Rb. Den Haag 20 juni 2025, ECLI:NL:RBDHA:2025:10843
Kort geding. De vordering tot opschorting van de tenuitvoerlegging van een aan eiser sub 1 opgelegde gevangenisstraf om mantelzorg te kunnen verlenen tot aan het overlijden van eiseres sub 2, die terminaal ziek is, wordt afgewezen. Sinds het onherroepelijk worden van de gevangenisstraf heeft de Staat al diverse malen uitstel verleend om eisers in de gelegenheid te stellen om vervangende zorg te regelen. Eisers hebben onvoldoende onderbouwd dat de zorg voor eiseres sub 2 niet door een derde zou kunnen worden verleend. Van schending van grondrechten is geen sprake. Gelet op de executieplicht van de Staat leidt een belangenafweging niet tot een ander oordeel.
De uitspraak op rechtspraak.nl