Rb. Den Haag 8 mei 2025, ECLI:NL:RBDHA:2025:8182
Rijkswet op het Nederlanderschap. Verzoek toegewezen. Ontvankelijkheid: de vraag moet worden beantwoord of verzoeker een belang heeft bij zijn verzoek. De rechtbank is van oordeel dat dit het geval is. Het staat namelijk vast dat verzoeker in beginsel de Nederlandse nationaliteit heeft verloren doordat hij vrijwillig de Britse nationaliteit heeft verkregen. Dit staat in artikel 15 lid 1 onder a RWN. Op grond van artikel 15 lid 2 RWN zijn hier uitzonderingen op mogelijk. Verzoeker beroept zich op de uitzondering van lid 2 onder b. Hierin staat dat de Nederlandse nationaliteit niet verloren gaat, indien de verkrijger voor zijn meerderjarigheid, gedurende tenminste vijf onafgebroken jaren in het land van die andere nationaliteit zijn hoofdverblijf had. Reeds uit het gegeven dat – als de rechtbank zou oordelen dat verzoeker een onmiddellijk belang heeft bij zijn verzoek – de IND van mening is dat verzoeker zich niet op deze uitzondering kan beroepen (en dus het Nederlanderschap niet bezit), volgt dat verzoeker dat belang heeft bij zijn verzoek. Verzoeker is dan ook ontvankelijk in zijn verzoek. Op grond van artikel 15 lid 1 onder a RWN gaat het Nederlanderschap voor een meerderjarige verloren door vrijwillige verkrijging van een andere nationaliteit. Vast staat dat verzoeker op 12 december 2023, op zijn verzoek en dus vrijwillig, de Britse nationaliteit verkreeg en daarmee in beginsel zijn Nederlandse nationaliteit verloor. Verzoeker heeft ter onderbouwing van zijn stelling dat hij tenminste vijf onafgebroken jaren in het VK zijn hoofdverblijf had gedurende zijn minderjarigheid, onder meer schoolrapporten, diverse kopieën van onder meer zwem- en fietsdiploma’s en een groot aantal medische stukken overgelegd. Met deze door verzoeker overgelegde stukken is voldoende is onderbouwd dat hij ten tijde van zijn minderjarigheid in ieder geval tussen 1976 en 1987, en daarmee dus tenminste vijf onafgebroken jaren, zijn hoofdverblijf in het VK had. Er is geen enkele aanwijzing dat verzoeker tussen 1976 en 1987 in een ander land heeft verbleven, laat staan dat hij daar zijn hoofdverblijf had. Artikel 15 lid 2 onder b RWN is van toepassing. Het voorgaande betekent dat verzoeker het Nederlanderschap bezit.
De uitspraak op rechtspraak.nl