Rb. Den Haag 22 april 2025, ECLI:NL:RBDHA:2025:6790
In deze zaak verzoekt IenW om ontbinding van de arbeidsovereenkomst met [partij A]. De kantonrechter wijst het verzoek toe, omdat er een redelijke grond is voor ontbinding, te weten verwijtbaar handelen door [partij A]. [partij A] heeft namelijk in strijd gehandeld met de kernwaarden van IenW en heeft zich niet als goed ambtenaar gedragen door zich zowel binnen de privésfeer als tijdens werktijd of tijdens het uitvoeren van zijn werkzaamheden bezig te houden met het (onder andere) verspreiden dan wel ontvangen van kinderpornografisch materiaal dan wel het chatten over kinderpornografische afbeeldingen en daarvoor een gegevensdrager van IenW te gebruiken. Het voorwaardelijk tegenverzoek van [partij A] om toekenning van een transitievergoeding en een billijke vergoeding wordt afgewezen, omdat de ontbinding van de arbeidsovereenkomst het gevolg is van ernstig verwijtbaar handelen van [partij A] zelf. Het voorwaardelijk tegenverzoek van [partij A] om toekenning van een cumulatievergoeding komt niet voor toewijzing in aanmerking, aangezien de arbeidsovereenkomst op een andere grond dan de cumulatiegrond wordt ontbonden.
De uitspraak op rechtspraak.nl