Rb. Den Haag 24 oktober 2025, ECLI:NL:RBDHA:2025:19486

Asiel tussenuitspraak na mob-melding – eiser heeft een asielaanvraag ingediend en is een paar dagen voor de zitting met onbekende bestemming vertrokken - Op grond van vaste jurisprudentie wordt er van uit gegaan dat eiser daarom niet langer internationale bescherming wenst – De rechtbank controleert in de onderhavige procedure niet alleen de afwijzing van het verzoek om internationale bescherming, maar het ook of verweerder een terugkeerbesluit moet vaststellen. Deze rechterlijke controle en de verplichtingen die de rechter heeft zoals die voortvloeien uit artikel 5 van richtlijn 2008/115 hebben een Unierechtelijke grondslag. De rechtbank ziet zich in de onderhavige procedure voor de vraag gesteld of de nationale rechtspraktijk, die geen wettelijke grondslag heeft en waarin het beroep tegen de afwijzing van een verzoek om internationale bescherming niet-ontvankelijk wordt verklaard, verenigbaar is met de verplichtingen die voortvloeien uit richtlijn 2008/115. Het Hof heeft immers reeds verduidelijkt dat -kort gezegd- de verplichtingen voor de autoriteiten, waaronder begrepen de rechterlijke autoriteiten, die voortvloeien uit deze richtlijn bestaan ongeacht de gedragingen van de derdelander. Omdat deze rechtsvraag een principieel karakter heeft en bovendien zou kunnen worden getwijfeld aan de uitleg van het Unierecht, heeft de rechtbank ter zitting aan gemachtigden aangegeven een tussenuitspraak te doen en partijen in de gelegenheid te stellen om hierover een schriftelijk standpunt in te nemen alvorens de rechtbank beslist over de verdere voortgang van de procedure. – Verweerder moet tevens motiveren waarom hij de factuur van het iMMO nog niet heeft voldaan- iedere verdere beslissing wordt aangehouden.

De uitspraak op rechtspraak.nl

Aangehaalde artikelen

Aangehaalde uitspraken