Rb. Den Haag 14 april 2025, ECLI:NL:RBDHA:2025:6084

Vovo tegen opdracht in de zin van artikel 3.18, eerste en vierde lid, van de Wet natuurbescherming om de omvang van de populatie van het damhert binnen de grenzen van het werkgebied van de Wildbeheereenheid Hoeksche Waard te beperken tot nul exemplaren toegewezen. Het college heeft (1) niet aannemelijk gemaakt dat de populatie damherten in de Hoeksche Waard uitsluitend bestaat uit verwilderde dieren, (2) niet deugdelijk gemotiveerd waarom het met het oog op de verkeersveiligheid noodzakelijk is dat de populatie damherten in omvang moet worden teruggebracht en (3) niet deugdelijk gemotiveerd waarom het doden van de gehele populatie noodzakelijk is om ernstige schade aan gewassen te voorkomen. Als voorlopige voorziening is getroffen dat de populatie damherten in de Hoeksche Waard tot aan de uitspraak in de bodemprocedure tot 40 exemplaren mag worden teruggebracht

De uitspraak op rechtspraak.nl

Aangehaalde artikelen

Aangehaalde uitspraken