Rb. Den Haag 3 september 2025, ECLI:NL:RBDHA:2025:16760

Hoofdelijkheid. Ongerechtvaardigde verrijking. Een advocaat heeft gelden op zijn derdengeldenrekening verrekend met openstaande facturen van zijn cliënte. In een eerdere procedure heeft de rechtbank geoordeeld dat de advocaat door de verrekening onrechtmatig heeft gehandeld jegens een schuldeiser van zijn cliënte. De advocaat is daarom in die procedure veroordeeld tot betaling van de verrekende gelden aan de schuldeiser van zijn cliënte. De advocaat vordert in deze procedure betaling van zijn cliënte voor het bedrag dat hij aan de schuldeiser van zijn cliënte heeft betaald. De advocaat legt aan zijn vordering ten grondslag dat sprake is van een hoofdelijke verbintenis voor de betaling aan de schuldeiser, dan wel dat sprake is van ongerechtvaardigde verrijking. De rechtbank oordeelt dat geen grondslag bestaat voor hoofdelijkheid. Van ongerechtvaardigde verrijking is ook geen sprake. De vorderingen worden afgewezen.

De uitspraak op rechtspraak.nl

Aangehaalde artikelen