Rb. Den Haag 30 juli 2025, ECLI:NL:RBDHA:2025:14212
Gegrond beroep t.a.v. een bewaringsmaatregel. De rechtbank stelt voorop dat situaties waarin vrijheidsbeneming, waaronder bewaring, is toegestaan restrictief moeten worden uitgelegd, aangezien het om uitzonderingen op het grondrecht op vrijheid en veiligheid gaat. Dit heeft tot gevolg dat de motivering van de maatregel van bewaring altijd zal moeten zijn toegespitst op de situatie van de vreemdeling. Dit betekent dus ook dat de enkele feitelijke vaststelling van een zware grond – per definitie – niet kan volstaan om de maatregel van bewaring te rechtvaardigen, omdat daarmee het risico wordt gelopen dat een vreemdeling op basis van algemene overwegingen, die niet op de betrokkene zijn toegespitst, in bewaring wordt gesteld, hetgeen afbreuk zou doen aan de restrictieve uitleg die moet worden gegeven aan de situaties waarin de vreemdeling kan worden vastgezet. De rechtbank realiseert zich dat het toetsingskader dat zij hanteert afwijkt van het toetsingskader van de Afdeling zoals dat uiteen is gezet in zijn uitspraak van 25 maart 20202 en is bevestigd in zijn uitspraak van 25 juli 2025. De rechtbank, althans deze enkelvoudige kamer, kan zich echter, ook gelet op de motivering van de Afdeling in diens laatstgenoemde uitspraak, niet in deze lijn van de Afdeling vinden. De rechtbank licht dit in de onderhavige uitspraak toe.
De uitspraak op rechtspraak.nl