zijn gaan corroderen, waardoor de ventilatiesystemen (nog) minder goed werken en sneller verouderen.
Daarnaast is geconstateerd dat de CO2-transportleiding bij [partij B sub1] een te lage capaciteit heeft en niet aan de specificaties van de overeenkomst voldoet. [gedaagden] verwijzen ter onderbouwing naar een rapport van DLV Gas & Energie (DLVGE) van 2 oktober 2025, overgelegd als productie M13. Hierin concludeert DLVGE dat het vermogen van de CO2-transportventilator kleiner is dan wat was aangeboden (2,2 in plaats van 5,5 kW) en de diameter van de transportleiding eveneens te klein is uitgevoerd (250 in plaats van 315 mm).
Ten derde is bij [partij B sub1] gebleken dat het door Lek aan hem geleverde stikstofvoorraadvat 60% kleiner is dan was overeengekomen: er is een vat van 200 liter geleverd in plaats van de overeengekomen 500 liter, aldus – telkens en samengevat – [gedaagden]
2.22 Lek voert primair als verweer aan dat [gedaagden] op grond van artikel 23, eerste lid AV, althans op grond van de wet (artikelen 6:89 BW en 7:758 BW) geen beroep meer kunnen doen op deze gebreken in het geleverde, omdat hun klachten hierover te laat zijn geuit. Dit verweer slaagt. De rechtbank licht dit oordeel toe.
2.23 Partijen zijn het erover eens dat sprake is van gemengde overeenkomsten in de zin van artikel 6:215 BW (koop/aanneming). Op grond van de overeenkomsten zou Lek de in de overeenkomsten beschreven installatie-onderdelen (belichting, elektra, ventilatie, verwarmingen en bewatering) aan [gedaagden] leveren en in de kas van Lek installeren. De thans naar voren gebrachte klachten van [gedaagden] komen erop neer dat door Lek geleverde installatieonderdelen niet in overeenstemming zijn met wat volgens de overeenkomsten door Lek zou worden geleverd (want te klein, te dun of van ander materiaal). Uit het Tussenvonnis volgt dat het niet tot een oplevering is gekomen, omdat Lek ook in maart 2013 nog niet volledig klaar was en [gedaagden] vervolgens hun betalingen hebben opgeschort. Het staat echter niet ter discussie dat de installaties waar [gedaagden] thans over klaagt (de CO2-transportleiding, LBK’s en de stikstofinstallatie) wel feitelijk aan [gedaagden] zijn geleverd en door [gedaagden] in gebruik zijn genomen. Ook gelet op de aard van de klachten (non-conformiteit van het geleverde), moet in dit geval de regeling van artikel 7:23 BW worden toegepast om te beoordelen of de klachten van [gedaagden] (niet) te laat zijn.
2.24 Artikel 7:23 BW bevat voor koop een regel die vergelijkbaar is met die van artikel 6:89 BW en die dezelfde ratio kent. Artikel 7:23, eerste lid, eerste zin, BW houdt in dat de koper geen beroep meer erop kan doen dat wat is afgeleverd niet aan de overeenkomst beantwoordt, indien hij de verkoper daarvan niet binnen bekwame tijd nadat hij dit heeft ontdekt of redelijkerwijs had behoren te ontdekken, in kennis heeft gesteld. Deze bepaling beschermt de verkoper tegen te late en daardoor moeilijk te betwisten klachten, door voor de koper een korte termijn voor te schrijven om over het niet beantwoorden van de zaak aan de overeenkomst te klagen.
2.25 De vraag of de koper binnen bekwame tijd als bedoeld in artikel 7:23, eerste lid BW heeft gereclameerd over gebreken aan de afgeleverde zaak, kan niet in algemene zin worden beantwoord. In de in de eerste zin van die bepaling geregelde gevallen dient de koper (a) ter beantwoording van de vraag of de hem afgeleverde zaak aan de overeenkomst beantwoordt het in de gegeven omstandigheden redelijkerwijs van hem te verwachten onderzoek te verrichten en (b) binnen bekwame tijd nadat hij heeft ontdekt of bij een dergelijk onderzoek had behoren te ontdekken dat de afgeleverde zaak niet aan de overeenkomst beantwoordt, hiervan kennis te geven aan de verkoper.
2.26 In het geval van een niet-consumentenkoop (zoals hier), dient de vraag of de kennisgeving binnen bekwame tijd is geschied te worden beantwoord onder afweging van alle betrokken belangen en met inachtneming van alle relevante omstandigheden, waaronder het antwoord op de vraag of de verkoper nadeel lijdt door het tijdsverloop totdat is geklaagd. Een vaste termijn kan daarbij niet worden gehanteerd, ook niet als uitgangspunt. In dit verband dient de rechter rekening te houden met enerzijds het voor de koper ingrijpende rechtsgevolg van het te laat protesteren zoals in artikel 7:23 BW vermeld – te weten verval van al zijn rechten ter zake van de tekortkoming – en anderzijds de concrete belangen waarin de verkoper is geschaad door het late tijdstip waarop dat protest is gedaan, zoals een benadeling in zijn bewijspositie of een aantasting van zijn mogelijkheden de gevolgen van de gestelde tekortkoming te beperken. De tijd die is verstreken tussen het tijdstip dat bekendheid met het gebrek bestaat of redelijkerwijs diende te bestaan, en dat van het protest, vormt in die beoordeling weliswaar een belangrijke factor, maar is niet doorslaggevend.
2.27 Vast staat dat [gedaagden] in 2013 en 2014 klachten hadden over de werking van het ventilatiesysteem en over storingen in de Sotex stikstofinstallatie en de CO2 ventilator. [gedaagden] hebben naar aanleiding van hun klachten Climeco en DLVGE in 2013 en 2014 onderzoek laten doen naar respectievelijk het ventilatiesysteem en het verwarmingssysteem (waartoe ook de Sotex-installatie behoort). [gedaagden] hebben vervolgens op basis van de deskundigenrapporten van Climeco en DLVGE in reconventie vorderingen tot ontbinding en schadevergoeding ingesteld. Zij hebben toen – ruim drie jaar na levering – niet geklaagd over een te klein stikstofvat, een te lage capaciteit van de CO2-transportleiding of afwijkende materialen in de LBK’s. Vervolgens hebben [gedaagden] in 2018 van de rechtbank nogmaals de gelegenheid gekregen om hun klachten nader te onderbouwen en de waarde van de bijbehorende gemiste prestatie en de herstelkosten te begroten. Het kenbare doel daarvan was om in deze procedure duidelijkheid te krijgen over de omvang van de tegenvordering van [gedaagden] Voor [gedaagden] moet dan ook helder zijn geweest dat dit het laatste moment was om alle gebreken in het geleverde in kaart te brengen en te begroten. [gedaagden] hebben vervolgens nieuwe rapporten door Climeco en DLVGE laten opstellen, met een begroting van de herstelkosten. Aan de hand daarvan hebben [gedaagden] in Excel-overzichten hun klachten opgesomd. Ook toen is niet geklaagd over gebreken of non-conformiteiten in de CO2-transportleiding, het stikstofvat en het materiaal van de LBK’s.
2.28 [gedaagden] hebben aldus over een periode van vijf jaar na de levering van de installaties, die installaties met hulp van partijdeskundigen (kunnen) laten onderzoeken op gebreken of afwijkingen ten opzichte van de overeenkomsten. Lek heeft gesteld dat de huidige gebreken bij een grondige keuring naar voren hadden kunnen komen. [gedaagden] hebben hiertegenover onvoldoende gemotiveerd dat en waarom zij het gebrek aan de LBK’s niet al eerder hadden behoren te ontdekken, dat wil zeggen in elk geval vóór mei 2018, toen zij de gelegenheid kregen om alle gebreken in de geleverde installaties nader te onderbouwen.
2.29 [gedaagden] hebben pas veel later bij Lek geklaagd over de gebreken in het LBK-materiaal, de CO2-transportleiding en het te krappe stikstofvat. Immers, Lek heeft onweersproken gesteld dat de klachten pas in de conclusie na deskundigenbericht van 15 oktober 2025 – dat wil zeggen zeven jaar na hun akte eisvermeerdering en dertien jaar na de levering – bij Lek onder de aandacht zijn gebracht. Dit is te laat, ook omdat Lek hierdoor niet in staat is geweest om tijdig zelf onderzoek naar de gebreken uit te voeren en de gebreken ook niet in het onderzoek van TNO konden worden meegenomen, aangezien dit onderzoek zich heeft gericht op de klachten die [gedaagden] in ingebrekestellingen en in hun akte na tussenvonnis van 23 mei 2018 hadden opgesomd. Lek lijdt dan ook nadeel doordat pas in het allerlaatste stadium van deze procedure klachten over deze gebreken worden geuit. De rechtbank is dan ook van oordeel dat [gedaagden] op grond van artikel 7:23 BW geen beroep meer kunnen doen op de non-conformiteiten in de genoemde punten; zij hebben hun rechten ter zake verloren.
Verdere beoordeling van de tegenvorderingen van Mans
2.30 De rechtbank komt hierna tot het oordeel dat Lek haar verplichtingen uit de overeenkomsten op verschillende onderdelen niet is nagekomen. De rechtbank komt ook tot het oordeel dat – nu Lek in verzuim is (zie Tussenvonnis, r.o. 4.8) – [gedaagden] de overeenkomsten wegens toerekenbare tekortkoming gedeeltelijk hebben mogen ontbinden en recht hebben op schadevergoeding. De rechtbank zal hierna onder r.o. 2.155 e.v. toelichten tot welk totaalbedrag de overeenkomsten zijn ontbonden en welke verdere gevolgen dat heeft voor de vorderingen in conventie en in reconventie. De rechtbank zal hierna eerst per installatie-onderdeel (ventilatiesysteem, warmte-installatie, watergeefinstallatie, computerinstallatie, elektra-installatie en belichtingsinstallatie) beoordelen in hoeverre sprake is van een tekortkoming van Lek.
Vorderingen in reconventie van Mans, het HNT-ventilatiesysteem (onderdeel A)
2.31 Als eerste wordt het HNT-ventilatiesysteem beoordeeld. TNO heeft onderzoek gedaan naar de door [gedaagden] gestelde gebreken in dit systeem, onder meer ten aanzien van de tekortschietende capaciteit en ongelijkmatige luchtverdeling. Ten aanzien van die gebreken volgt de rechtbank het rapport van TNO. Er zijn geen gronden om te twijfelen aan de onafhankelijkheid en de expertise van TNO. De rechtbank gaat niet mee in de klacht van [gedaagden] dat TNO zich voor haar conclusies op een te beperkte steekproef heeft gebaseerd. TNO heeft in het rapport gemotiveerd waarom het naar haar deskundig inzicht voldoende was om in twintig slangen (bij twee LBK’s) de luchthoeveelheid te meten via de luchtsnelheid en in vier slangen de drukverdeling over de lengte van de slang te meten, om conclusies te trekken over de gelijkmatigheid van de luchtverdeling.
2.32 De rechtbank ziet geen reden om aan dit oordeel te twijfelen. Weliswaar heeft TNO alleen in de kas van [partij B sub 2] gemeten, maar TNO heeft toegelicht dat bij de start van het onderzoek met partijen is besproken dat het beter was om de inspanningen op één kas te richten, omdat de twee kassen vrijwel identiek zijn, met dit verschil dat de kas van [partij B sub1] geen schoepen en ringen had, en de kas van [partij B sub 2] wel. Omdat dit het enige verschil was (en om binnen de begroting te blijven), is niet voorgesteld ook nog in de kas van [partij B sub1] te meten. Bovendien heeft TNO in haar rapport ook de eerdere metingen van Climeco (uitgevoerd in de kas van [partij B sub1] ) meegenomen en TNO heeft in het eindrapport ook al het commentaar van de partijdeskundigen van [gedaagden] betrokken, met daarin onder meer resultaten van metingen die zijn uitgevoerd in de kas van [partij B sub1] . TNO is in haar eindrapport in bijlage S gemotiveerd op die partijdeskundigenrapporten ingegaan. Het rapport van TNO biedt daarmee een voldoende gefundeerde basis om conclusies over de beide kassen te trekken.
2.33 De rechtbank gaat niet mee in de kritiek van Lek dat TNO onder druk van de omvang van het partijcommentaar van [gedaagden] haar conclusies zonder deugdelijke basis zou hebben aangepast, om [gedaagden] zo alsnog ‘iets te gunnen’. TNO is een professionele, onpartijdige en onafhankelijke deskundige. Aangenomen mag dan ook worden dat voor zover naar aanleiding van het partijcommentaar wijzigingen zijn aangebracht ten opzichte van de eerdere conceptrapporten, die wijzigingen steunen op het eigen deskundig inzicht van TNO ten aanzien van de beschikbaar gestelde informatie, bezien in het licht van haar eigen eerdere bevindingen ter plaatse. TNO heeft in het eindrapport gemotiveerd verantwoording afgelegd waarom bepaalde gevolgtrekkingen in eerdere conceptrapporten zijn bijgesteld. De rechtbank zal daarom de conclusies van TNO tot uitgangspunt te nemen.
2.34 Naar het oordeel van de rechtbank is het TNO-rapport dus voldoende gefundeerd en bruikbaar om conclusies te trekken ten aanzien van de volledigheid, deugdelijkheid en conformiteit van de door Lek aan [gedaagden] geleverde ventilatiesystemen. De rechtbank zal hierna toelichten welke conclusies dat zijn. Wel is de rechtbank met partijen van oordeel dat het TNO-rapport minder bruikbaar is als het aankomt op de herstelkosten die aan de vastgestelde gebreken moeten worden verbonden, ook omdat TNO diverse kostenposten open heeft gelaten. Echter, partijen hebben na het deskundigenbericht alle ruimte gehad om die open posten in te vullen en toe te lichten wat naar hun mening de redelijke herstelkosten zouden moeten zijn. De rechtbank zal op basis van het partijdebat en alle gewisselde dossierstukken een schatting van de toe te passen prijsreductie maken (zie r.o. 2.51 e.v.).
De inhoud van de overeenkomsten
2.35 Lek is met [gedaagden] overeengekomen dat Lek een LTO-buitenlucht ventilatiesysteem in de kassen van [gedaagden] zou installeren. Met het ventilatiesysteem kan buitenlucht in de kas worden aangezogen, waarna die lucht wordt verwarmd, homogeen via geperforeerde slurven onder de planten worden verdeeld, en door overdruk via het kasscherm en openingen weer de kas uit wordt gewerkt. In de overeenkomsten staat onder meer het volgende:
“Ons ontwerp is gebaseerd op ervaringen door ons opgedaan in voorloper projecten, voortschrijdend inzicht opgedaan in praktijkexperimenten, locale omstandigheden en aanwijzingen van teeltvoorlichters.
Veel aandacht is besteedt aan de gelijkmatigheid van de luchtverdeling en het beperken van het energiegebruik.
1.2 CAPACITEIT VAN HET LTO VENTILATIESYSTEEM
De verdeelbuizen aan de gevel van het LTO systeem zijn ontworpen op het transporteren van 4 m3/m2 buitenlucht. De ventilator en de luchtverdeelslangen hebben overcapaciteit. Maximaal kan ca 5,75 m3/m2 in de kas gebracht worden. De uitblaasvariatie bij dat maximum debiet is echter een stuk groter door (te) hoge luchtsnelheden in de verdeelbuizen.
De minimum luchttoevoer waarop lucht nog redelijk homogeen verdeeld wordt over het kasoppervlak is 2,5 m3/m2.
De ventilatie capaciteit kan op 2 manieren worden gevarieerd, door openen of sluiten van de luchtkleppen en door het wijzigen van het ventilatortoerental.”
Verder is in de overeenkomsten het volgende opgenomen met betrekking tot de specificaties van de te leveren ventilatoren:
2.36 Volgens [gedaagden] voldoet het door Lek ontworpen en geleverde ventilatiesysteem niet aan wat op grond van de overeenkomsten mocht worden verwacht. De kernklachten van [gedaagden] zijn dat de capaciteit van het systeem lager is dan is afgesproken, dat de luchtverdeling ondermaats is, en dat het energieverbruik van het systeem hoger is dan mocht worden verwacht.
Te lage capaciteit (klacht A1)
2.37 Eerst dient te worden vastgesteld wat [gedaagden] ten aanzien van (onder meer) de capaciteit van het systeem mochten verwachten, aangezien partijen daarover van mening verschillen. Bij de uitleg van de overeenkomsten komt het – overeenkomstig de artikelen 3:33 en 3:35 BW – aan op de betekenis die partijen in de gegeven omstandigheden over en weer aan de inhoud van de schriftelijke overeenkomsten van 30 mei 2012 mochten toekennen en wat zij redelijkerwijs van elkaar mochten verwachten. Bij die uitleg kan ook van belang zijn welke positie de betrokken partijen hebben (professionele partij of leek) en welke (rechts)kennis van hen mag worden verwacht.
2.38 Als onweersproken staat vast dat Lek en [gedaagden] , na een eerste aanbieding van Lek en gesprekken van [gedaagden] met andere leveranciers (Velso, Cogas, Priva), zijn overeengekomen dat Lek een ventilatiesysteem met een luchtverplaatsingscapaciteit van 4 m3/h per m2 kasoppervlak aan [gedaagden] zou leveren. Dat houdt in dat het door Lek te leveren systeem als geheel in staat moet zijn om per uur 4 kuub lucht per m2 kasoppervlak te verplaatsen. Het systeem moet op die capaciteit zijn ontworpen. Dat in de overeenkomsten staat dat de luchtverdeelslangen en de ventilator een overcapaciteit hebben tot 5,75 m3/h/m2, betekent naar het oordeel van de rechtbank dat die delen van het systeem overcapaciteit hebben, maar niet (zoals TNO ook bevestigt) dat het gehele samengestelde systeem daarmee een capaciteit van boven de 4 m3/h/m2 zou hebben. [gedaagden] mochten dan ook niet verwachten dat zij met het gekochte systeem, zonder aanpassingen, maximaal 5,75 m3/h/m2 in de kas konden brengen. Zij kochten een ‘4-kuub-systeem’ en in de overeenkomsten staat ook dat de verdeelbuizen zijn ontworpen op het transporteren van 4 m3 lucht/h, dus niet op 5,75 m3/h.
2.39 [gedaagden] mochten op grond van de overeenkomsten verwachten dat de afgesproken luchtvolumestroom van 4 m3/h/m2 bij een ventilatorverbruik van 0,85 kW/h kon worden gerealiseerd. Dat volgt uit de specificaties van het vermogen van de ventilator, waarin staat dat bij een luchtverplaatsing van 6.400 m3/h (oftewel 4 m3/h/m2, uitgaande van één ventilator per 1.600 m2 kasoppervlak) een verbruik van 0,85 kW hoort. [gedaagden] hebben onvoldoende weersproken gesteld dat deze specificatie over het vermogen van de ventilator van groot belang was, omdat de HNT-installaties zuinig gebouwd moesten worden om aanspraak te kunnen maken op HNT-subsidie.
2.40 Uit het rapport van TNO volgt dat het door Lek vervaardigde ventilatiesysteem niet aan de overeengekomen capaciteitseisen voldoet. TNO heeft in juni 2021 metingen gedaan aan twee LBK’s in de kas van [partij B sub 2] . Daaruit volgt dat met de ventilator op maximaal vermogen (gemiddeld 1,8 kW) een ventilatiehoeveelheid van 3,13 tot 3,69 m3/h/m2 onderhouden kan worden, minder dan 4 m3/h/m2. Weliswaar heeft Climeco in juli 2013 in de kas van [partij B sub1] hogere luchtdebieten van 3,83 tot 4,1 m3/h/m2 gemeten, maar die metingen waren – evenals de metingen van TNO – op 100% ventilatorstand. TNO concludeert dat het met het systeem niet mogelijk is om met een ventilatorvermogen van 0,85 kW een luchtvolumestroom van 4 m3/h/m2 te bereiken, zoals is overeengekomen. Dat geldt zowel voor het systeem bij [partij B sub 2] als voor het systeem bij [partij B sub1] . Bij [partij B sub1] zijn in 2024 metingen gedaan door partijdeskundigen van [gedaagden] Daaruit bleek dat de ventilatoren bij [partij B sub1] bij een luchtsnelheid van 4 m3/h/m2 een vermogen vragen van 1,4 kW per ventilator (een bandbreedte van 1,2-1,6 kW). Bij 75% ventilatorstand was het verbruik 0,92 kW (niet significant hoger dan 0,85 kW), maar de luchtsnelheid was dan te laag (3,48 m3/h/m2). Dat de weerstand in het ventilatiesysteem bij [partij B sub1] lager is dan bij [partij B sub 2] , kan volgens TNO worden verklaard doordat bij [partij B sub 2] geleideschoepen (die weerstandverlagend zijn) en ringen (die juist weerstandverhogend zijn) zijn geplaatst, en bij [partij B sub1] niet. Dat neemt niet weg dat de weerstand van het ventilatiesysteem ook bij [partij B sub1] hoger is dan wat door Lek was aangeboden.
2.41 Uit het TNO-rapport volgt dat de te hoge weerstand is terug te voeren op in elk geval de volgende onderdelen:
de warmtewisselaar, die een te hoge weerstand heeft;
de aansluitbakken (de aansluitingen van de luchtverdeelbuizen op de LBK’s), die te klein zijn en een T-splitsing hebben met abrupte verandering van de luchtstromingsrichting;
de luchtdoorlaat van buiten naar de LBK’s, die te klein is voor de luchthoeveelheid die moet passeren en daarmee fors bijdraagt aan de totale weerstand van het systeem.
2.42 Hoewel TNO in het rapport benoemt dat vervuiling een rol kan spelen bij de te hoge weerstand van de warmtewisselaar (en het rapport van Nebest ook aantoont dat sprake is van vervuiling), staat in voldoende mate vast dat vervuiling niet de enige oorzaak is, maar dat ook de ontwerpweerstand van de warmtewisselaar te hoog is. Immers, TNO noemt die ontwerpweerstand als (mede-)oorzaak voor de te hoge weerstand en TNO adviseert ook om – als eerste herstelstap – de warmtewisselaar te vervangen door een warmtewisselaar met een lagere luchtzijdige weerstand. De rechtbank concludeert op basis van het TNO-rapport dat de door Lek aan [gedaagden] geleverde ventilatiesystemen van meet af aan niet in staat waren om aan de overeengekomen prestatie-eisen (een luchtstroom van 4 m3/h/m2 met een ventilatorvermogen van 0,85 kW) te voldoen, vanwege de te hoge weerstand die inherent is aan het ontworpen systeem zelf.
2.43 Lek kan haar aansprakelijkheid voor deze non-conformiteit niet pareren door te stellen dat het te hoge energieverbruik te maken heeft met door [gedaagden] opgelegde beperkingen in het systeem. Lek verwijst naar de door [gedaagden] gewenste doorsnede van de luchttoevoerbuizen (van 400 mm) en de aanpassing van de aansluitbakken (die [gedaagden] met een breedte van 700 mm uitgevoerd wilden hebben in plaats van 750 mm), maar uit het TNO-rapport kan worden afgeleid dat deze aanpassingen niet of slechts beperkt van invloed zijn geweest op de te hoge weerstand van het systeem als geheel. Bovendien was Lek de ontwerper van het ventilatiesysteem en heeft Lek zich ook als ter zake deskundig specialist aan [gedaagden] gepresenteerd. Indien de door [gedaagden] gewenste aanpassingen in de luchttoevoerbuizen en de aansluitbakken mogelijk ertoe zouden leiden dat de in het contract toegezegde prestaties (een luchtverplaatsing van 4 m3/h/m2 bij 0,85 kW ventilatorvermogen) niet meer konden worden behaald, had Lek als ontwerpende deskundige partij [gedaagden] nadrukkelijk voor dat risico moeten waarschuwen (artikel 7:754 BW). Nu Lek dat niet heeft gedaan, is zij als ontwerpend aannemer aansprakelijk voor de eventuele nadelige gevolgen van de doorgevoerde aanpassingen (artikel 7:760 tweede en derde lid BW).
Onvoldoende gelijkmatige luchtverdeling (klacht A2 en A5)
2.44 Op grond van de overeenkomsten mochten [gedaagden] – als andere kerneigenschap van het ventilatiesysteem – een gelijkmatige luchtverdeling over het kasoppervlak verwachten. Wat een gelijkmatige en homogene luchtverdeling is, is in de overeenkomsten niet gekwantificeerd. TNO neemt op basis van het Climeco-rapport als uitgangspunt dat een maximale afwijking van 10% van het gemiddelde aanvaardbaar is, omdat uit de praktijk is gebleken dat een systeem met een dergelijke mate van afwijking te realiseren is indien daaraan voldoende aandacht wordt besteed. Op basis hiervan kan tot uitgangspunt worden genomen dat [gedaagden] redelijkerwijs mochten verwachten dat de afwijking in de luchtverdeling binnen deze maximale grenzen zou blijven. De rechtbank gaat niet mee in het betoog van [gedaagden] dat voor de afwijkingslimieten een kleinere bandbreedte moet worden gehanteerd (plusminus 5% afwijking ten opzichte van het gemiddelde). De rechtbank volgt het door TNO gehanteerde uitgangspunt.
2.45 Uit het TNO-rapport volgt dat de luchtverdeling onvoldoende homogeen is. Ten eerste is de luchtverdeling over de gaatjes (per slang) niet uniform. Daarnaast is de luchtverdeling tussen de slangen en de LBK’s onderling te groot, met name bij recirculatie. De gemeten variatie over het areaal komt hierdoor boven de te verwachten maximale afwijking van 10% uit, zowel bij buitenluchtaanzuiging als bij recirculatie. Ook bij buitenaanzuiging is de gelijkmatigheid daarmee onvoldoende, zo blijkt uit het TNO-rapport. Volgens TNO kunnen slijtage en vervuiling van de luchtslurven een rol spelen in de geconstateerde luchtvariaties, maar die factoren kunnen naar haar oordeel niet geheel verantwoordelijk zijn voor de geconstateerde ongelijkheid, die aanmerkelijk meer dan 10% kan zijn.
2.46 TNO heeft ook (het ontwerp van) de luchtslurven zelf onderzocht. Tussen partijen is niet in geschil dat op verzoek van [gedaagden] is afgeweken van het gaatjespatroon in de overeenkomst. In de overeenkomsten staat dat een luchtverdeelslang met drie zones wordt gebruikt, dus met een verlopend gatenpatroon. [gedaagden] wilden een gaatje ter hoogte van iedere Geberapot. Op verzoek van [gedaagden] is daarom een luchtverdeelslang met twee rijen gaatjes zonder zonering toegepast, dus over de gehele slanglengte een gelijke afstand tussen en gelijke diameter van de gaatjes. TNO concludeert dat het ontwerp van de slangen niet ondeugdelijk is, omdat het toegepaste type slang en het toegepaste type perforatie op zichzelf nog voldoende luchtverdeling mogelijk maakt. TNO acht het vervangen van de luchtverdeelslangen door slangen met een gezoneerd gatenpatroon daarom niet nodig. De luchtslurven zijn volgens TNO ook volledig en deugdelijk onder het gewas geplaatst, conform de overeenkomsten. De rechtbank volgt de conclusies van TNO. Voor zover [gedaagden] stellen dat het ontwerp en de positionering van de luchtslangen niet deugdelijk is, wordt dat dus verworpen.
2.47 Op basis van het TNO-rapport kan aldus worden geoordeeld dat de luchtverdeling in het systeem ondermaats is en niet aan de overeengekomen gelijkmatigheid voldoet. Uit het TNO-rapport volgt dat die conclusie kan worden getrokken voor zowel het systeem bij [partij B sub 2] als bij [partij B sub1] (in wiens kas de gelijkmatigheid nog minder goed zal zijn dan bij [partij B sub 2] , vanwege het ontbreken van ringen). TNO adviseert in paragraaf 3.2.1. van het rapport als hersteloptie het inregelen van de LBK’s in combinatie met de luchtslurven, om zo de luchtverdeling te verbeteren. Uit andere onderdelen van het TNO-rapport kan worden opgemaakt dat naast dit inregelen ook het vergroten van de aansluiting van de luchtverdeelslangen op de verdeelbuizen noodzakelijk is om een voldoende gelijke luchtverdeling over het kasoppervlak te realiseren. Immers, TNO schrijft in het rapport dat de variatie in de luchtverdeling over de gaatjes per slang kan samenhangen met een hoge luchtsnelheid bij het zadelstuk aan het begin van de slang (dat een kleinere diameter heeft dan de slangdiameter). Hiermee strookt de bevinding van TNO in de kas van [partij B sub1] dat veel slangen in circa de eerste meter vanaf de luchtverdeelbuis enigszins klapperen bij een instelling van 100% van het ventilatievermogen. En TNO schrijft in paragraaf 3.5.2.:“Het vervangen van de luchtverdeelslangen door slangen met een correcte zonering was op basis van het onderzoek van TNO niet nodig. (…) Meer winst is te behalen met het vergroten van de verbinding tussen de verdeelbuis en de slang en het optimaal inregelen van de installatie om de verschillen tussen slangen terug te brengen.” Op basis hiervan kan naar het oordeel van de rechtbank de conclusie worden getrokken dat ook het vergroten van de aansluiting een noodzakelijke herstelmaatregel is.
Gewijzigde positionering en afschuining recirculatiekanaal (klacht A3)
2.48 Vast staat dat het door Lek geleverde recirculatiekanaal 2 meter hoog is zonder afschuining, in plaats van 3 meter met afschuining zoals in de overeenkomsten staat. TNO heeft dit vastgesteld. TNO heeft ook geconcludeerd dat die afwijkende hoogte en afschuining de deugdelijke werking van het systeem niet in de weg staan, omdat dit ertoe leidt dat meer lucht van langs de gevel wordt aangezogen en minder van boven het scherm, wat conform de overeenkomsten gewenst is. TNO acht het vergroten van het retourkanaal en de recirculatieklep niet noodzakelijk, omdat de weerstanden hiervan zeer laag zijn en het vergroten van die onderdelen dus zeer weinig zal bijdragen aan het bereiken van grotere luchtvolumestromen in het ventilatiesysteem. De weerstand in andere onderdelen van het ventilatiesysteem is meer bepalend, aldus TNO. De rechtbank gaat uit van de conclusies van TNO. De rechtbank komt op grond hiervan tot het oordeel dat voor wat betreft het recirculatiekanaal en de recirculatieklep geen sprake is van een tekortkoming van Lek, omdat deze onderdelen, hoewel anders uitgevoerd, in werking voldoen aan de eisen en de doelen van de overeenkomst.
Ontbrekend luchtafzuigsysteem (klacht A4)
2.49 [gedaagden] hebben (op basis van de rapporten van Climeco) onder meer vergoeding van kosten voor een luchtafzuigsysteem gevorderd. In de overeenkomsten is geen actief luchtafzuigsysteem opgenomen. Hierin staat dat lucht door overdruk via scherm en openingen de kas uit kon worden gewerkt. Volgens TNO past een afzuigsysteem ook niet bij dit HNT-systeem; gangbaar bij zo’n systeem is om in geval van overdruk een beperkt aantal luchtramen te gebruiken. [gedaagden] hebben ook geen andere feiten of omstandigheden gesteld waaruit volgt dat zij mochten verwachten ook een afzuigsysteem geleverd te krijgen. Daarmee is niet komen vast te staan dat Lek op dit punt in enige verplichting is tekortgeschoten.
Conclusies ten aanzien van het ventilatiesysteem
2.50 Samengevat staat dus vast dat het door Lek aan [gedaagden] geleverde HNT-ventilatiesysteem niet voldoet aan wat is overeengekomen, omdat hiermee geen luchtsnelheid van 4 m3/h/m2 met een ventilatorvermogen van 0,85 kW kan worden behaald en de luchtverdeling per slang en over het areaal onvoldoende gelijkmatig is. [gedaagden] hebben tijdig geklaagd over deze gebreken, want hierover zijn al in november 2012 en maart 2013 schriftelijke klachten bij Lek geuit. In r.o. 4.13 van het Tussenvonnis is al overwogen dat Lek zich niet erop kan beroepen dat de klachten op grond van artikel 23 eerste lid AV binnen acht dagen na ontdekking hadden moeten worden geuit, omdat Lek de goede werking van het systeem tot twaalf maanden na inbedrijfstelling heeft gegarandeerd.
Gedeeltelijke ontbinding en ongedaanmaking van de ontvangen prestaties
2.51 Vast staat ook dat sprake is van verzuim – de rechtbank verwijst naar r.o. 4.8 van het Tussenvonnis – en dat Lek dus voor wat betreft het ventilatiesysteem toerekenbaar is tekortgeschoten in de nakoming van haar verplichtingen uit de overeenkomst. De volgende vraag is welke gevolgen hieraan moeten verbonden.
2.52 [gedaagden] hebben in hun conclusie van eis in reconventie (van 25 januari 2017) verklaard de overeenkomsten gedeeltelijk te ontbinden, namelijk voor zover het de niet-uitgevoerde, gebrekkige of bij de overeenkomsten achterblijvende werkzaamheden van Lek betreft. [gedaagden] vorderen in verband met de gebreken aan het ventilatiesysteem, op basis van de door Hortivision begrote herstelkosten, een bedrag van € 675.320 voor [partij B sub1] en € 707.216 voor [partij B sub 2] aan ongedaanmakingsverbintenissen en aanvullende schadevergoeding. Het standpunt van [gedaagden] komt erop neer dat de volledige herstelkosten door Lek moeten worden vergoed. Zij maken in hun vordering geen concreet onderscheid tussen het gedeelte dat op basis van ongedaanmaking (artikelen 6:271 e.v. BW) moet worden betaald en het gedeelte dat op basis van aanvullende schadevergoeding (op grond van artikel 6:277 BW) moet worden betaald.
2.53 Lek heeft, kort samengevat, het volgende standpunt ingenomen. De tekortkomingen rechtvaardigen geen ontbinding van de overeenkomst. [gedaagden] geven niet duidelijk aan welk deel dan ontbonden zou zijn en waarom. Ontbinding zou hoogstens een deel van de overeenkomsten kunnen betreffen. De ontbinding dient in elk geval niet verder te gaan dan per tekortschietende zaak en dan alleen voor het relevante deel van de prijsafspraak die valt te herleiden uit de uitgesplitste prijsoverzichten die op 26 maart 2012 door Lek aan [gedaagden] zijn verstrekt (zie producties VIII.9 en VIII.10 van Lek). De door [gedaagden] gevorderde herstelkosten zijn buitensporig en veel te hoog in vergelijking tot het bedrag dat [gedaagden] voor het ventilatiesysteem aan Lek hebben betaald. TNO heeft de herstelkosten op minder dan € 40.000 per partij (€ 2.000 per LBK) begroot en Lek heeft eerder in april 2014 een voorstel heeft gedaan om het systeem op te waarderen naar een 6 m3/h/m2 systeem, tegen een prijs van € 3.650 per LBK. Indien de rechtbank de ontbinding toewijst, dan moet ook het voordeel van het gebruik dat [gedaagden] sinds 2012 hebben gehad ongedaan worden gemaakt. Lek maakt aanspraak op waardevergoeding van dat gebruik op grond artikel 6:272 BW. Dat gebruik kan worden gewaardeerd op 1/3e van de prijs in de overeenkomsten keer het aantal jaren gebruik tot het moment van teruggave, of anders op de huurkosten om de zaken bij derden te huren over deze periode of, subsidiair, de afschrijftermijnen voor de aanschaf van de apparatuur, aldus – telkens – Lek.
2.54 De rechtbank overweegt als volgt. Artikel 6:265 BW geeft de schuldeiser de bevoegdheid om de overeenkomsten geheel of gedeeltelijk te ontbinden. Artikel 6:270 BW geeft aan wat een gedeeltelijke ontbinding inhoudt: een evenredige vermindering van de wederzijdse prestaties in hoeveelheid of hoedanigheid. Een evenredige vermindering in hoedanigheid kan onder meer plaatsvinden wanneer een ondeugdelijke prestatie is verricht. In dat geval kan de koper of de opdrachtgever een reductie van de prijs vorderen in evenredigheid met de afwijking in kwaliteit tussen wat is afgesproken en wat is geleverd. Het staat de rechter vrij om de vermindering van de wederzijdse prestaties te schatten, aan de hand van de stukken en hetgeen daarover over en weer door partijen is aangevoerd. Bij een dergelijke schatting is de rechter niet gebonden aan de gewone regels van stelplicht en bewijs. Voor het ontbonden gedeelte zijn partijen van hun verbintenissen bevrijd. Hebben partijen al meer gepresteerd dan waartoe zij na de gedeeltelijke ontbinding zijn gehouden, dan ontstaan voor het teveel gepresteerde verbintenissen tot ongedaanmaking van de al ontvangen prestaties (artikel 6:271 BW). Sluit de aard van de prestatie uit dat zij ongedaan wordt gemaakt, dan treedt daarvoor een vergoeding in de plaats ter hoogte van de waarde van de prestatie op het tijdstip van de ontvangst (artikel 6:272, eerste lid BW). Heeft de prestatie niet aan de verbintenis beantwoord, dan wordt deze vergoeding beperkt tot het bedrag van de waarde die de prestatie voor de ontvanger op dit tijdstip in de gegeven omstandigheden werkelijk heeft gehad (artikel 6:272, tweede lid BW). De schuldeiser van een waardevergoedingsvordering draagt op grond van de hoofdregel van artikel 150 Rv de stelplicht en de bewijslast van het bestaan en de omvang van die vordering.
2.55 De rechtbank stelt voorop dat – anders dan Lek betoogt – [gedaagden] een voldoende belang hebben bij gedeeltelijke ontbinding van de overeenkomsten, nu de ontbinding ertoe strekt de door hen verschuldigde bedragen met een evenredig deel te verminderen en het eventueel teveel betaalde terug te vorderen. Dat [gedaagden] de installaties inmiddels via een activaoverdracht hebben overgedragen aan hun BV’s, doet daaraan niet af. Gesteld noch gebleken is dat ook de rechten uit de overeenkomsten aan de BV’s zijn overgedragen. Ten aanzien van de vraag voor welk deel de overeenkomsten moet worden ontbonden en tot welke financiële gevolgen dat leidt, overweegt de rechtbank als volgt.
2.56 De hiervoor geconstateerde tekortkomingen van Lek betreffen het door Lek ontworpen, geleverde en geïnstalleerde HNT-ventilatiesysteem. Weliswaar zijn partijen in de schriftelijke overeenkomsten van 30 mei 2012 één totale aanneemsom voor het gehele werk overeengekomen, maar Lek heeft (onvoldoende weersproken) gesteld dat uit de in de voorafgaand verstrekte prijsoverzichten van 22, 26 en 30 maart 2012 (producties VIII.9 en VIII.10 van Lek) valt af te leiden welke prijs [gedaagden] voor welke installatie (elektra, ventilatie, belichting, verwarming) hebben betaald.
2.57 Volgens Lek volgt met name uit het overzicht van 26 maart 2012 welke arbeid en welk totaal factuurbedrag een zaak vertegenwoordigde in de totaalprijs. De rechtbank leest in het overzicht (met handgeschreven ‘26 maart 2012’) dat de prijs van het LTO-ventilatiesysteem voor [partij B sub1] € 136.375 is en voor [partij B sub 2] € 141.995. Nu geen van partijen concreet iets anders heeft gesteld, gaat de rechtbank ervan uit dat dit, binnen het geheel van de totale aanneemsom, de prijs is die Lek aan [gedaagden] heeft gerekend voor de levering en installatie van de ventilatiesystemen. Nu alle door Lek gedane prijsopgaven exclusief btw waren – zie bijvoorbeeld de overeenkomsten, p. 1, en de eerdere prijsaanbieding voor het ventilatiesysteem van 12 januari 2012, p. 15 – gaat de rechtbank ervan uit dat ditzelfde geldt voor de hiervoor genoemde bedragen van € 136.375 en € 141.995. Uit de facturen volgt dat de door [gedaagden] aan Lek te betalen prijs inclusief btw was. De rechtbank gaat dus ervan uit dat [partij B sub1] € 165.013,75 (€ 136.375 plus 21% btw) voor het ventilatiesysteem aan Lek moest betalen en [partij B sub 2] € 171.813,95 (€ 141.995 plus 21% btw).
2.58 [gedaagden] hebben de overeenkomsten op 25 januari 2017 gedeeltelijk ontbonden voor wat betreft het gebrekkige of bij de overeenkomsten achterblijvende deel. Niet duidelijk gesteld of toegelicht is echter welk deel van de overeenkomsten door die ontbinding wordt geraakt en tot welke concrete prijsaanpassing dat dient te leiden. Een prijsvermindering ter grootte van de door [gedaagden] gestelde herstelkosten (in mei 2018 geschat op € 255.000 tot € 270.000 en inmiddels geschat op € 670.000 tot ruim € 700.000, exclusief btw) is in elk geval niet aan de orde. Nog los van de vraag of de door [gedaagden] gevorderde herstelkosten juist en reëel zijn, gaat het bij de gedeeltelijke ontbinding niet om de vraag wat het [gedaagden] na ontbinding kost om een derde het werk te laten herstellen, maar om de vraag met welk bedrag de met Lek afgesproken aanneemsom moet worden verminderd. Uit het voorgaande volgt dat die vermindering maximaal € 165.013,75 kan zijn voor [partij B sub1] en maximaal € 171.813,95 voor [partij B sub 2] . De vraag of [gedaagden] ook eventuele meerkosten van een derde-aannemer vergoed dienen te krijgen, dient in het kader van de aanvullende schadevergoeding aan de orde te komen (zie hierna).
2.59 Ook Lek heeft na het deskundigenonderzoek van TNO onvoldoende aanknopingspunten gegeven om de vraag te beantwoorden in welke mate de prijs moet worden verminderd vanwege de vastgestelde tekortkomingen aan het ventilatiesysteem. Het door Lek aangeboden herstelbedrag van € 3.650 per LBK biedt onvoldoende houvast, omdat dit vóór het door TNO uitgevoerde onderzoek is gedaan en niet duidelijk is in hoeverre het aangeboden herstel een oplossing zou hebben geboden voor de door TNO geconstateerde gebreken aan het ventilatiesysteem.
2.60 De rechtbank zal, bij gebrek aan een voldoende concreet en onderbouwd partijstandpunt, zelf een schatting maken van de mate waarin de overeenkomsten door de tekortkomingen aan het ventilatiesysteem zijn ontbonden. Daarbij acht de rechtbank het volgende redengevend. Uit het onderzoek van TNO volgt dat een deel van de door Lek geleverde elementen voldoet (de ventilatoren, de luchtslurven en de luchtverdeelleidingen) maar ook dat, om de vastgestelde tekortkomingen te herstellen, aan meerdere elementen herstel moet worden uitgevoerd. TNO acht voor het herstel de volgende werkzaamheden waarschijnlijk nodig:
het vervangen van de warmtewisselaar door een warmtewisselaar met een lagere luchtzijdige weerstand (kosten volgens TNO nog onbekend);
het aanbrengen van schoepen en het vergroten van de aansluitingen (kosten door TNO geschat op € 2.000 per LBK, dus € 36.000 voor [partij B sub1] en € 38.000 voor [partij B sub 2] );
het inregelen van de LBK’s in combinatie met de luchtslurven (kosten onbekend);
het vergroten van de aansluiting van de luchtverdeelslangen op de verdeelbuizen (kosten onbekend).
Daarnaast is heeft TNO het vergroten van de verdeelbuizen en het verhangen van de verwarmingsverdeelleidingen niet onmiddellijk noodzakelijk geacht, maar TNO heeft ook niet uitgesloten dat die maatregelen uiteindelijk toch nodig kunnen zijn, afhankelijk van de effecten en de uitvoering van het herstel van de hierboven genoemde onderdelen.
2.61 Anders dan Lek stelt, volgt uit het TNO-rapport dus niet dat de herstelkosten van de tekortkomingen beperkt zijn tot € 2.000. Dat is alleen de prijs voor het aanbrengen van schoepen en het vergroten van aansluitingen, maar er is volgens TNO nog meer herstelwerk nodig (zoals het vervangen van de warmtewisselaar en de aansluiting van de verdeelslangen op de verdeelbuizen). Lek is na het deskundigenbericht niet (gemotiveerd) op de kosten van die herstelwerkzaamheden ingegaan, hoewel Lek als ter zake deskundige partij geacht mag worden een redelijke inschatting daarvan te kunnen maken. [gedaagden] hebben, aan de andere kant, onder verwijzing naar offertes van hun deskundigen gesteld dat de herstelkosten in de praktijk waarschijnlijk hoog zijn en dat het vergroten van de aansluitingen in de praktijk alsnog zal nopen tot het verhangen van de verdeelbuizen. Uit de stellingen van [gedaagden] volgt verder dat de tekortkomingen in de praktijk ertoe leiden dat de kerndoelen van het HNT-systeem (een homogeen klimaat en energiebesparing) niet kunnen worden gehaald.
[gedaagden] hebben ter zitting toegelicht dat een homogeen klimaat belangrijk is voor de teelt en dat de ongelijke luchtverdeling onder de planten het klimaat juist verstoorde. [gedaagden] hebben daarom de buitenluchtaanzuiging uitgezet en alleen de recirculatiestand op een laag pitje gezet. Uit hun stellingen volgt dat het ventilatiesysteem daarmee voor [gedaagden] niet helemaal waardeloos is geweest, maar wel van weinig waarde was.
2.62 Naar schatting van de rechtbank rechtvaardigt dit een en ander dat de overeenkomsten voor wat betreft het ventilatiesysteem voor het grootste deel, en wel voor 80%, wordt ontbonden. Voor dat deel heeft de ontbindingsverklaring van 25 januari 2017 dus effect gehad. Deze ontbinding komt per saldo neer op een prijsvermindering van € 132.011 (0,8 x € 165.013,75) voor [partij B sub1] en een prijsvermindering van € 137.451 (0,8 x € 171.813,95) voor [partij B sub 2] . Voor zover die prijs al voor een deel door [gedaagden] is voldaan, moet Lek dat deel op grond van een ongedaanmakingsverbintenis aan [gedaagden] terugbetalen. De daartegenoverstaande verbintenis van Lek (levering en installatie van een ventilatiesysteem met gebreken) leent zich naar het oordeel van de rechtbank niet voor ongedaanmaking. Een waardevergoeding voor die gebrekkige prestatie op grond van artikel 6:272 BW is niet aan de orde, omdat de prestatie voor dat deel niet aan de verbintenis heeft beantwoord en geen waarde voor [gedaagden] heeft gehad.
2.63 Evenmin heeft Lek recht op een vergoeding voor het gebruik dat [gedaagden] sinds 2012 van het ventilatiesysteem hebben gemaakt. De koper van een object is na ontbinding slechts in uitzonderlijke situaties een gebruiksvergoeding aan de verkoper verschuldigd over de periode waarin hij het object onder zich heeft gehad. Het enkele gebruik van een zaak door de koper is onvoldoende voor toewijsbaarheid van een vordering van de verkoper tot betaling van een gebruiksvergoeding. Daarvoor dient sprake te zijn van een situatie waarin is voldaan aan de vereisten van ongerechtvaardigde verrijking en/of het uitblijven van een gebruiksvergoeding naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar zou zijn. Lek heeft geen feiten en omstandigheden gesteld die de conclusie rechtvaardigen dat een zodanige uitzonderlijke situatie zich hier voordoet.
Aanvullende schadevergoeding op grond van artikel 6:277 BW
2.64 [gedaagden] vorderen naast gedeeltelijke ontbinding en ongedaanmaking (in de zin van terugbetaling van een deel van de prijs) ook aanvullende schadevergoeding op grond van artikel 6:277 BW. De vordering van [gedaagden] strekt ertoe om de volledige kosten vergoed te krijgen die zij moeten maken om het ventilatiesysteem door een derde te laten herstellen, zodanig dat dit werkt zoals tussen partijen is overeengekomen. Die herstelkosten zijn hoog, omdat beide ventilatiesystemen feitelijk bijna volledig moeten worden vervangen en herstel door een derde duur en tijdrovend is, ook omdat de kassen in bedrijf zijn genomen en er tijdens een lopend bedrijf moet worden hersteld. [gedaagden] verwijzen naar offertes van Hortivision, die als overwogen de herstelkosten op € 670.000 tot ruim € 700.000, exclusief btw begroot.
2.65 De rechtbank overweegt ten aanzien van deze vordering als volgt. Op grond van artikel 6:277, eerste lid BW is Lek in beginsel verplicht de schade te vergoeden die [gedaagden] lijden doordat geen wederzijdse nakoming, maar ontbinding van de overeenkomsten plaatsvindt. Deze bepaling strekt ertoe buiten twijfel te stellen dat ook de schade die door de ontbinding wordt veroorzaakt en die bij keuze van andere rechtsmiddelen niet zou zijn geleden, voor vergoeding in aanmerking komt. De omvang van deze schadevergoeding dient te worden vastgesteld door twee situatie met elkaar te vergelijken: enerzijds de hypothetische situatie waarin [gedaagden] zouden hebben verkeerd bij een in alle opzichten onberispelijke wederzijdse nakoming door Lek en, anderzijds, de feitelijke situatie waarin [gedaagden] na de gedeeltelijke ontbinding van de overeenkomsten verkeren, na afwikkeling van de uit artikel 6:271 BW voortvloeiende restitutieverplichtingen.
2.66 De rechter begroot de schade op de wijze die het meest met de aard ervan in overeenstemming is (artikel 6:97 BW). In dit geval gaat het om vergoeding van de schade die [gedaagden] door de wanprestatie en de ontbinding hebben geleden. Die schade moet in beginsel worden berekend met inachtneming van alle omstandigheden van het concrete geval. Naar het oordeel van de rechtbank wijst Lek er in dat verband terecht op dat [gedaagden] alle installaties inmiddels via de activa-overdracht aan hun BV’s hebben overgedragen. [gedaagden] zullen dan ook niet meer tot herstel van de installaties overgaan. Hun schade bestaat dus niet uit kosten die zij voor herstel door derden moeten maken. Wel is het mogelijk dat [gedaagden] schade hebben geleden doordat zij de installaties, vanwege de daaraan klevende gebreken, tegen een lagere prijs aan hun BV’s hebben verkocht dan de prijs die zij van de BV’s zouden hebben ontvangen indien Lek ventilatiesystemen zou hebben geleverd die wel aan de overeengekomen prestatie-eisen voldeden. Lek heeft het bestaan van zulke schade betwist. Op grond van de uit artikelen 149 en 150 Rv voortvloeiende regels van stelplicht en bewijslast is het aan [gedaagden] om tegenover deze betwisting voldoende gemotiveerd te stellen en zo mogelijk te onderbouwen dat wel degelijk sprake is van verminderde verkoopopbrengsten (met inachtneming van de gedeeltelijke ontbinding). Dat hebben [gedaagden] niet gedaan. [gedaagden] hebben alleen in algemene zin gesteld dat de installaties minder waard waren dan wanneer Lek haar overeenkomsten met [gedaagden] was nagekomen, maar [gedaagden] hebben niet concreet gesteld of onderbouwd dat dat in dit geval daadwerkelijk tot een lagere verkoopopbrengst heeft geleid en hoeveel lager die verkoopopbrengst dan is. Hun stelling dat zij door de ontbinding schade hebben geleden is daarmee onvoldoende onderbouwd. Voor zover [gedaagden] daarvan vergoeding vorderen, wordt die dus afgewezen.
2.67 Opgemerkt wordt dat van het vorenstaande moet worden onderscheiden de vergoeding die [gedaagden] hebben gevorderd voor extra elektriciteitskosten en gemiste energiebesparing. Dit is andere schade ten gevolge van de wanprestatie, die [gedaagden] (mogelijk) hebben geleden gedurende de tijd dat zij nog de eigendom van de installaties hadden. Op die schade gaat de rechtbank hierna onder r.o. 2.171 e.v. nog nader in.
De verwarmingstechnische installatie (onderdeel B)
2.68 Ten aanzien van de verwarmingsinstallatie overweegt de rechtbank als volgt.
De drycooler is niet aangesloten (B1)
2.69 Tussen partijen is niet in geschil dat aan [gedaagden] drycoolers zijn geleverd, maar dat die drycoolers nog niet zijn aangesloten. Lek betwist (thans) dat tussen Lek en [partij B sub1] de levering en aansluiting van een drycooler is overeengekomen. De rechtbank acht die betwisting onvoldoende gemotiveerd, want:
Lek heeft wel een drycooler aan [partij B sub1] geleverd (en niet valt in te zien waarom Lek dat zou doen als dat niet was overeengekomen);
eerder in deze procedure heeft Lek niet betwist dat met [partij B sub 2] en [partij B sub1] de levering van een drycooler is overeengekomen;
de plaatsing/aansluiting van drycoolers staat op de werkpuntenlijsten van [partij B sub1] van 15 november 2012; en
in de eigen ‘j/n overzichten’ van Lek met alle door [gedaagden] gekozen offerteonderdelen, waarnaar [gedaagden] in productie M17 duidelijk verwijzen, staat ook bij [partij B sub1] de levering van een drycooler Alfa Laval 900 kW vermeld voor € 23.705.
De rechtbank neemt daarom als vaststaand aan dat ook tussen Lek en [partij B sub1] levering van een drycooler was overeengekomen, ook al staat dat – zoals TNO vaststelt – niet duidelijk in de overeenkomsten van 30 mei 2012. Verder staat naar het oordeel van de rechtbank als onvoldoende gemotiveerd weersproken vast dat het aansluiten van de drycoolers onderdeel was van het overeengekomen werk. Dit staat immers op de werkpuntenlijst van november 2012 en het staat ook in de ‘j/n lijsten’ (zie productie M17 [gedaagden] , p. 3, waarin [gedaagden] dit duidelijk stellen). Lek stelt dat het aansluiten meerwerk is, maar motiveert dat verder niet.
2.70 Vast staat dat de drycoolers niet door Lek zijn aangesloten. Voor dat deel mogen [gedaagden] de overeenkomsten dus ontbinden omdat het werk nooit is uitgevoerd. Bij gebrek aan andere aangedragen aanknopingspunten schat de rechtbank de omvang van het gemiste werk op het door [gedaagden] genoemde bedrag van € 3.450 dat uit de ‘j/n lijsten’ naar voren komt (productie M17 van [gedaagden] , p. 3 bovenaan). Hiermee wordt de door [gedaagden] te betalen prijs dus verminderd.
2.71 Uit de eisvermeerdering volgt dat [gedaagden] in verband met de drycoolers een hoger bedrag vorderen, namelijk € 10.014,86 voor [partij B sub1] en € 8.032,27 (€ 3.514,77 plus € 4.517,50) voor [partij B sub 2] . Hierbij wordt verwezen naar facturen van [bedrijfsnaam 4] en K&M, zonder dat is toegelicht wat voor werkzaamheden zijn verricht, wanneer, door wie, in wiens opdracht, en waarom de kosten daarvan geheel voor rekening van Lek moeten komen. Het is aan [gedaagden] om, als zij naast gedeeltelijke ontbinding ook schadevergoeding vorderen, hun schade voldoende inzichtelijk te maken en te onderbouwen, zodat voor Lek duidelijk is waartegen zij verweer moet voeren en de rechtbank deugdelijk kan beoordelen of en in hoeverre recht bestaat op schadevergoeding. Nu [gedaagden] dat hebben nagelaten, is op dit punt voor schadevergoeding geen plaats.
Niet geïnstalleerde warmtewisselaar t.b.v. gietverwarming (B2)
2.72 TNO heeft toegelicht dat weliswaar bij HNT geregeld gietwaterverwarming wordt geïnstalleerd wanneer – zoals bij [gedaagden] – er geen groeibuis is, maar dat dit geen automatisme is: gietverwarming is optioneel en staat niet in de overeenkomsten van 30 mei 2012. Lek heeft betwist dat [gedaagden] voorzieningen voor gietwaterverwarming hebben gekocht. [gedaagden] hebben tegenover die betwisting geen, althans onvoldoende feiten en omstandigheden gesteld waaruit volgt dat dit wel tot de overeenkomsten behoorde. [gedaagden] wijzen op een document ‘overzicht totaalopdracht en MEI aandeel [partij B sub 2] , [handelsnaam 2] [vestigingsplaats] ’, maar dat overzicht zit niet bij de schriftelijke overeenkomsten van 30 mei 2012 (productie I.1 en I.2 van Lek). [gedaagden] hebben niet (voldoende) onderbouwd wat de status van dat document is en waarom zij op grond daarvan mochten verwachten dat Lek voor de overeengekomen prijs ook voorzieningen voor gietwaterverwarming zou leveren. Er is daarmee niet komen vast te staan dat Lek tekort is geschoten in de nakoming van haar verplichtingen onder de overeenkomsten van 30 mei 2012 door dit niet te leveren.
Aanpassen aansluiting verhitter op warmtebuffer (B3) en extra energieverbruik ontsmetter (B10)
2.73 [gedaagden] hebben klachten geuit over de drainwaterontsmetter. De ontsmetter zou volgens [gedaagden] niet juist zijn geïnstalleerd, waardoor veel storingen zijn ontstaan. Daarnaast kwam de retour van de ontsmetter rechtstreeks in de retour van de warmtebuffer terecht. Dit water hoort daar niet, want het is nog te warm (70 tot 80 °C), aldus [gedaagden]
2.74 TNO heeft de ontsmetters onderzocht. Volgens TNO zijn de ontsmetters volledig en deugdelijk geplaatst, volgens de overeenkomsten. Ook de werking van de ontsmetter voldoet – na herstel – aan wat op grond van de overeenkomsten mocht worden verwacht. Aanvankelijk voerde de ontsmetter warm water af naar de onderste lagen van de warmtebuffer, met als gevolg dat de warmtekrachtkoppeling (‘WKK’) onvoldoende water had en in storing viel. Vanaf 22 november 2022 kan de ontsmetter water ook afvoeren naar de hoofdaanvoerleiding van de centrale verwarming; zo wordt voorkomen dat te warm water onderin de warmtebuffer komt. Met deze oplossing wordt de in storing vallende WKK, stilstand van de ontsmetter, en het (over)vol raken van de drainsilo voorkomen, aldus TNO.
2.75 In het rapport is TNO ook ingegaan op de klacht van [gedaagden] dat het gebruik van de ontsmetter tot opwarming van het systeem leidt en de noodzaak om energie te vernietigen. Volgens TNO kan dit het gevolg zijn van de WKK, met name in situaties wanneer de WKK wordt gestuurd op de levering van elektra en er geen of beperkte warmtevraag is vanuit de kas. TNO concludeert ook op dit punt dus niet dat sprake is van een gebrek of tekortkoming van Lek.
2.76 De rechtbank volgt de conclusies van TNO en oordeelt op basis daarvan dat ten aanzien van de aansluiting tussen de ontsmetter en de warmtebuffer geen sprake (meer) is van een gebrek of een tekortkoming aan de kant van Lek. De vorderingen met betrekking tot klacht B3 worden dus afgewezen.
2.77 [gedaagden] hebben ook een vergoeding gevorderd voor verhoogde energiekosten door het niet goed functioneren van de ontsmetter en de WKK. Volgens TNO is niet na te gaan of en zo ja, in hoeverre sprake is geweest van extra energieverbruik als gevolg van de koppeling tussen de warmtebuffer en de ontsmetter. Ook [gedaagden] en hun deskundigen hebben niet onderbouwd dat sprake is van schade. De gevorderde vergoeding is daarom niet toewijsbaar.
Problemen Sotex-installatie (B4)
2.78 [gedaagden] hebben als kernklacht geuit dat de (Sotex)expansie-installatie die het water in de warmtebuffer van stikstof voorziet, regelmatig in storing gaat als er wat meer warmtevraag is vanuit de kas. Volgens [gedaagden] komt dit doordat de expansie-installatie een te lage capaciteit heeft.
2.79 Volgens TNO is de capaciteit van de expansie-installatie voldoende voor het beoogde gebruik (het op peil houden van de druk in de warmtebuffer). TNO baseert haar conclusie onder meer op navraag bij leverancier Van Amerongen, waaruit volgt dat de benodigde capaciteit lineair is met het volume van de warmtebuffer. Dit houdt in dat bij een buffer van 1.000 m3 een stikstofcapaciteit van 1,8 m3/h voldoende is, aldus TNO.
2.80 [gedaagden] betwisten de conclusie van TNO. Volgens hen heeft de installatie een te lage capaciteit. [gedaagden] baseren zich hiertoe op door hen opgevraagde adviezen bij Sotex, Cogas en Presscon, evenals eerder DLVGE. De rechtbank volgt in dit geval de conclusie van TNO, die de rechtbank voldoende gemotiveerd en overtuigend voorkomt. De vorderingen van [gedaagden] die zien op deze klachten worden afgewezen.
Ontbrekende radiatoren (B5)
2.81 Bij [partij B sub 2] is de klacht over de ontbrekende radiator vervallen. TNO heeft vastgesteld dat bij inspectie bij [partij B sub1] in 2023 is vastgesteld dat twee van de zes radiatoren niet zijn geïnstalleerd, maar onduidelijk is of dat altijd zo is geweest. De rechtbank neemt, bij gebrek aan gemotiveerde betwisting van het tegendeel door Lek, als vaststaand aan dat bij [partij B sub1] c.s. twee radiatoren niet zijn geleverd. Bij gebrek aan andere aanknopingspunten schat de rechtbank de waarde van dit ontbrekende werk in op € 500.
Aanpassing koppelleiding (B6)
2.82 Uit het TNO-rapport volgt dat geen sprake is van de gestelde problematiek met de koppelleiding. TNO heeft bij [partij B sub 2] gevraagd om documentatie waaruit blijkt dat het water van de buffer na het passeren van de koppelleiding te koud aankomt bij de ontsmetter. TNO heeft die documentatie niet ontvangen; [gedaagden] heeft op 28 september 2023 bij TNO gemeld dat de problemen inmiddels zijn opgelost. Aldus is niet komen vast te staan dat sprake is van een tekortkoming aan de kant van Lek.
Reinigen buffer en reinigen en uitvlakken teeltvloer door kas onder water (B7, B8 en D10)
2.83 [gedaagden] hebben gesteld dat bij [partij B sub1] waterschade is ontstaan door ondeugdelijk installatiewerk van Lek. Ten eerste is op 20 november 2012 de warmtebuffer overgelopen als gevolg van ondeugdelijk geïnstalleerd leidingwerk (TNO stelt vast dat dit inderdaad zo is). En daarnaast is volgens [gedaagden] op 25 september 2012 een PE-verbinding van een HNT-verwarmingsleiding losgeschoten, door ondeugdelijk leidingwerk bij [partij B sub1] . Ook is een padgietleiding niet aangesloten door de monteur van Lek, waardoor veel water de kas van [partij B sub1] is ingekomen, aldus [gedaagden]
2.84 Vast staat dat [partij B sub1] de klachten over de wateroverlast en de verkeerd gemonteerde leidingen op 2 en 8 oktober 2012 bij Lek heeft gemeld. [gedaagden] hebben in productie M18 een nadere toelichting gegeven op de gebreken en de waterschade, voorzien van foto’s. Daarnaast volgt uit het TNO-rapport dat het niet goed monteren en het vervolgens niet goed afpersen van deze leidingen op zichzelf deze gevolgen kunnen hebben, hoewel TNO dit niet meer kan nagaan. De rechtbank is van oordeel dat [gedaagden] – dit alles tezamen genomen – voldoende onderbouwd hebben gesteld en Lek daartegenover onvoldoende gemotiveerd heeft betwist dat sprake is geweest van gebrekkig werk van Lek, met waterschade tot gevolg. Lek is hiervoor aansprakelijk (artikel 6:74 BW). De rechtbank acht het aannemelijk dat [partij B sub1] door deze gebeurtenissen schade heeft geleden in de vorm van de inzet van personeel voor herstel- en schoonmaakwerk, maar het gevorderde schadebedrag van € 1.430 is onvoldoende onderbouwd. De rechtbank schat de schade naar billijkheid op de helft, € 750.
Corrosie door ontbrekende schilderwerkzaamheden (B9)
2.85 Op basis van het TNO-rapport staat vast dat diverse verwarmingsonderdelen niet door Lek zijn geschilderd, terwijl dat wel had moeten gebeuren. Lek heeft de daarmee gemoeide kosten (€ 1.000 zowel voor [partij B sub1] als [partij B sub 2] ) niet betwist. Het gemiste werk wordt op dat bedrag vastgesteld.
Bevestiging buisrailverwarming aan betonpad (B11)
2.86 [gedaagden] hebben gesteld dat Lek heeft nagelaten bij [partij B sub 2] de kopeinden van de buisrailverwarming aan het betonpad te fixeren. Naar het oordeel van de rechtbank heeft Lek dit verwijt onvoldoende gemotiveerd betwist. Lek heeft eerder gesteld dat alle rails waren bevestigd, maar dan valt niet in te zien waarom dit punt nog op de werkpuntenlijst van 16 november 2012 stond. Tegenover TNO heeft Lek bovendien een ander standpunt ingenomen; daar heeft Lek gesteld dat met [partij B sub 2] is afgesproken dat [partij B sub 2] zelf de buisrailverwarming zou bevestigen om kosten te besparen. De rechtbank neemt als vaststaand aan dat Lek dit werk niet heeft uitgevoerd en dat dit uiteindelijk door [partij B sub 2] zelf is gedaan. [partij B sub 2] heeft aan TNO een factuur van [bedrijfsnaam 2] van 4 juli 2014 verstrekt met een onduidelijk bedrag aan kosten (volgens TNO tussen de € 250 en € 350). De rechtbank schat de kosten van het werk bij gebrek aan verdere duidelijkheid op € 250.
Ontbrekende CO-detectoren (B12)
2.87 Uit het TNO-rapport volgt dat Lek geen CO-detectoren heeft geleverd, terwijl dat wel was overeengekomen. Lek heeft niet bestreden dat de kosten voor het leveren en installeren van de CO-detectoren op het door TNO begrote bedrag van € 2.799 voor ieder van [gedaagden] kunnen worden vastgesteld. De door [gedaagden] aan Lek verschuldigde prijs wordt met dat bedrag verminderd.
Conclusie warmte-installatie
2.88 Samenvattend worden de overeenkomsten geacht gedeeltelijk te zijn ontbonden voor wat betreft de niet aangesloten drycoolers (B1), de ontbrekende radiatoren (B6, [partij B sub1] ), het ontbrekende schilderwerk (B9), de buisrail (B11, [partij B sub 2] ) en de ontbrekende CO-detectoren (B12). Dit leidt per saldo bij [partij B sub 2] tot een prijsverlaging van € 7.499 en bij [partij B sub1] tot een prijsverlaging van € 7.749. Daarnaast heeft [partij B sub1] recht op € 750 aan schadevergoeding (B7, B8 en D10).
De watertechnische installatie (onderdeel D)
2.89 Ten aanzien van de – door TNO onderzochte – watertechnische installatie overweegt de rechtbank als volgt.
Te lage capaciteit ontsmetter (D1) en kosten van extra meststof wegens te weinig capaciteit (D2a)
2.90 [gedaagden] hebben als klacht aangevoerd dat de drainwaterontsmetter een veel te lage capaciteit heeft (8 m3/h in plaats van 10 m3/h). Dit wordt volgens [gedaagden] veroorzaakt door een veel te klein filter. Door het niet goed functioneren van de ontsmetter is drainwater met kunstmest geloosd en hebben [gedaagden] extra kosten voor meststoffen moeten maken.
2.91 Volgens TNO zijn de ontsmetter, de filter en de pomp deugdelijk geïnstalleerd conform de overeenkomsten. Ook voldoet de werking van de combinatie pomp-ontsmetter-filter aan wat verwacht mocht worden op grond van de overeenkomsten, want:
De capaciteit is 9 m3/h bij een specificatie van 10 ± 1 m3/h;
24/7 beschikbaarheid van het filter, waarvoor het filter automatisch, zelfreinigend moet zijn; het filter is inderdaad automatisch, zelfreinigend;
Er is voldoende ontsmettingscapaciteit per dag, op grond van het uitgangspunt van [gedaagden] voor watergift en drainpercentage.
2.92 TNO heeft deze conclusies in het rapport gemotiveerd en toegelicht. De rechtbank volgt de conclusies van TNO en komt tot het oordeel dat de capaciteit van de ontsmetter en de bijbehorende filter en pomp voldoen aan wat is overeengekomen. Er is daarmee dus ook geen plaats voor een vergoeding van extra meststoffen wegens gebrekkige capaciteit van de ontsmetter. Uit het TNO-rapport volgt dat de van [gedaagden] ontvangen gegevens geen basis bieden om te concluderen dat de ontsmettingscapaciteit onvoldoende was. De vorderingen worden afgewezen.
Extra meststofkosten wegens te laat in bedrijf stellen (D2b, [partij B sub 2] )
2.93 [gedaagden] stellen dat door het niet tijdig in bestelling plaatsen van de ontsmetter voor [partij B sub 2] , met de opstart enkele weken drainwater noodgedwongen de sloot in is gelopen met extra kosten tot gevolg. [gedaagden] hebben deze stellingen tegenover de betwisting van Lek niet nader toegelicht en onderbouwd, of toegelicht waarom hier sprake is van een toerekenbare tekortkoming en schadeplichtigheid van Lek. De vordering wordt afgewezen.
Schade aan de gevel door de chauffeur van Lek (D3, [partij B sub1] )
2.94 [gedaagden] stellen dat Lek bij het lossen van materialen gevelbeplating van de kas van [partij B sub1] heeft beschadigd; [partij B sub1] vordert € 470 aan schadevergoeding. [gedaagden] hebben deze klacht tegenover de betwisting van Lek onvoldoende onderbouwd. De vordering wordt afgewezen.
Warmlopen padgietpomp (D5)
2.95 [gedaagden] stellen dat de padgietpomp warmloopt, als tegelijkertijd ook de pomp van de fertifill aanstaat. TNO heeft geen gebrek aan de padgietpomp kunnen vaststellen. Op basis van de ontvangen schriftelijke informatie en documentatie bestaat er geen aanleiding om de werking van de padgietpomp in twijfel te trekken, aldus TNO. De rechtbank is van oordeel dat [gedaagden] aldus onvoldoende hebben onderbouwd dat de padgietpomp niet naar behoren functioneert. De vorderingen worden afgewezen.
Dakberegening (D6, [partij B sub 2] )
2.96 Uit het TNO-rapport volgt dat de dakberegening tot een jaar na installatie onvoldoende was, omdat de slangen zodanig ver boven het kasdek uitstaken dat ze een belemmering vormden voor de dakwasser. Er was daarmee sprake van een gebrekkige prestatie van Lek. [gedaagden] hebben ook onweersproken gesteld dat het gebrek door [partij B sub 2] is gemeld op de werkpuntenlijst van 16 november 2012, maar niet tijdig door Lek is opgelost. [partij B sub 2] heeft het gebrek zelf opgelost. De hiermee gemoeide herstelkosten kunnen onbetwist worden gesteld op € 600. De rechtbank zal bepalen dat de overeenkomst met [partij B sub 2] vanwege dit gebrek tot dit bedrag kon worden ontbonden.
Niveaumeting sporen en loog bak (D7)
2.97 [gedaagden] hebben de klacht geuit dat de buisringmeter te kort was, waardoor niet de gehele inhoud van de bak wordt gemeten. Uit het TNO-rapport volgt dat het gebrek bij [partij B sub1] is opgelost. Bij [partij B sub 2] kon TNO niet meer nagaan of het gebrek is opgelost, omdat de loogbak niet meer in gebruik is. Uit het TNO-rapport volgt echter ook dat Lek op de werkpuntenlijst van [partij B sub 2] van 16 maart 2013 heeft vermeld dat dit opgelost zou worden. Gesteld noch gebleken is dat Lek dit heeft gedaan; andersom hebben [gedaagden] ook niet duidelijk gemaakt of dit tussentijds door een ander is hersteld. De rechtbank is van oordeel dat [partij B sub 2] vanwege het gemiste werk de overeenkomst gedeeltelijk kon ontbinden. Het daarmee bemoeide bedrag wordt in lijn met de inschatting van DLVE op € 250 begroot. Voor zover [partij B sub 2] in verband met dit gebrek nog vergoeding van andere schade vordert, wordt die vordering afgewezen omdat dit onvoldoende is onderbouwd.
Aanpassen en vervangen van de as van de roermenger (D8)
2.98 Uit het TNO-rapport volgt dat de roeras van de sporenbakmixer te kort is. Ook volgt uit het rapport dat dit punt op de werkpuntenlijst van maart 13 stond. Dit is niet door Lek hersteld. [gedaagden] konden voor de gemiste prestatie gedeeltelijk ontbinden; de waarde van de gemiste prestatie wordt conform het TNO-rapport geschat op € 280.
Kosten van de problemen met a en b bak (D9, [partij B sub1] )
2.99 Uit het DLVGE rapport volgt dat bij [partij B sub1] het zandfilter niet automatisch terugspoelde en dat dit door derden is hersteld (verwezen wordt naar een factuur van [bedrijfsnaam 3] van 14 juli 2015). [gedaagden] hebben onvoldoende onderbouwd dat en waarom dit kosten zijn die voor rekening van Lek dienen te komen. Ook TNO heeft bij gebrek aan beschikbaar ontvangen informatie niet kunnen vaststellen in hoeverre sprake is (geweest) van een gebrek. De door [partij B sub1] gevorderde kosten van € 688,01 zijn daarmee niet voor toewijzing vatbaar en worden afgewezen.
Lekkage silo (D11)
2.100 [gedaagden] hebben gesteld dat aan de dagvoorraadsilo een leiding was bevestigd met bouten die het silozeil hebben beschadigd, waardoor een lekkage is ontstaan. Uit het rapport van DLVGE volgt dat in beide gevallen de lekkage verholpen zou zijn door [bedrijfsnaam 4] voor een bedrag van € 489. De rechtbank is het met Lek eens dat het opvallend is dat bij zowel [partij B sub1] als [partij B sub 2] zich exact dezelfde klacht heeft voorgedaan.
2.101 TNO heeft de klachten van [gedaagden] onderzocht. TNO heeft opgemerkt dat [partij B sub 2] ter onderbouwing van zijn klacht alleen heeft verwezen naar een factuur van [bedrijfsnaam 4] van 17 juni 2015. De factuur specificeert niet om welke silo het gaat en een (storings)melding aan Lek over het lekken van de dagvoorraadsilo is in de beschikbare informatie niet gevonden, aldus TNO. Ook bij [partij B sub1] heeft TNO geen (storings)melding over het lekken van de dagvoorraadsilo kunnen vinden. TNO heeft [gedaagden] gevraagd om een onderbouwing van het gebrek, maar uit de daarop ontvangen foto’s (beide kennelijk genomen maart 2021) valt volgens TNO niet af te leiden hoe de oude leiding verkeerd gemonteerd zou zijn of hoe die het zeil door beweging/trilling had kunnen beschadigen. Het valt voor TNO niet na te gaan of sprake is geweest van ondeugdelijke installatie.
2.102 Aldus hebben [gedaagden] niet deugdelijk kunnen onderbouwen dat sprake is van een tekortkoming aan de kant van Lek. Niet valt dan ook in te zien waarom Lek aansprakelijk is voor de afkeuring van de silo’s van [partij B sub1] in 2024, wegens corrosie aan de platen.
2.103 De vorderingen worden afgewezen.
Conclusie watergeefinstallatie
2.104 Samenvattend kon [partij B sub 2] in verband met gebreken aan de watergeefinstallatie de overeenkomst gedeeltelijk ontbinden tot een bedrag van € 1.130 en [partij B sub1] tot een bedrag van € 280.
Elektrische installatie (onderdeel C)
2.105 Bij de verdere beoordeling van het geschil over de elektra-installatie en de belichtingsinstallatie stelt de rechtbank het volgende voorop.
2.106 De rechtbank heeft FW Techniek benoemd om als onafhankelijke deskundige een onderzoek uit te voeren naar de elektra-installaties en de belichtingsinstallaties. FW Techniek heeft op 23 april 2021 een definitief rapport opgemaakt. [gedaagden] betogen dat het rapport van FW Techniek onvoldoende bruikbaar is om de vragen van de rechtbank te beantwoorden. Zij verwijzen hiertoe onder meer naar de kritiek van hun partijdeskundige [partijdeskundige] B.V. (productie M5 [gedaagden] ). Ook hebben [gedaagden] een eigen partijdeskundigenrapport van Building Services Research institute (‘BSRi’) van 7 oktober 2025 overgelegd. BSRi komt hierin op onderdelen tot andere conclusies dan FW Techniek, met name ten aanzien van de oorzaak van de oververhitting van de panelen en de vraag of wel of geen dambord-functionaliteit is overeengekomen. [gedaagden] vinden dat het rapport van FW Techniek ter zijde moet worden geschoven en dat het rapport van hun deskundigen moet worden gevolgd.
2.107 De rechtbank volgt [gedaagden] hierin niet. FW Techniek is als onafhankelijke deskundige benoemd. De rechtbank ziet geen aanleiding om eraan te twijfelen dat FW Techniek het onderzoek onafhankelijk en onpartijdig heeft uitgevoerd. Dat FW Techniek gaande het onderzoek tot de ontdekking is gekomen dat hij op 28 november 2012 een lichtmeting heeft uitgevoerd in kas van [partij B sub1] , diskwalificeert FW Techniek niet als deskundige. FW Techniek heeft toegelicht dat hij deze uitgevoerde opdracht bij de uitvraag van de rechtbank abusievelijk niet had gevonden, omdat hij had gezocht op de naam Mans en niet op de bedrijfsnaam ( [handelsnaam 1] ). FW Techniek heeft toegelicht dat hij zich geen details van die lichtmeting meer kon herinneren. Hij heeft deze pas na het lezen van het partijcommentaar van [gedaagden] in zijn oude rapportages gevonden. Het betrof bovendien een lichtmeting in opdracht van armaturenfabrikant Light Interaction (zoals FW Techniek er destijds tientallen uitvoerde), waarbij uitsluitend is gekeken naar de lichtopbrengst en niet naar de elektrische installatie. Volgens FW Techniek heeft het bezoek in 2012 geen invloed gehad op zijn opname en rapportage in deze zaak. De rechtbank ziet geen reden om daaraan te twijfelen.
2.108 De rechtbank acht het verder begrijpelijk dat FW Techniek in dit geval de partijdeskundigenrapporten van DLVGE van 13 mei 2014 en 17 mei 2018 als vertrekpunt heeft genomen voor zijn beoordeling. Immers, de in die rapportages geformuleerde klachtpunten (door [gedaagden] gerubriceerd onder C en F) vormden de basis van de door [gedaagden] ingestelde vorderingen in reconventie. De rechtbank heeft FW Techniek in het benoemingsvonnis van 21 oktober 2020 gevraagd zich op die klachten te richten. Bovendien diende FW Techniek zich in 2021 een oordeel te vormen over de stand van het werk, zoals dat in 2012/2013 door Lek tot stand was gebracht (acht jaar later).
2.109 Het is tegen die achtergrond bezien logisch dat FW Techniek voor zijn oordeelsvorming de oudere partijdeskundigenrapporten heeft meegenomen, ook omdat de toenmalige toestand van de installaties (door tijdsverloop en/of tussentijdse aanpassing) zich in 2021 soms nog maar lastig liet vaststellen. Uit het rapport van FW Techniek volgt dat de deskundige zich in zijn oordeel voldoende rekenschap heeft gegeven van dit verstreken tijdsverloop en eventuele tussentijdse aanpassingen en dat de deskundige het DLVGE-rapport alleen als vertrekpunt heeft genomen en zich een zelfstandig oordeel heeft gevormd over de daarin geformuleerde klachten. Het deskundigenrapport biedt geen enkel aanknopingspunt dat FW Techniek kritiekloos is meegegaan in het DLVGE-rapport. Integendeel, FW Techniek trekt op meerdere onderdelen juist andere conclusies.
2.110 Ten slotte heeft FW Techniek (in de persoon van [naam] ) blijkens zijn cv jarenlange ervaring in het uitvoeren van elektrotechnische inspecties en keuringen in de glastuinbouw (o.a. NEN1010 en NEN3140). De rechtbank ziet geen grond om aan de deskundigheid van FW Techniek of aan de zorgvuldigheid van het door FW Techniek uitgevoerde onderzoek te twijfelen. De rechtbank zal, bij de beoordeling van de geschilpunten over de elektra en de belichting, dan ook in beginsel afgaan op de conclusies en bevindingen van FW Techniek en niet op het later ingebrachte partijdeskundigenrapport van BSRi.
Monteren van padverlichting (C1, [partij B sub1] )
2.111 [gedaagden] stellen dat het pad ter plaatse van de werkruimte bij [partij B sub1] op sommige plekken onvoldoende wordt verlicht. Er ontbreken armaturen. Lek heeft aangevoerd dat het betreffende armatuur na overleg tussen de monteur ter plaatse en [partij B sub1] op een andere plaats is gemonteerd. [gedaagden] hebben hiertegenover onvoldoende onderbouwd dat sprake is van een tekortkoming van Lek.
Diverse wijzigingen om de installatie aan NEN1010-norm te laten voldoen (C2)
2.112 Niet in geschil is dat tussen partijen het volgende is overeengekomen:
de door Lek op te leveren installatie voldoet aan de eisen van NEN1010, veiligheidsbepalingen voor laagspanning installaties;
voor het onder spanning zetten en in bedrijfstellen van de elektrische installaties wordt deze volgens NEN1010 geïnspecteerd;
bij oplevering wordt een tekeningenmap met een inspectierapport van alle bevindingen overhandigd.
2.113 Naar de rechtbank uit de stellingen van [gedaagden] begrijpt, heeft Lek wel zelf NEN1010-inspecties uitgevoerd in december 2012 (bij [partij B sub1] ) en in januari 2013 (bij [partij B sub 2] ). Het staat echter als niet (voldoende) weersproken vast dat Lek heeft geweigerd om die inspectierapporten vrij te geven. In het Tussenvonnis is geoordeeld dat Lek niet mocht opschorten. [gedaagden] hebben onweersproken gesteld dat zij een NEN1010-keuringsrapport nodig hadden voor hun verzekering. De rechtbank is met [gedaagden] van oordeel dat het onder deze omstandigheden redelijk is dat [gedaagden] eind 2013 zelf een NEN1010-keuring hebben laten uitvoeren door DLVGE. De kosten daarvan (€ 2.117,50 zowel voor [partij B sub1] als [partij B sub 2] ) komen voor rekening van Lek.
2.114 DLVGE heeft de elektrische installaties in november en december 2013 gekeurd. DLVGE heeft destijds geconcludeerd dat de installaties op diverse punten niet aan de toepasselijke NEN1010-normen voldoen. Uit de reactie van Lek van 4 september 2014 (productie VII.17 Lek), waarnaar Lek heeft verwezen, volgt dat Lek in elk geval niet bestrijdt dat een aantal punten uit de rapporten (o.a. nog niet uitgevoerd tekenwerk) inderdaad nog terechte overgebleven werkpunten betrof, namelijk punten 1 tot en met 5 ( [partij B sub1] ) en 1 tot en met 7 ( [partij B sub 2] ). Met het afronden van die punten was volgens Lek respectievelijk € 952,22 ( [partij B sub1] ) en € 1.266,42 ( [partij B sub 2] ) gemoeid. DLVGE begroot de kosten op een hoger bedrag, ten minste € 1.600 voor alleen al het tekenwerk, maar die kosteninschatting is niet nader onderbouwd. De rechtbank schat de met de openstaande punten gemoeide kosten naar billijkheid voor [partij B sub1] in op een bedrag van € 1.500 en voor [partij B sub 2] in op € 2.000.
De tekst gaat verder: De uitspraak op rechtspraak.nl
Aangehaalde artikelen
- Artikel 118 Rv
- Artikel 130 Rv
- Artikel 136 Rv
- Artikel 149 Rv
- Artikel 150 Rv
- Artikel 191 Rv
- Artikel 242 Rv
- Artikel 612 Rv
- Artikel 18 WvK
- Artikel 6:74 BW6
- Artikel 6:89 BW6
- Artikel 6:94 BW6
- Artikel 6:96 BW6
- Artikel 6:97 BW6
- Artikel 6:98 BW6
- Artikel 6:119 BW6
- Artikel 6:119a BW6
- Artikel 6:159 BW6
- Artikel 6:215 BW6
- Artikel 6:237 BW6
Aangehaalde uitspraken
- HR 18 juli 2025, ECLI:NL:HR:2025:1156
- HR 8 september 2023, ECLI:NL:HR:2023:1197
- Hof Arnhem-Leeuwarden 25 mei 2021, ECLI:NL:GHARL:2021:5023
- Conclusie A-G Rank-Berenschot 30 augustus 2019, ECLI:NL:PHR:2019:845
- Conclusie A-G Drijber 22 februari 2019, ECLI:NL:PHR:2019:277
- HR 8 december 2017, ECLI:NL:HR:2017:3106
- Hof Arnhem-Leeuwarden 24 mei 2016, ECLI:NL:GHARL:2016:3985
- HR 12 december 2014, ECLI:NL:HR:2014:3593
- HR 31 oktober 2014, ECLI:NL:HR:2014:3072
- HR 20 december 2013, ECLI:NL:HR:2013:2102
- HR 26 november 2010, ECLI:NL:HR:2010:BN8521
- HR 11 september 2009, ECLI:NL:HR:2009:BI4198
- HR 21 september 2007, ECLI:NL:HR:2007:BA9610
- HR 27 april 2007, ECLI:NL:HR:2007:AZ6638
- HR 22 oktober 2004, ECLI:NL:HR:2004:AP1435
- HR 29 maart 2002, ECLI:NL:HR:2002:AD8175
- HR 13 maart 1981 (Haviltex), ECLI:NL:HR:1981:AG4158