Rb. Den Haag 3 september 2025, ECLI:NL:RBDHA:2025:16397
Voorlopige voorziening. Terugkeerbesluit. Derdelander Oekraïne. Naar aanleiding van het arrest Kaduna en Abkez van het Hof van Justitie en de uitspraak van de Afdeling van 23 april 2025 heeft de minister op 24 juli 2025 aan verzoeker een terugkeerbesluit opgelegd. Anders dan bij sommige andere derdelanders uit Oekraïne is ten aanzien van verzoeker niet eerder een voorlopige voorziening getroffen op grond waarvan hij de uitspraak op zijn beroep in Nederland mag afwachten. Omdat verzoeker nog onder de bevriezingsmaatregel valt die op 4 september 2025 stopt, betekent het terugkeerbesluit dat verzoeker vanaf 4 september 2025 vier weken de tijd heeft om te vertrekken uit de opvang en Nederland en dat verzoeker vanaf 4 september 2025 niet meer mag werken. Gelet hierop heeft verzoeker spoedeisend belang bij de gevraagde voorziening. De voorzieningenrechter wijst het verzoek om een voorlopige voorziening te treffen af omdat het beroep naar voorlopig oordeel geen redelijke kans van slagen heeft. Aan dat oordeel legt de voorzieningenrechter allereerst ten grondslag dat de facultatieve tijdelijke bescherming voor derdelanders uit Oekraïne is geëindigd op 4 maart 2024 en dat de Nederlandse autoriteiten aan deze groep geen toezeggingen heeft gedaan dat hun tijdelijke bescherming niet eerder zou eindigen dan de verplichte tijdelijke bescherming. Ten tweede volgt de voorzieningenrechter verzoeker niet in zijn betoog dat het terugkeerbesluit te vroeg zou zijn genomen. Verder staan naar voorlopig oordeel van de voorzieningenrechter ook het vertrouwensbeginsel, het rechtszekerheidsbeginsel en het evenredigheidsbeginsel niet aan de beëindiging van de tijdelijke bescherming in de weg. Voor zover verzoeker stelt dat het recht op eerbiediging van zijn privéleven in de weg staat aan de oplegging of de tenuitvoerlegging van het terugkeerbesluit, volgt de voorzieningenrechter dat evenmin, al omdat verzoeker deze stelling op geen enkele wijze heeft geconcretiseerd of onderbouwd. Tot slot bestaat er volgens de voorzieningenrechter ook geen reden om geen terugkeerbesluit op te leggen vanwege de SIS-signalering die volgt na de oplegging van een terugkeerbesluit. Gezien al het voorgaande bestaat er geen reden voor het treffen van een voorlopige voorziening.
De uitspraak op rechtspraak.nl
Aangehaalde artikelen
Aangehaalde uitspraken
- ABRvS 12 mei 2025, ECLI:NL:RVS:2025:2128
- ABRvS 23 april 2025, ECLI:NL:RVS:2025:1827
- ABRvS 23 april 2025, ECLI:NL:RVS:2025:1829
- ABRvS 25 april 2024, ECLI:NL:RVS:2024:1742
- Rb. Den Haag 29 maart 2024, ECLI:NL:RBDHA:2024:4394
- ABRvS 29 maart 2024, ECLI:NL:RVS:2024:1341
- ABRvS 17 januari 2024, ECLI:NL:RVS:2024:32
- ABRvS 1 september 2023, ECLI:NL:RVS:2023:3349
- HvJ EU, ECLI:EU:C:2017:236
- HvJ EU, ECLI:EU:C:2021:402
- HvJ EU, ECLI:EU:C:2024:1038
- HvJ EU, ECLI:EU:C:2024:892