Rb. Den Haag 20 mei 2025, ECLI:NL:RBDHA:2025:9894
Internationale Kinderontvoering. Verzoek van de vader tot teruggeleiding van Nederland naar Dubai wordt toegewezen. De rechtbank oordeelt dat de gewone verblijfplaats van de kinderen in Dubai was gelegen. Niet in geschil is dat het gezagsrecht daadwerkelijk werd uitgeoefend op het tijdstip van de overbrenging/vasthouding. Anders dan de moeder voorstaat, oordeelt de rechtbank dat uit de overgelegde appberichten niet kan worden afgeleid dat de vader toestemming heeft gegeven voor een permanent verblijf van de kinderen in Nederland. Daarmee is de vasthouding van de kinderen in Nederland in strijd met het gezagsrecht en dient de vasthouding van de kinderen in Nederland te worden aangemerkt als ongeoorloofd in de zin van artikel 3 van het Verdrag. Beroep op weigeringsgronden ex artikel 13 lid 1 sub a en artikel 13 lid 1 sub b van het Verdrag slaagt niet. Naar het oordeel van de rechtbank kan niet worden geconcludeerd dat de vader berust in een permanent verblijf van de kinderen in Nederland. Verder kan de rechtbank niet vaststellen dat, ervan uitgaand dat de vader zich aan de toezeggingen (woningruil, visum, onderhoud) houdt, de moeder niet kan terugkeren naar Dubai. Daarom kan de rechtbank niet concluderen dat de kinderen bij terugkeer naar Dubai in een ondragelijke toestand zullen komen en/of dat een terugkeer naar Dubai niet in hun belang zou zijn. Het verzoek tot teruggeleiding naar Dubai wordt toegewezen. Het verzoek van de vader om de voorlopige voogdij uit te spreken wordt afgewezen, waarbij partijen worden gewezen op het samenwerkingsprotocol gedwongen tenuitvoerlegging teruggeleidingsbeschikkingen in internationale kinderontvoeringszaken.
De uitspraak op rechtspraak.nl