Rb. Den Haag 1 mei 2025, ECLI:NL:RBDHA:2025:8814

Internationale kinderontvoering. Verzoek van vader tot teruggeleiding naar Hongarije wordt toegewezen. Gewone verblijfplaats tussen partijen in geschil, vanwege verhuizingen tussen Hongarije en Nederland, en omdat de vader in april 2022 het kind zonder toestemming van de moeder vanuit Nederland naar Hongarije heeft meegenomen. Naar het oordeel van de rechtbank had het kind de gewone verblijfplaats in Hongarije op het moment van overbrenging naar Nederland. Voor de rechtbank staat niet vast of de vader bij een beslissing van de Hongaarse rechter eenhoofdig gezag heeft gekregen, maar de rechtbank leidt af dat hij ten minste mede het gezag over het kind had en voorafgaande aan de overbrenging degene was die de hoofdverblijfplaats van het kind mocht bepalen. Niet in geschil is dat de vader geen toestemming heeft gegeven voor de overbrenging. De rechtbank oordeelt dat de vasthouding van het kind in Nederland aangemerkt moet worden als ongeoorloofd in de zin van artikel 3 van het Verdrag. Beroep van de moeder op weigeringsgronden ex artikel 13 lid 1 sub b en artikel 13 lid 2 slaagt niet. De door de moeder aangevoerde argumenten zien op de gevolgen van de terugkeer voor haar eigen toestand en niet die van het kind. Geen sprake van verzet, nu dat niet blijkt uit het verslag van de bijzondere curator en het kind niet een leeftijd en mate van rijpheid heeft bereikt om te rechtvaardigen dat er met zijn mening rekening wordt gehouden. Het verzoek tot teruggeleiding naar Hongarije wordt toegewezen. Afwijzing verzoeken tot afgifte en uitvoerbaarverklaring bij voorraad. Het verzoek van de vader om de voorlopige voogdij uit te spreken wordt afgewezen, omdat er in het kader van een internationale zorgmelding vanuit Hongarije een uitgebreid raadsonderzoek heeft plaatsgevonden waaruit blijkt dat er geen sprake is van vluchtgevaar van de moeder.

De uitspraak op rechtspraak.nl

Aangehaalde artikelen

Aangehaalde uitspraken