Rb. Den Haag 7 januari 2025, ECLI:NL:RBDHA:2025:206

Dublin Kroatië, beroep ongegrond, motiveringsbeginsel, zorgvuldigheidsbeginsel

De uitspraak op rechtspraak.nl

Tekst

RECHTBANK DEN HAAG
Zittingsplaats Middelburg
Bestuursrecht
zaaknummer: NL24.50255
uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen
[eiser] , eiser
v-nummer: [V-nummer]
(gemachtigde: mr. R.H.T. van Boxmeer),
en
de minister van Asiel en Migratie, voorheen de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid, verweerder.

Procesverloop

Bij besluit van 12 december 2024 (het bestreden besluit) heeft verweerder de asielaanvraag van eiser niet in behandeling genomen op de grond van Kroatië verantwoordelijk is voor de behandeling daarvan.

Eiser heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit.

De rechtbank doet op grond van artikel 8:54, eerste lid, van de Awb uitspraak zonder zitting.

Overwegingen

1 Eiser stelt van Syrische nationaliteit te zijn en te zijn geboren op [datum] 1999.

Hij heeft op 18 september 2024 een asielaanvraag gedaan.

2 Verweerder heeft de asielaanvraag van eiser niet in behandeling genomen. Uit

onderzoek in Eurodac is gebleken dat eiser op 9 september 2024 al in Kroatië om

internationale bescherming heeft verzocht. Nederland heeft op grond hiervan op 26

september 2024 een verzoek tot terugname verstuurd aan de Kroatische autoriteiten. Op 10

oktober 2024 heeft Kroatië het verzoek geaccepteerd, waarmee de verantwoordelijkheid van

Kroatië vaststaat.

3 Eiser voert aan dat ten aanzien van Kroatië niet langer van het interstatelijk

vertrouwensbeginsel kan worden uitgegaan, en stelt daartoe als volgt. Uit eisers

verklaringen volgt dat de Kroatische autoriteiten niet de internationale verplichtingen nakomen. Bij overdracht aan Kroatië loopt eiser daarom het risico op een behandeling die

strijdig is met artikel 3 van het EVRM en artikel 4 van het Handvest. Ook blijkt uit de

algemene landeninformatie dat niet kan worden uitgegaan van het interstatelijk

vertrouwensbeginsel voor Kroatië. Volgens eiser zijn in de uitspraak van de Afdeling van 9

oktober 2024 de omstandigheden in de opvangcentra niet betrokken. Daarnaast loopt eiser

het risico om te worden gedetineerd. De omstandigheden in Kroatische detentiecentra zijn

schadelijk voor de gezondheid. Als eiser niet wordt gedetineerd, zal hij geen opvang krijgen.

Hij krijgt dan ook geen geld en geen toegang tot de arbeidsmarkt. Voorts heeft verweerder

in het bestreden besluit gebruik gemaakt van ‘standaard tekst’. Dit is in strijd met het

zorgvuldigheidsbeginsel. Daarnaast is door verweerder niet ingegaan op de persoonlijke

omstandigheden en verklaringen van eiser. Verweerder maakt niet duidelijk waarom hij

geen aanleiding ziet om de asielaanvraag van eiser onverplicht te behandelen. Er is sprake

van een motiveringsgebrek.

De rechtbank oordeelt als volgt.

4 Niet in geschil is dat Kroatië in beginsel verantwoordelijk is voor de behandeling

van de asielaanvraag van eiser.

5 De Afdeling heeft op 9 oktober 2024 geoordeeld dat verweerder ten aanzien van

Kroatië nog altijd kan uitgaan van het interstatelijk vertrouwensbeginsel. Dit is daarna in

een aantal uitspraken door de Afdeling bevestigd. De Afdeling is hier ook ingegaan op de

omstandigheden in de Kroatische opvangcentra. Het is aan eiser om aan de hand van

objectieve informatie aannemelijk te maken dat in het geval van Kroatië aanleiding bestaat

om niet langer van het interstatelijk vertrouwensbeginsel uit te gaan. Eiser is daarin niet

geslaagd.

6 Eiser heeft in dit verband niet aannemelijk gemaakt dat hij als Dublinclaimant

slachtoffer zal worden van pushbacks bij overdracht naar Kroatië of dat hij na overdracht in

zodanig slechte omstandigheden terecht zal komen dat de bijzonder hoge drempel als

bedoeld in het Jawo-arrest wordt bereikt. De Afdeling heeft overwogen dat het al dan niet

plaatsvinden van pushbacks aan de buitengrenzen en soms ook verder naar het binnenland

onvoldoende is voor het oordeel dat ook Dublinclaimanten een reëel risico lopen om

slachtoffer te worden van pushbacks. Volgens de Afdeling mag er op basis van het

interstatelijk vertrouwensbeginsel van worden uitgegaan dat de Kroatische autoriteiten de

Dublinclaimanten niet in strijd met de mensenrechten zullen behandelen. De ervaringen die

eiser stelt zelf te hebben gehad, hebben plaatsgevonden toen hij illegaal Kroatië was

ingereisd. Eiser zal echter terugkeren als Dublinclaimant, hetgeen een andere situatie is.

Eiser heeft dan ook niet aannemelijk gemaakt dat hij bij overdracht als Dublinclaimant een

reëel risico loopt op een behandeling in strijd met artikel 3 van het EVRM en artikel 4 van

het Handvest.

7 Eiser heeft evenmin informatie overgelegd waaruit blijkt dat in Kroatië sprake is

van fundamentele systeemfouten in de opvangvoorzieningen voor asielzoekers. Niet kan

worden gesproken van structurele tekortkomingen in de Kroatische asielprocedure. De

Kroatische autoriteiten hebben met het claimakkoord van 10 oktober 2024 de terugname van

eiser geaccepteerd. Dat betekent dat zijn asielaanvraag in behandeling zal worden genomen

met inachtneming van de Europese richtlijnen en internationale verplichtingen. Eiser heeft

dan ook niet aannemelijk gemaakt dat hij na overdracht aan Kroatië (onrechtmatig) zal

worden gedetineerd en/of geen opvang en (leef)geld krijgt. Indien eiser na overdracht vindt

dat Kroatië zijn verplichtingen niet nakomt, ligt het op zijn weg om daarover in Kroatië te

klagen. Dat dit voor hem niet mogelijk, uiterst moeilijk of bij voorbaat zinloos is, is niet

gebleken. Deze beroepsgrond kan dan ook niet slagen.

8 De rechtbank volgt eiser niet in zijn standpunt dat verweerder het

motiveringsbeginsel en zorgvuldigheidsbeginsel heeft geschonden. Verweerder heeft in het

bestreden besluit de verklaringen van eiser benoemd. Verweerder is daarmee aan de hand

van de beschikbare informatie van eiser voldoende ingegaan op alle gronden die tot het niet

in behandeling nemen van de asielaanvraag hebben geleid. Dat daarbij mede gebruik is

gemaakt van ‘standaardtekst’, maakt nog niet dat die overwegingen niet van toepassing zijn

op eiser. Verweerder heeft in de genoemde omstandigheden geen aanleiding hoeven zien om toepassing te geven aan artikel 17, eerste lid, van de Dublinverordening. Er is namelijk niet gebleken van zodanig bijzondere, individuele omstandigheden die maken dat overdracht naar Kroatië van een zodanige onevenredige hardheid getuigt dat verweerder het

asielverzoek van eiser aan zich had moeten trekken.

9 De rechtbank verklaart het beroep kennelijk ongegrond. Er is geen aanleiding voor

een proceskostenveroordeling.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan op 7 januari 2025 door mr. M.L. Weerkamp, rechter, in aanwezigheid van S.A. Sewratan, griffier, en openbaar gemaakt door middel van

geanonimiseerde publicatie op www.rechtspraak.nl

De uitspraak is bekendgemaakt op:

Bent u het niet eens met deze uitspraak?

Als u het niet eens bent met deze uitspraak, kunt u een brief sturen naar de rechtbank waarin u uitlegt waarom u het er niet mee eens bent. Dit heet een verzetschrift. U moet dit verzetschrift indienen binnen 6 weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. U ziet deze datum hierboven. Als u graag een zitting wilt waarin u uw verzetschrift kunt toelichten, kunt u dit in uw verzetschrift vermelden.

Aangehaalde artikelen

Aangehaalde uitspraken