Rb. Den Haag 19 november 2025, ECLI:NL:RBDHA:2025:21656
De omgevingsvergunning die door het college van burgemeester en wethouders van Midden-Delfland is verleend voor de realisatie van een tijdelijke opvanglocatie voor 225 asielzoekers in Den Hoorn, wordt niet geschorst. Naar voorlopig oordeel heeft het college de regels die gelden voor het verlenen van een omgevingsvergunning in voldoende mate nageleefd. Het college mocht de vergunning verlenen voor de locatie die het COA heeft aangevraagd. De omwonenden hebben niet aannemelijk gemaakt dat andere locaties binnen de gemeente geschikter zijn. De voorzieningenrechter ziet ook geen aanleiding om te oordelen dat de aan het AZC verbonden verkeersbewegingen zijn onderschat en dat het aantal parkeerplaatsen onvoldoende is. Er zijn bovendien geen aanwijzingen dat de lokale voorzieningen – zoals scholen – onevenredig onder druk komen te staan. Naar het oordeel van de voorzieningenrechter is de behoefte aan het AZC ook voldoende onderbouwd. Het college mocht zich daarbij baseren op gegevens van het COA. In de verleende omgevingsvergunning staan concrete percentages vermeld als het gaat om de samenstelling van de groep asielzoekers. Zo is voorgeschreven dat de groep vreemdelingen voor ten minste 50 procent uit gezinnen moet bestaan. Het aantal asielzoekers is in alle gevallen gemaximeerd op 225 personen. Dit zijn verplichtingen waar het COA zich aan moet houden.
De uitspraak op rechtspraak.nl
Aangehaalde artikelen
- Artikel 6:22 Awb
- Artikel 8:69a Awb
- Artikel 8:81 Awb
- Artikel 10:3 Awb
- Artikel 5.1 Omgevingswet
- Artikel 16.15 Omgevingswet
- Artikel 16.15a Omgevingswet
- Artikel 16.15b Omgevingswet
- Artikel 22.1 Omgevingswet
- Artikel 4.21 Omgevingsbesluit
- Artikel 4.25 Omgevingsbesluit
- Artikel 5.129g Bkl
- Artikel 8.0a Bkl
- Artikel 4.6 Invoeringswet Omgevingswet