Rb. Den Haag 17 juli 2025, ECLI:NL:RBDHA:2025:12963
Klacht ex artikel 10:7, schadevergoeding ex art. 10:11 en verzoek tot schorsing ex artikel 10:9 lid 1 Wvggz. De rechtbank is van oordeel dat de klacht ten aanzien van de toepassing van insluiten materieel ongegrond en formeel gegrond moet worden verklaard. Per abuis is ten aanzien van de vorm insluiten een beslissing ex artikel 8:9 van de Wvggz genomen terwijl insluiten op dat moment niet was opgenomen in de zorgmachtiging van verzoeker. De zorgaanbieder heeft dit vervolgens hersteld door later alsnog een beslissing ex artikel 8:12 van de Wvggz uit te reiken. Hoewel de beoordeling voor de toepassing van insluiten hetzelfde zou zijn geweest als de zorgaanbieder meteen een beslissing ex artikel 8:12 van de Wvggz had genomen in plaats van een beslissing ex artikel 8:9 van de Wvggz, was de beoordeling van het verzoek tot wijziging van de zorgmachtiging dan wel eerder ingediend en behandeld ter zitting. Hoewel een eerdere behandeling van dat verzoek niet had geleid tot een feitelijke wijziging van de situatie, nu de rechtbank insluiten aan de bestaande zorgmachtiging heeft toegevoegd, laat dit onverlet dat de vorm insluiten zonder geldige titel is toegepast in die periode. Nu de klacht ten aanzien van de toepassing van verplichte zorg in de vorm van insluiten formeel gegrond wordt verklaard is naar het oordeel van de rechtbank aanleiding voor toekenning van een schadevergoeding ten aanzien van verzoeker ex artikel 10:11 van de Wvggz.
De uitspraak op rechtspraak.nl