Rb. Den Haag 27 oktober 2025, ECLI:NL:RBDHA:2025:19860
Dublin/Bulgarije; artikel 9 van de Dublinverordening. Anders dan eiser stelt, heeft verweerder tijdig (binnen drie maanden) een overnameverzoek aan Bulgarije gedaan. Het gaat hier om een registratie in EU-Vis en niet om een Eurodactreffer. Verweerder stelt dat de twee minderjarige kinderen van eiser nareisvergunningen hebben. Eiser heeft hier niets concreets tegenover gezet. Dat de vergunningen niet in het dossier staan (omdat dit volgens verweerder strijd met de Algemene Verordening Gegevensbescherming zou opleveren) maakt dat niet anders. Zonder nadere onderbouwing van eisers standpunt dat hij het gezag over de kinderen heeft en zijn toestemming in dit kader voldoende is voor verweerder om de vergunningen in zijn dossier te zetten, heeft verweerder dit niet hoeven volgen. De rechtbank gaat er daarom vanuit dat de kinderen een afgeleide asielvergunning op grond van artikel 29, tweede lid, van de Vw hebben en dat zij niet vallen onder gezinsleden die internationale bescherming genieten in de zin van artikel 9 van de Dublinverordening. De belangen van de kinderen heeft verweerder op een juiste manier meegewogen. Beroep ongegrond.
De uitspraak op rechtspraak.nl