Rb. Den Haag 8 juli 2025, ECLI:NL:RBDHA:2025:12293

Verzet tegen een in kort geding gewezen verstekvonnis. De bij verstek veroordeelde is in deze verzet-kortgedingprocedure de eiser (opposant). Eiser/opposant heeft in eerste instantie een advocaat gesteld, maar die advocaat heeft zich onttrokken. Tijdens de mondelinge behandeling is namens eiser/opposant niemand verschenen. Op grond van art. 79 lid 2 jo. 255 en 259 Rv moet eiser/opposant vertegenwoordigd worden door een advocaat. Gedaagde wordt van de instantie ontslagen op grond van artikel 123 Rv

De uitspraak op rechtspraak.nl

Aangehaalde artikelen

Aangehaalde uitspraken