Rb. Den Haag 3 november 2025, ECLI:NL:RBDHA:2025:20337
Statushouder Griekenland /herkomst Eritrea – De rechtbank stelt ambtshalve vast dat uit het dossier en het onderzoek ter zitting niet blijkt dat aan eiser een internationale beschermingsstatus is verleend – in Eurodac is alleen geregistreerd dat eiser illegaal Griekenland is ingereisd en een asielaanvraag in Griekenland heeft ingediend – verweerder heeft geen contact opgenomen met de Griekse autoriteiten om navraag te doen en zal moeten uitgaan van Eurodac omdat eiser geen documenten heeft getoond waaruit de statusverlening blijkt. Het beleid om de beslistermijn van Griekse statushouders ‘te laten vollopen’ en af te wachten of de situatie in Griekenland wijzigt acht de rechtbank buitengewoon kwalijk. Het past een bestuursorgaan, dat structureel niet in staat is om binnen Unierechtelijke en nationaalrechtelijke termijnen te beslissen op asielaanvragen, niet om in zaken als deze waarin ten tijde van de asielaanvraag duidelijk is dat Griekenland op dat moment niet voldoet aan zijn verplichtingen ten aanzien van statushouders, niet aanstonds te beslissen op de asielaanvragen van ‘Griekse statushouders’. In het thans geldende IB 2025/20 is niet vermeld hoe wordt beoordeeld of een statushouder zelfredzaam is, dit is neergelegd in ‘interne notities’ en dus niet te controleren – los daarvan heeft verweerder zijn beleid niet toegepast want verweerder heeft niet deugdelijk vastgesteld dat eiser zelfredzaam is. Verweerder moet opnieuw beslissen op de aanvraag en ditmaal inhoudelijk en dit zal niet veel tijd kosten – eiser is reeds nader gehoord over zijn asielmotieven – zijn verklaringen zijn consistent en passen naadloos in het AAB Eritrea en het landgebonden beleid Eritrea maakt de zwaarwegendheidsbeoordeling ook overzichtelijk – beroep gegrond.
De uitspraak op rechtspraak.nl